Zorg eerst dat het geld de leerling bereikt

Het kabinet wil 35 miljard bezuinigen en heeft speciale commissies aan het werk gezet. Een aantal specialisten geeft hier een voorzet....

De deplorabele staat van ons onderwijs vraagt eerder om investeringen dan bezuinigingen. Helemaal in een samenleving die zich kenniseconomie wil noemen. Het Europese gemiddelde volgend, zou er wel zeker 1 procent van het bbp (7,5 miljard) bij moeten.

Wel is helder dat aan de besteding van het huidige onderwijsbudget (ruim 30 miljard euro) nog veel te verbeteren valt. Van elke euro die overheid, de belastingbetaler dus, aan onderwijs uitgeeft, gaat nu gemiddeld minder dan de helft naar de leerling en de leraar. Voor veel scholen in het voortgezet en primair onderwijs liggen de verhoudingen iets gunstiger, hoewel ook zij honderdduizenden euro’s afdragen aan het bestuur waaronder zij vallen. Maar veel van de scholen in het beroepsonderwijs (mbo en hbo) besteden niet meer dan 20 procent van elke euro aan leraar en leerling.

Wat gebeurt er met al dat geld? Waar vroeger Nederland bezaaid was met honderden hogescholen en scholen voor mbo hebben we nu een dikke dertig hogescholen en even zoveel roc’s, mastodonten met tienduizenden leerlingen. Een instituut voor beroepsonderwijs van zo’n vijftien jaar geleden had, naast het onderwijspersoneel, onderwijsondersteunend personeel (conciërge, technisch onderwijs assistenten en een enkele leerkracht die als coördinator de directeur ondersteunde), een administratie, een roostermaker en een klein bureau ict. En dan was er de directeur die in grote scholen werd ondersteund door een onderdirecteur. Deze twee directeuren hadden één directiesecretaresse.

In het ‘nieuwe’ beroepsonderwijs is het aantal functies bijna niet meer te tellen. Er zijn nu conciërges aangevuld met beveiliging, vele ict- medewerkers, toezichthouders in Open Leer Centra of Multimediale Centra, stagebureaus, examenbureaus, onderwijsontwikkelaars, communicatiedeskundigen, volledige personeelsdiensten met personeelsmanagers, personeelsmanagersadviseurs en vastgoedmanagers. De directeur is vervangen door een eerstelijnmanager met boven zich een sectordirecteur, locatiedirecteur, dagelijks bestuur en raad van toezicht. Het bestuur weet boven zich ook nog de mbo- of hbo-raad.

Ook externe clubjes graaien mee uit de onderwijspot. Bij de behandeling van de onderwijsbegroting werd duidelijk dat ruim 900 miljoen subsidie wordt verstrekt aan tientallen projecten en onderwijsadviesbureaus, en aan allerlei bestuursraden zonder dat de overheid precies weet wat met dat geld gebeurt. Zo vertegenwoordigen de raden van bestuurders (hbo-, vo-, mbo-, en po-raad) zogenaamd de leraar en de klassen. In feite zijn het echter verenigingen van schoolbestuurders. Naast de subsidies die zij ontvangen, vragen zij scholen miljoenen euro’s aan contributie.

Het is een volkomen overbodig gecreëerd middenveld dat de taak van het ministerie heeft overgenomen met honderden personeelsleden en natuurlijk een hiërarchisch opgebouwd personeelsbestand met medewerkers, eerstelijnmanagers, adjunct-directeuren, directeuren, sectordirecteuren en een centrale raad van bestuur.

Ongetwijfeld zitten er projecten en instanties bij die zinnig werk doen, zoals het Cito en de Onderwijsraad, al deed de laatste onlangs het onzinnige voorstel docenten te laten tijdschrijven. Maar het houdt niet op bij deze raden. Behalve dat onderwijsadviesbureaus zoals APS, KPC, CPS miljoenen aan subsidies ontvangen, hebben zij baat bij constante veranderingen in het onderwijs.

Zo kunnen ze scholen nog miljoenen vragen om deze vaak zinloze vernieuwingen voor te bereiden, te implementeren en te assisteren bij de ‘opleiding’ van docenten.

In het primair onderwijs verdwijnt ook veel geld naar de zogeheten rugzakjes – dat zijn kinderen met een kleinere of grotere stoornis – en naar kinderen met ouders met een lage opleiding. Voor deze leerlingen krijgen de scholen extra geld, bijna tweemaal zoveel als voor een regulier kind. Scholen hebben er dus baat bij daar waar de kans bestaat, zoveel mogelijk leerlingen als zodanig te benoemen. Helaas is voor niemand duidelijk wat er met dat extra geld wordt gedaan.

Alle schoolbesturen krijgen van de overheid elk jaar een zak met geld om het onderwijs te verzorgen. Deze mensen zijn er vast van overtuigd dat ze als schoolorganisatie een bedrijf zijn en legitimeren daarmee het oppotten van miljarden euro’s, geld bedoeld voor de leerling in de klas dat ongebruikt op de bankrekening staat. Maar dat zijn ze niet want wie voor bijna 100 procent door de overheid gefinancierd wordt, kan zich nimmer een bedrijf noemen. Er zijn vrijwel geen risico’s; het geld blijft toch binnenstromen.

Elke dag werken meer dan tweehonderdduizend mensen zich drie slagen in de rondte om onze jongeren goed onderwijs te geven: leraren, hun directe ondersteuners en schoolleiders tegen een relatief lage vergoeding in vaak onwerkbare situaties met geringe middelen. Zij zouden veel meer kwaliteit kunnen leveren wanneer het geld bedoeld voor hen ook echt bij hen zou terechtkomen. Dan zouden de scholen die nu met weinig geld grote prestaties leveren eindelijk beloond worden.

Het staat vast dat van de ruim 30 miljard, meer dan de helft niet ten goede komt aan het primaire proces. Het is de overheid die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs. Zij weigert echter scholen te dwingen financieel transparant te zijn en daarmee schiet zij in eigen voet. Hoewel je in onderwijs moet investeren in plaats van bezuinigen, moet er voorlopig absoluut geen cent bij maar ook zeker niets af totdat duidelijk is wat er werkelijk met deze ongelooflijke hoeveelheid geld gebeurt. Die ambtelijke werkgroep zou met deze opdracht op pad moeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.