Zorgeloos barsten we uit onze voegen

Een Nederlander beschikt nog over ruwweg eenderde van de ruimte die zijn voorouders een eeuw geleden hadden, maar hij stelt tegelijkertijd aanzienlijk hogere eisen....

door Willem de Bruin

NEDERLAND is vol. Vol met Nederlanders. Vol met huizen, kantoren, fabrieken, wegen, spoorlijnen, vliegvelden, havens, hoogspanningsleidingen, recreatieparken, meubelboulevards, golfbanen en wat de moderne mens nog meer ten dienste staat om de verveling te verdrijven. En ja, er zijn ook asielzoekers, die een dankbaar alibi vormen om een discussie over 'vol' taboe te verklaren.

Hoe diffuus en ongearticuleerd ook, het gevoel dat Nederland vol is, bestaat. Voor rechts een welkome reden de grenzen te sluiten. Voor links een reden een discussie hierover besmet te verklaren, zoals het D66-Kamerlid Boris Dittrich mocht ervaren toen hij onlangs een voorzichtig pleidooi hield voor een bevolkingspolitiek. Door hem alleen al aan het woord te laten, maakte Het Parool, dat Dittrich had geïnterviewd, zich volgens Chris Keulemans schuldig aan 'machogedrag' (Forum, 17 juni).

In dit debat zijn echter niet de asielzoekers het belangrijkste probleem, dat zijn wij autotochtone Nederlanders zelf. Wie uit angst iedere discussie over de evident aanwezige ruimtenood mijdt, bewijst uiteindelijk alleen diegenen een dienst die menen alle ruimte voor zichzelf te kunnen opeisen.

De cijfers spreken voor zichzelf. Met een bevolkingsdichtheid van 466 inwoners per vierkante kilometer is het alleen in Bangladesh en enkele eilandstaten nog voller. Cijfers die ons desondanks vaak met enige trots vervullen. Zo vol en toch nog zo leefbaar, dat hebben we toch maar mooi voor elkaar. Wie de planologische chaos rond de miljoenensteden in bijvoorbeeld China of Latijns Amerika van dichtbij heeft gezien, mag zich zeker gelukkig prijzen in Nederland te wonen. Toch is voor die trots langzaam maar zeker steeds minder reden. De rijkdom die ons zoveel beter dan die derdewereldlanden in staat stelt het huis op orde te houden, heeft ons lui en zelfgenoegzaam gemaakt.

Voor het geld hoeven we niets meer te laten en dat zijn we dan ook niet van plan. Een huis met een tuin is de norm en een tweede auto volgt dan vanzelf. Niet meer gewend keuzes te maken en bestuurd door politici die meer vertrouwen stellen in de markt dan in eigen kunnen, dreigt de inrichting van Nederland steeds meer het domein te worden van projectontwikkelaars en vastgoedbeleggers.

'Nederland is bijna op. Alles is in gebruik, vaak zo intensief en heftig, dat alles ook steeds in onderhoud, in voorbereiding, in verbetering, in verandering en helaas al te vaak in verval is. Het land is een danszaal geworden waarin niemand meer aan de kant zit en iedereen de hele vloer nodig heeft', constateerde Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau dit voorjaar in een beschouwing in Vrij Nederland.

Vol is een relatief begrip. Gelet op de middelen die ons ter beschikking staan, zou Nederland met gemak nog een paar miljoen mensen extra kunnen voeden en huisvesten. En statistieken lenen zich voor meerdere interpretaties. Alles bij elkaar opgeteld is nog geen vijftien procent van Nederland bebouwd. Hoezo vol? Ruimte zat!

Dat valt te bezien. Dat Nederland door velen als vol wordt ervaren, heeft minder te maken met de netto bebouwde oppervlakte dan met de nonchalante manier waarop die bebouwing over het land is verspreid. Mag ruim 85 procent van Nederland 'leeg' zijn, wie waar dan ook gaat wandelen zal merken dat hij zelden meer dan drie kilometer van een verharde weg is verwijderd. Lawaai alom.

Hoe graag wij ook de Verenigde Staten als het autoland bij uitstek beschouwen, maar weinig aardbewoners staan verhoudingsgewijs zoveel kilometers asfalt ter beschikking als de Nederlanders en in maar weinig landen worden, ondanks de minieme afstanden, zoveel kilometers per auto afgelegd.

Nu de bomen van de economie tot in de hemel lijken te groeien, lijkt het idee te hebben postgevat dat de oppervlakte van Nederland meegroeit. We barsten van het geld en dan wil niemand graag horen dat de koek opraakt. Toch kan dat sneller het geval zijn dan we zouden wensen. Niet alleen moet de koek over een nog steeds groeiend aantal inwoners worden verdeeld, iedere nieuwe generatie wil bovendien een groter stuk.

Een Nederlander beschikt nu nog over ruwweg eenderde van de ruimte die zijn voorouders een eeuw geleden hadden, maar stelt tegelijkertijd aanzienlijk hogere eisen. Geen politieke partij echter die, strijdend om de gunst van dezelfde middenklasse, durft te zeggen dat het een illusie is te denken dat zestien miljoen mensen in een huis met een tuin en een parkeerplaats voor de deur kunnen worden gehuisvest.

MAAR geldt juist Nederland internationaal niet als een voorbeeld van hoe je zorgvuldig kunt zijn met schaarse ruimte? Op papier is daar weinig tegen in te brengen. Sinds in 1960 de eerste beleidsnota over de inrichting van Nederland verscheen, is een indrukwekkende expertise opgebouwd op het gebied van ruimtelijke planning.

Wat al deze plannen gemeen hebben, is dat zij uitgaan van een evenredige verdeling van alle activiteiten over de beschikbare ruimte. Ruimtelijk beleid is in Nederland in de eerste plaats het bewaren van het evenwicht tussen de vaak tegenstrijdige belangen van verschillende departementen, lagere overheden en belangengroepen. Het resultaat is wat Rick van der Ploeg, staatssecretaris van Cultuur en nooit te beroerd om op lange tenen te gaan staan, de 'bureaucratische verkaveling van Nederland' noemde.

In een discussiebijdrage aan Forum (23 oktober 1999) constateerde de bewindsman dat de ruimtelijke ordening is verworden 'tot een optelsom van losse projecten, zonder een opvatting over de toekomstige samenleving waarvoor wij de ruimte aan het ordenen zijn. Zonder een conceptuele samenhang of een overkoepelend ruimtelijk ontwerp.'

Het was duidelijk dat vooral zijn partijgenoot Jan Pronk zich deze kritiek kon aantrekken. Al een kleine twee jaar zwoegt de PvdA-bewindsman op de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening, waarvan de verschijning na vele malen uitstel nu is voorzien voor november van dit jaar. Er is geen reden te twijfelen aan de oprechtheid van Pronks streven de ongecontroleerde verstedelijking van Nederland tegen te gaan, doch nu reeds valt te vrezen dat ook zijn beleid zal blijven steken in goede bedoelingen, al was het maar omdat het hem aan de bevoegdheden ontbreekt keuzes af te dwingen. Wordt hij niet gedwarsboomd door zijn collega-ministers op Economische Zaken en Verkeer en Waterstaat, dan is het wel door ambitieuze gemeentebestuurders die in de eerste plaats hun eigen ambities najagen. Bedrijven en projectontwikkelaars hoeven onder deze omstandigheden slechts een keuze te maken uit de gunstigste aanbieding.

Zo onstaat een steeds grotere kloof tussen het beleid op papier en de ontwikkelingen die onder invloed van de markt gestalte krijgen. Steeds ingewikkelder worden de bochten waarin de overheid zich moet wringen om nog een schijn van geloofwaardigheid te bewaren.

Is de razendsnel voortschrijdende lintbebouwing langs de snelweg, de zogenoemde corridors, in strijd met bijna alle streek- en bestemmingsplannen, door voortaan te streven naar 'beheerste corridorvorming' lijkt het toch alsof sprake is van een zekere sturing. Al een kwarteeuw is het streven erop gericht het Groene Hart open te houden, tegelijk is er geen gebied waar de verstedelijking zich sneller voltrekt dan juist hier. De uitvlucht is dan dat niet alle delen van het Groene Hart even waardevol zijn. We omarmen de compacte stad, maar het resulaat lijkt steeds meer op Los Angeles. In de Vijfde nota zal daarom het begrip 'netwerkstad' zijn intrede doen. Miljoenen worden besteed aan de aanleg van nieuwe natuur, terwijl het aantal soorten planten en dieren achteruit blijft hollen.

In onze wanhopige pogingen het onverenigbare te verenigen, creëren we mythes die alleen door de plannenmakers zelf voor de werkelijkheid worden aangezien. Een van de meest hardnekkige mythes is de 'dubbeldoelstelling' bij de uitbreiding van Schiphol. Krampachtig houdt het kabinet vol dat een internationale luchthaven in een van de dichtstbevolkte gebieden van Europa kan blijven groeien zonder dat de overlast of de druk op de ruimte toenemen.

Geld speelt geen rol en evenmin lijkt de politiek zich nog druk te maken over de eigen geloofwaardigheid. Miljarden worden besteed aan de aanleg van de Betuwelijn, terwijl Nederland tegelijkertijd niets nalaat om België te dwarsbomen in de wens de reeds bestaande 'IJzeren Rijn' van Antwerpen naar het Roergebied weer in gebruik te nemen, met als argument dat deze spoorlijn voor een paar kilometer door een natuurgebied loopt.

Geld speelt geen rol en dat is nu juist het probleem. Waar de financiële noodzaak keuzes te maken is weggevallen en de politieke wil daartoe ontbreekt, ziet iedereen kans zijn wensen in vervulling te laten gaan. Bij botsende belangen wordt er eenvoudigweg nog een paar honderd miljoen op tafel gelegd voor een tunnel hier en een geluidswal daar. Meer geld voor openbaar vervoer? Dan ook meer wegen! Wat prestige in de politiek waard is, laat het anti-fileplan van minister Netelenbos zien. Niet minder dan tien miljard heeft het kabinet over voor een ratjetoe aan maatregelen om het verzet tegen de tolpoortjes te breken. Het eerste protest uit de coalitie tegen deze verspilling van overheidsgeld moet nog klinken.

Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat het steeds lastiger zal worden alle tegenstrijdige claims op de ruimte te blijven honoreren. De afkoopsommen zullen hoger worden, de kunstgrepen moeilijker, de protesten feller. Een uitweg is niet makkelijk te vinden. Waar op papier de noodzaak van keuzes wordt onderstreept, vraagt het poldermodel om compromissen. Wie zomaar zegt dat iets niet meer kan, vraagt om moeilijkheden. Dat ondervond begin dit jaar staatssecretaris De Vries van Verkeer en Waterstaat. 'Hans Brinkers moet niet langer zijn vinger in de dijk steken, maar kaplaarzen aantrekken', zei de VVD-bewindsvrouwe bij de presentatie van een plan om bij extreem hoge waterstanden dunbevolkte delen van het rivierengebied onder water te zetten om het gevaar van overstroming van dichter bevolkte gebieden te verkleinen.

HET steeds verder ophogen van de dijken biedt op termijn geen soelaas, stelde de staatssecretaris. Mede ten gevolge van klimatologische veranderingen moet in de toekomst rekening worden gehouden met steeds hogere waterstanden. Die kunnen alleen worden beheerst door de rivieren meer ruimte te geven.

Menig burgemeester en wethouder liet weten 'verbijsterd' te zijn, daar hen bij het volbouwen van het rivierenland nog nooit iets in de weg was gelegd. Goed, in de uiterwaarden mag je niet bouwen, maar de overstroming van de Maas in Limburg bracht in het recente verleden aan het licht dat ook daar vaak nog wel een mouw aan te passen viel.

De fout die de staatssecretaris maakte, werd treffend onder woorden gebracht door het CDA-Kamerlid Biesheuvel. 'De Vries had moeten zorgen voor draagvlak, maar het lijkt erop dat ze het juist kwijt is.' Draagvlak, het uit maatschappelijke discussies, inspraak en bestuurlijk overleg opgetrokken fundament onder het poldermodel. Geen beleid zonder draagvlak.

Pronk heeft dit goed begrepen en ter voorbereiding van de Vijfde nota een 'polderoverleg' met maatschappelijke organisaties in het leven geroepen. 'De besluitvorming wint daarmee aan kwaliteit en draagvlak'. Kwaliteit die zich helaas niet vertaalt in heldere keuzes, want 'de keuze van de thema's die in de Vijfde nota centraal staan, komt pas in de loop van het proces vast te staan. Die keuze wordt immers sterk beïnvloed door anderen (...) De Vijfde nota ontwikkelt zich dus al doende', aldus het ministerie bij het begin van het polderoverleg.

Wat in aanleg het summum van democratie lijkt, is in de prakijk meer en meer een alibi geworden voor de politiek zich aan de eigen verantwoordelijkheid te onttrekken en pijnlijke keuzes uit de weg te gaan. Door ieder probleem van zijn politieke lading te ontdoen, resteert uiteindelijk een technisch vraagstuk waar met goed overleg uit moet zijn te komen. Het maken van een echte keuze zou betekenen dat een van de belanghebbende partijen met lege handen achterblijft en dat zou het draagvlak ondermijnen. Het blijft een kwestie van geven en nemen. Voor wat hoort wat.

EEN recent resultaat van deze 'onderhandelingsplanologie' is het plan voor de aanleg van een Tweede Maasvlakte, waarbij ter compensatie elders 750 hectare nieuwe natuur zou moeten aangelegd. De suggestie dat het hier 'excuusgroen' zou betreffen, werpt de milieubeweging verre van zich, nochtans is het de vraag of zij zich gelukkig moet prijzen met dit door haar zo enthousiast omarmde 'groene' poldermodel. De machtsongelijkheid tussen de milieubeweging en het bedrijfsleven zal, zoals Schiphol laat zien, ertoe leiden dat de groene franje vooral moet verhullen dat het bestaande economische beleid gewoon wordt voortgezet.

In zijn eerdergenoemde beschouwing bekritiseerde Rick van der Ploeg met name het ontbreken van een culturele dimensie aan de plannen voor de inrichting van Nederland. Teruggrijpend op bouwmeesters als Berlage en Van Eesteren pleitte hij voor een grotere cultuurpolitieke inbreng in de ruimtelijke ordening. '(...) Een bevlogen toekomstvisie (...), een schitterende choreografie, die de kakofonie van publieke en private deelbelangen tot een apotheose brengt.' Een sympathiek pleidooi dat ondersteuning verdient, mits het tot meer leidt dan het 'landschappelijk inpassen' van de Betuwelijn of de HSL.

Het lijkt erop dat de critici van het bestaande beleid uiteindelijk in twee kampen uiteenvallen, geconcentreerd rond twee mogelijkheden: afremmen, of proberen een 'grote sprong voorwaarts' te maken. De milieubeweging vinden we vooral in het eerste kamp. Tot de aanhangers van de tweede mogelijkheid behoren onder anderen de cultuurhistoricus Vincent van Rossem en ook Paul Schnabel. Beiden pleiten ervoor op te houden met het gerommel in de marge en te accepteren dat de Randstad, en eigenlijk heel Nederland, een grote metropool is en daar de inrichting op af te stemmen.

Het is duidelijk dat de afremmers voor een schier hopeloze opgave staan. De pleitbezorgers van de 'grote sprong voorwaarts' staan voor een ander probleem. Wanneer aan de metropoolgedachte meer dan, zoals nu, lippendienst wordt bewezen, zullen de ruimtelijke en de bestuurlijke consequenties verstrekkend zijn. Het zal niet meevallen daar een draagvlak voor te vinden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden