Zorg over kinderporno niet vertaalbaar in wet

De mogelijkheden voor de aanpak van kinderporno schieten te kort. Met de vermaning van de Kamer aan de minister om hier iets aan te doen, fluit ze zichzelf terug, betogen J.S....

J.S. PEN; D. VAN DER LANDEN

KINDERPORNO valt alleen aan te pakken als ook het bezit ervan als misdrijf wordt opgenomen in het wetboek van strafrecht. Dat stelt de Amsterdamse hoofdcommissaris E. Nordholt. Minister Sorgdrager van justitie heeft met verbazing gereageerd op deze uitspraak. Volgens de bewindsvrouw is niet alleen de productie en handel maar ook het 'in voorraad hebben' van kinderporno strafbaar. Per 1 februari 1996 is de strafmaat zelfs opgetrokken van één naar vier jaar, aldus een woordvoerder van de minister in Het Parool van afgelopen zaterdag.

Wie heeft gelijk, de hoofdcommissaris of de minister? Op het eerste gezicht de minister. Per 1 februari vorig jaar is artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zodanig gewijzigd, dat naast verspreiding, openlijke tentoonstelling, vervaardiging, invoer, uitvoer of doorvoer ook 'het in voorraad hebben' van kinderporno strafbaar is.

In voorraad hebben is evenwel iets anders dan in bezit hebben. Toen bleek dat de Kamerleden er van uit gingen dat met de nieuwe strafbaarstelling werd beoogd privébezit van kinderporno strafbaar te stellen, merkte minister Sorgdrager op: 'Ik meen dat het begrip ''in voorraad heeft'' niet dezelfde betekenis heeft als het begrip ''bezit''. Het begrip ''voorraad'' wijst op pluraliteit, en heeft een naar buiten gerichte connotatie.'

Voor het laatste wijst de bewindsvrouw naar de dikke Van Dale waarin een voorraad wordt omschreven als 'een hoeveelheid van iets die voorhanden is, waarvan men gebruik kan maken, in het bijzonder een hoeveelheid goederen die in een winkel of een bedrijf voorhanden is'.

Bij dit standpunt van de minister passen twee kanttekeningen: In de eerste plaats heeft zij zich op het standpunt gesteld dat 'bezit' van kinderporno niet strafbaar is. Bij nadere beschouwing ligt het gelijk dus bij de hoofdcommissaris.

Belangrijker is evenwel de vaststelling dat de minister de rechtspraktijk heeft opgezadeld met een onwerkbare wetsbepaling. Niet duidelijk is immers wat moet worden verstaan onder 'pluraliteit' en 'een naar buiten gerichte connotatie'. Is er sprake van pluraliteit indien iemand meerdere exemplaren van dezelfde afbeelding voorhanden heeft? Betekent de naar buiten gerichte connotatie dat bezit van een voorraad kinderporno pas strafbaar is indien anderen in het 'genot' daarvan mogen delen? Indien dat zo is, valt niet in te zien wat dan nog de zelfstandige betekenis is van de strafbaarstelling van de verspreiding en openlijke tentoonstelling van kinderpornografie.

Bij deze stand van zaken rijst de vraag waarom de minister heeft geopteerd voor het onduidelijke begrip 'in voorraad hebben' en niet voor het veel duidelijker 'in bezit hebben'. Een direct antwoord op deze vraag valt uit de parlementaire stukken niet te destilleren.

Het is echter aannemelijk dat de minister van Justitie op deze wijze tegemoet heeft willen komen aan de kritiek van Kamerleden die vreesden dat strafbaarstelling van privébezit van naaktfoto's van kinderen een ontoelaatbare inbreuk zou betekenen op de privacy van de bezitter. Daarnaast was de Tweede Kamer beducht 'voor een te ver doorschieten van de strafwetgeving' en 'ongewenste zedenmeesterij'.

Deze angst gold met name de ruime definitie van kinderpornografie in combinatie met de voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de strafbaarstelling tot de strikte privésfeer. In artikel 240b Sr wordt kinderpornografie gedefinieerd als 'een afbeelding van een iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, al dan niet alleen, in een zodanige houding dat daarmee kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling wordt beoogd'. Voor het seksuele karakter van gedragingen dan wel houdingen van de afgebeelde kinderen was derhalve het prikkelend effect op de toeschouwer bepalend.

Dit is een zeer subjectief criterium. De ene rechter zal oordelen dat met de houding van een bloot kind kennelijk het opwekken van seksuele prikkeling wordt beoogd, terwijl een ander deze inschatting niet zal maken. Bovendien zou het feit dat er mensen zijn die wegens hun seksuele geaardheid door elke blootfoto van kinderen worden geprikkeld, tot gevolg kunnen hebben dat zelfs het meest onschuldige kiekje uit het familiealbum onder het bereik van de strafbaarstelling zou gaan vallen.

De minister heeft willen voorkomen dat het privébezit van (onschuldige) naaktfoto's van kinderen strafbaar wordt. Daartoe heeft zij enerzijds geopteerd voor het begrip 'in voorraad hebben' in plaats voor 'in bezit hebben'. Anderzijds is een streep getrokken door de subjectieve benadering van het bestanddeel 'seksuele gedraging'.

Het is evenwel de vraag of de door de minister voorgestane meer objectiverende benadering sluitend is. Wij citeren daartoe uit de op 15 augustus 1996 in werking getreden richtlijn van de procureurs-generaal inzake 'opsporing en vervolging van kinderpornografie': 'Voor vaststelling of een afbeelding (van een jeugdige alleen) een seksuele gedraging is in de zin van artikel 240b Sr geldt als leidraad dat de afgebeelde gedraging wordt afgezet tegen een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelljk ontbloot kind in een gezinssfeer. Bij een normale afbeelding van een geheel/gedeeltelijk ontbloot kind in de gezinssfeer past de afgebeelde gedraging bij de jeugdige van die leeftijd, en is de gedraging vastgelegd in een omgeving en in een context waarin de jeugdige normaal verkeert'.

Bij de vaststelling van de vraag of een naaktfoto als kinderporno moet worden aangemerkt, is derhalve het subjectieve criterium van het zinneprikkelend effect op de toeschouwer, vervangen door een 'objectieve' benadering waarbij 'de normale afbeelding van een ontbloot kind in de gezinssfeer' het ijkpunt is.

Op basis van dit criterium staat in ieder geval vast dat de foto in het familiealbum van de blote baby geen kinderporno is. Het blijft evenwel de vraag of hetzelfde geldt voor de uitdagende foto van de vijftienjarige schone op het naaktstrand.

De conclusie moet zijn dat is gepoogd een evenwicht te vinden tussen een optimale bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik en de privacy van de burger die terecht bezwaar heeft tegen een overheid die het famlliealbum uitpluist op zoek naar plaatjes die mogelijk de zinnen prikkelen. Het resultaat van deze exercitie is niet optimaal. Nu de praktijk niet uit de voeten kan met het begrip 'in voorraad hebben', moet dit worden vervangen door de term 'in bezit hebben'. Ons inziens kan de privacy van de burger dat wel hebben.

Voorwaarde daarbij is evenwel een restrictieve interpretatie van het begrip 'kinderporno'. De aangehaalde richtlijn van de procureurs-generaal is daartoe een stap op de goede weg. Wellicht zou het begrip 'kinderporno' kunnen worden aangescherpt door een verlaging van de leeftijdsgrens tot 12 à 14 jaar, zodat de afbeeldlng van de hierboven ten tonele gevoerde 15-jarige schone op het naaktstrand buiten de strafbaarstelling valt.

In ieder geval heeft de Tweede Kamer vorig jaar februari de strafbaarstelling gekregen die zij op dat moment wenste. In dat licht is de reactie van een aantal fractievoorzitters die nu de schrille toon een aanscherping van de wetgeving eisen nogal goedkoop. De huidige bepaling is vorig jaar met hun instemming tot stand gekomen. De minister valt niets te verwijten.

J.S Pen en D. van der Landen zijn advocaten van het kantoor Sjöcrona Van Stigt De Roos & Pen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden