Zorg dat je d'r weg komt!

De Koninklijke Marine bevindt zich in een neerwaartse spiraal. Jantjes en adelborsten zijn steeds moeilijker te werven, officieren lopen in groten getale over naar het bedrijfsleven....

Het is gezond voor je lijf en je leden

Bij de marine is er niemand ontevreden

Zorg, dat je d'r bij komt

Bij de marine, bij de marine

Zorg, dat je d'r bij komt

Bij de marine moet je zijn! (Dorus)

'De marine is een verouderde organisatie waarin autoriteit nog steeds te veel op de voorgrond staat. Aan boord wordt meestal geen kennismakingsgesprek gevoerd, de commandant kom je pas tegen op de brug. De officieren, leidinggevenden tenslotte, zouden toch regelmatig op de hoogte gebracht moeten worden van het grote plaatje. Maar dat gebeurt te weinig. Betrokkenheid en meedenken worden te weinig aangemoedigd, daardoor wordt de honger naar buiten groter. Doodzonde, want het is een prachtig bedrijf, dat ik nooit zal verloochenen. Maar de starheid keert zich nu dubbel en dwars tegen de organisatie.'

Officier Robbert Luyendijk verliet de marine en nam een Helders schildersbedrijf over. Vorig jaar vertrokken zeventig officieren. Een hele lichting, want per jaar begint ongeveer eenzelfde aantal adelborsten - aspirant-officieren - de opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM). De instroom van adelborsten (vwo) en hbo'ers is de laatste jaren twintig procent te laag, de uitstroom van officieren leidt tot personeelsschaarste en vergroot de werkdruk dusdanig dat nog meer hoogopgeleiden definitief de wal op gaan. Een vicieuze cirkel.

Teun Steenbeek, kapitein ter zee (kolonel) en voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren (KVMO), noemt het 'een negatieve spiraal'. Die in meerdere opzichten neerwaarts gaat: 'Bijna alle fregatten varen met een CCO (commandocentrale-officier) of wachtsofficier te weinig. Zolang we niet in een oorlogssituatie zitten, kan dat. Maar bij grote internationale oefeningen moeten CCO's gehaald worden van een schip dat in onderhoud ligt. Die moeten meteen weer inschepen en zo wordt de vaar-wal-verhouding scheefgetrokken. Wat het thuisfront niet accepteert. Dat is het verschil met vroeger. Toen ik zelf bij de marine kwam, werd het hele gezin er geplaatst. Tegenwoordig hebben de echtgenotes dikwijls een baan, de kinderen moeten naar de sportvereniging, die stellen natuurlijk hun eisen.'

Luyendijk: 'Je komt bij de marine als vrijgezel en je wilt de wereld zien. Je krijgt een brede en veelzijdige opleiding, en kiest vervolgens het ruime sop. Ik heb een prachtige tijd gehad en veel geleerd, maar je krijgt een gezin en dan komt het varen in een ander daglicht. Het is je vak, maar het personeelstekort dat er nu is, maakt dat je steeds meer gaat varen, dat je ook vaker wordt overgeplaatst en gedetacheerd, om gaten op te vullen. En: de droom van elke zee-officier is ooit het commando over een schip te voeren. Maar de weg daar naartoe is steeds langer geworden.'

Volgens de meest recente NIPO-enquête dreigt eenvijfde deel van de 16 duizend personeelsleden de marine te verlaten. Wellicht zal de drang om te vertrekken nog groter worden met een nieuwe bezuinigingsronde in het verschiet. Bij de drie krijgsmachtonderdelen moet 375 miljoen gulden worden bezuinigd. Maandag wordt de omvang van de operatie bekend.

De schatting van Teun Steenbeek, voorzitter van de Koninklijke Vereniging van Marine Officieren (KVMO), is dat de marine zo rond de honderd miljoen gulden zal moeten inleveren. Het zal waarschijnlijk betekenen dat twee van de zestien overgebleven fregatten - dat waren er in het vorige decennium 22 - uit de vaart worden genomen, en dat enkele van de dertien Orions (patrouillevliegtuigen) worden afgedankt. Mogelijk gaat ook de marine-vliegbasis Valkenburg bij Leiden dicht.

Intussen ambiëren steeds meer officieren een baan in het bedrijfsleven. Het werk bij de marine is te zwaar en te onvoorspelbaar geworden, tot ergernis van gezinsleden die klagen dat pa te uithuizig is. Maar dat is niet de enige reden voor de overstap. Het bedrijfsleven biedt meer geld, én betere perspectieven.

Luyendijk: 'Het is zeker niet alleen een kwestie van honorering. De leuze was: stap in de wereld die marine heet. Maar het is nog steeds een té andere wereld. Je wilt voor vol aangezien worden en daar ontbreekt het in mijn beleving te vaak aan. Ondanks de uitstroom van personeel bleef de marinetop ontkennen dat er een probleem is. Juist dat ontkennen was voor velen een klap in het gezicht.

'Het is toch niet meer van deze tijd dat je zo weinig bij het management wordt betrokken, terwijl je als jonge man of vrouw van 25 wel de verantwoordelijkheid krijgt voor 180 man en een schip van vele miljoenen. Dat reikt verder dan een schip kunnen váren, je moet in crisisomstandigheden ook meedenken in het gevechtsscenario. Je bent de ogen van het schip. Het bedrijfsleven weet dat het bij de marine mensen op managementniveau kan vinden. Dat het goede lui zijn. Daar stuur je dus headhunters op af.'

Steenbeek noemt de marineofficieren 'jongens die je om een boodschap kunt sturen'. Ook de vakbondsman - de KVMO heeft met 98 procent een zeldzaam hoge organisatiegraad - denkt niet dat de uittocht bij de marine in de eerste plaats wordt veroorzaakt door de financiële lokroep van het bedrijfsleven. 'Uit de exit-interviews blijkt dat de grootste irritatie het functietoewijzings- en plaatsingsbeleid is. Er worden verwachtingen gewekt die niet waargemaakt worden. Ik ken mensen die te horen kregen dat hun toekomst in Den Haag lag. Een halfjaar later zaten ze al weer in Den Helder.

'Dat is hapsnapbeleid. De marine heeft een gesloten personeelssysteem, waar weinig rek in zit. Verdwijnt iemand, dan trekt die een gat dat weer uit de marine opgevuld moet worden. Als je dan mensen steeds van hot naar her schopt, ben je met je eigen ondergang bezig. Twee jaar geleden hadden we daarom nog een plunjezak-marine. Formeel mag dat niet meer. Alleen de heel essentiële functies worden nog opgevuld, de marineleiding heeft besloten dan maar met vacatures te leren leven. De commandant zeemacht, Hooft, heeft zeer stringente richtlijnen gegeven om plaatsingsrust te krijgen. Er zou daarnaast iets gedaan moeten worden aan het salariërings- en toelagebeleid. En de sjeu van het officiersvak zou terug moeten komen.'

Tegelijk met de inkrimping van de marine - sinds 1991 met 25 procent - is volgens Steenbeek alle franje aan het vak 'geknipt en geschoren'. 'De overheid bevordert uit milieu-oogpunt het gebruik van openbaar vervoer. Geen overheidssector die daarin zo strikt is als de marine. Is reizen per auto niet noodzakelijk en doe je het toch, krijg je 19 cent per kilometer. Dan lacht toch iedereen zich krom.'

Een zee-officier genoot aanzien. Hij werd bediend aan tafel, zijn bed werd opgemaakt. De kapitein ter zee kreeg, als hij overnachtte op het marinecomplex in Den Helder, een eigen kamer. Nu ligt hij op een slaapzaal; staat hij met een dienblad in de rij voor de kassa van het bedrijfsrestaurant. Gerard van den Bosch herinnert zich hoe de adelborsten een 'muzikale pil' kregen, als ze zich de voor officieren bedoelde stoel toeëigenden: staand en soms tot brakens toe een broodje verorberen met al het aanwezige beleg, vooral mosterd. Zo leerde je de gezagsverhoudingen kennen, maar werd je - later - ook trots op het elitekorps waarvan je deel uitmaakte. 'Eerst kwam de koningin, iets lager Onze-Lieve-Heer, dan de officier.'

Gerard van den Bosch, authentiek Brabander, gepensioneerd overste, schoonzoons eveneens officier, was veertien jaar wethouder in Den Helder en sprong een jaar lang in als burgemeester. Hij eet nog geregeld in het 'officierenrestaurant', intussen weliswaar geprivatiseerd, maar voor onbevoegden nog altijd niet toegankelijk. Het ligt op marinegebied, aan de uiterste noordkant van Den Helder. De meeste inwoners hebben nog nooit van het idyllische uitzicht op dokken en schepen kunnen genieten, een uitzicht ook op hoogst geavanceerde nieuwe bedrijven.

Waar het ook volgens van Den Bosch aan schort: de marine is te lang een gesloten gemeenschap geweest en dat werkt door. Heldenaren zijn ook gesloten. Dus krijg je twee vestingen tegenover elkaar. Van den Bosch probeerde dat te veranderen. Hij stichtte de oecomenische Vredeskerk, hij maakte de veelal exclusieve marine-sportverenigingen open. Hij zette het werk voort van de oude burgemeester Visser, die zich enorm had gestoord aan het isolement van de zeemacht.

Van den Bosch komt uit een tijd dat Den Helder nog vergeven was van de uniformen. En het plicht was om te groeten. 'Je liep de hele dag te salueren. Je mocht een hoger geplaatste in rang erop wijzen, als die niet teruggroette. Problemen met tucht en orde waren er niet. De studentikoosheid, de brallerigheid stonden me tegen, maar vooral het feit dat we in een aparte wereld leefden. Ik was verbaasd, toen ik raadslid en wethouder werd, dat op het stadhuis, dus in de burgermaatschappij, dezelfde, nee nog een grotere onderdanigheid heerste. Dat verklaarde dus die scheidslijn tussen bevolking en marine: ze waren beide in zichzelf gekeerd.'

Bij de marine had dat wellicht te maken met een lichte mate van arrogantie. Erfgenamen waren deze zeevaarders tenslotte van Michiel de Ruyter en Johan de Witt, helden der vaderlandse geschiedenis; in het officiersrestaurant hangt nog een oorspronkelijke Mesdag met zeeslag, er staat een totempaal uit Nieuw-Guinea. Het jaarlijkse bal der adelborsten, de aspirant-officieren, is nog steeds een gebeurtenis van allure. De assaut, de aanval, heet het met een woord uit de schermsport. De dames, die destijds in Amsterdam als danspartner werden opgehaald, heetten 'fee'. En wee je gebeente als je als officier na afloop met de fee op eenzelfde nachtelijk adres werd gesignaleerd. Dan zwaaide er wat. De marine eiste tot in het bed háár discipline. En dat heeft te lang geduurd.

Van den Bosch had rechten willen studeren. Maar hij kreeg in zijn officiersopleiding economie toegewezen in Rotterdam en mocht zich gelukkig prijzen dat hij kón studeren. Hij vestigde zich later met zijn vrouw in Den Helder, maar werd prompt geplaatst op de Zeven Provinciën in Rotterdam. Het schip verhuisde een halfjaar later 'gelukkig' naar het 'Nieuwediep', zoals Den Helder ter plaatse wordt genoemd.

Voor zijn huwelijk had hij toestemming bij de marineleiding moeten vragen. Het verzoek bleek een week te laat ingediend; hij diende daarom te beseffen dat hij 'op eigen risico' trouwde. Niet veel later kwam de oproep voor Nieuw-Guinea; toen hij negentien maanden later terugkwam, was de eerste van zijn vier kinderen geboren. Hij had gedurende zijn afwezigheid twee keer veertig seconden naar huis mogen bellen.

'Het is een wat typische werkgever gebleven', zegt Van den Bosch. 'Terwijl het toch een industrie was van 22 duizend en nu toch nog 16 duizend werknemers. Maar er is nog steeds weinig verbinding met Den Helder. Als je een stad binnenrijdt, dan zie je gewoonlijk aan de buitenkant van die hoge kantoortoeters, hier zie je niets. Alles ligt aan de andere kant van het kanaal, waar niemand mag komen, en het zijn echt de modernste werven en bewapeningswerkplaatsen. Er hangt een sfeer omheen van geheimhouding, afgeslotenheid. Je ziet het ook aan de sport. De marine als bedrijf sponsort geen enkele Helderse vereniging. Dat is toch jammer, een gemiste kans om te vermaatschappelijken.'

Een jonge officier die zichzelf in het geprivatiseerde marinerestaurant onthaalt op een copieuze maaltijd, moet kwijt dat in Helder veel te weinig te beleven valt. Terwijl 'aan wal gaan' ook onderdeel is van de franje, zoals Steenbeek het noemde. Zit je maanden op een schip, dan wil je, eenmaal in de haven, wel enige variëteit aan vertier. Eén schouwburg, één bioscoop, de voor het merendeel nogal plebejische cafés: de ontspanning die ze bieden, is niet bepaald uitnodigend.

De marine heeft als stelregel dat de werknemers zich niet in een straal van 25 kilometer buiten het hoofdkwartier mogen vestigen. Dan is Julianadorp ongeveer het verst. Met een dispensatieregeling kort je jezelf op de woon-werk-vergoeding. 'Vertel, vertel verder', spoort Van den Bosch de mopperende jonge officier aan. Om zelf vervolgens een hartstochtelijk pleidooi te houden voor die merkwaardige, hem dierbare vestingstad Den Helder.

Een sfeerloos tochtgat, een kale blokkendoos, die naam heeft de marinestad. Maar kom met die gemeenplaatsen niet aan bij Van den Bosch of burgemeester Willem Hoekzema. De ex-staatssecretaris van Defensie is hevig doende Den Helder als napoleontische vestingstad te herprofileren. En laat het verwijt evenmin horen aan Robbert Luyendijk, die thans als eigenaar van een schildersbedrijf de 'geneugten van Den Helder heeft leren kennen en waarderen'. Ook Van den Bosch is trouwens met volle overtuiging blijven hangen in de 'jutterse' uithoek van frisse lucht, picturale en dichterlijke inspiratie, van betaalbaar wonen en van een in Nederland onovertroffen aantal zonuren.

Maar Den Helder is voor de helft van de werkgelegenheid afhankelijk van de marine. Door de negatieve spiraal bij de zeemacht moesten er maatregelen komen. Gmelich Meijling, de voorlaatste burgemeester, die na zijn benoeming tot staatssecretaris in opspraak kwam door exorbitant declareren en in het Helderse inmiddels de 'operettegeneraal' wordt genoemd, gaf de eerste aanzet tot herbouw van de oude vesting en dus tot architectonische eenwording van de stad. Fort Kijkduin draait met zijn zee-aquarium en restaurants tot verbazing van iedere scepticus - en dat zijn alle Nieuwediepers - zowaar al een jaar lang op eigen kracht.

Dat Den Helder moet inspelen op de ontwikkelingen bij Defensie, op het doemdenken dat onontkoombaar een bijverschijnsel is van de voortdurende afslanking der marine, is duidelijk. Teun Steenbeek zei het al: 'Twente rustte te hardnekkig op een monocultuur, op de textiel. Dat gevaar bedreigt Den Helder ook, zeker als er een aantal jaren van mismoedigheid is. Je gaat niet werken bij een losing company.'

Er mankeert iets aan het beeld van de marine. Dat was 32 jaar geleden, zeker bij de burgerij, bepaald anders. De jantjes, de matrozen in opleiding, zouden het Centraal Station in Amsterdam 'wel even schoonvegen' en van 'langharig tuig' ontdoen - zonder overleg met de leiding. De steunbetuigingen stroomden binnen: Nederland had in die periode van verwarring en protest de duidelijkheid van de marine nodig. Als tegenwicht voor het beangstigende gevecht tegen gezag en autoriteit dat was losgebroken.

Drie jaar later liepen jantjes en mariniers (het elitekorps van de zeemacht) elkaar mis in de hoofdstad, de afspraak om gezamenlijk op te treden leed schipbreuk - de jantjes kwamen te laat in Amsterdam aan. Dat was een veeg teken. Toch werd de Dam, door de mariniers, ontdaan van Damslapers en werden opnieuw gelukwenskaarten en -taarten in Den Helder bezorgd. Toen veel later Perron Nul in Rotterdam door mariniers - weer zonder toestemming van de leiding - van junks werd ontdaan, was de bijval uit het land al een stuk minder.

In de loop van de jaren zeventig werd ook buiten de grote steden het besef sterker dat bestrijding van 'uitwassen' in eigen land niet gelijk stond met het bevechten van buitenlandse gevaren. De glans van het defensie-apparaat verdween. Het was de periode dat veel progressieven aarzelden tussen PvdA en PSP, de pacifistisch-socialistische partij. Het was de Koude Oorlog, waarin het kiezen was tussen afwijzing van of begrip voor het communisme.

Vervolgens kwam de val van de Berlijnse Muur en leek de vijand denkbeeldig geworden. De Nederlandse krijgsmacht moest steeds krampachtiger haar bestaansrecht bewijzen. Maar zelfs als het zo is dat de Nederlandse marine - als onderdeel daarvan - nooit verloren gaat, en door met name Amerika en Engeland erkend zal blijven als 'eredivisiespeler', wat Steenbeek denkt, dan nog moet Den Helder als stad de blik verruimen. De taken van de marine zullen op den duur alleen maar specifieker en internationaler worden: ondersteuning van internationale vredesmissies, terrorismepreventie, drugsbestrijding, kustbewaking, redden van surfende drenkelingen, ja, wat doet een oorlogsvloot in vredestijd al niet? De heroriëntering of accentverschuiving van 'blauwe naar bruine marine' is al gaande en ze betekent absoluut niet dat de marine zich meer op Den Helder zal richten.

Het beleid van de stad heeft daarom twee benen. Waarvan één zeebeen. Den Helder wil de band met de marine niet kwijt en streeft ernaar een aantal centrale diensten te krijgen, in het bijzonder die uit Den Haag. De tv-spotjes waarmee potentieel marinepersoneel naar Den Helder wordt gelokt, hebben te weinig resultaat. Die commercials zeggen nog steeds: kom en ontdek de wereld. Maar (Steenbeek): 'Wie nu aangenomen wordt als adelborst, is met zijn ouders al met vakantie geweest naar Cuba, Amerika of Afrika. Het is de vraag of die spotjes nog van deze tijd zijn.'

Het andere been zijn nieuwe projecten op de wal, die bij voorkeur wel weer een connectie hebben met zee of marine. 'Den Helder hijst de stormbal', heette een der rapporten. Burgemeester Hoekzema liet de gemeente tien miljoen investeren in de troosteloze, maar ooit legendarische werf Willemsoord. Die wordt een enorm maritiem attractiepark met museale functie. Waarom zou dat geen succes worden? Ze komen tenslotte ook met z'n honderdduizenden op de Vlootdagen af.

Het lichte defaitisme bij de marine mag dus niet overslaan op de stad. Die mismoedigheid is 'licht', weet Teun Steenbeek, omdat het varen Nederlanders in de genen zit, en omdat een lange traditie niet in een decennium verloren gaat. 'Nederland is opgegroeid met Piet Hein en de Blauwgeruite Kiel', zoals de Haagse marinevoorlichter het formuleert. Maar het defaitisme is tegelijk zwaar, aldus Steenbeek, 'omdat elke officier om zich heen kijkt, naar betrekkingen buiten de marine.' Zo ontstaat volgens hem nu een sfeer van: 'Als je je niet elders oriënteert, hoor je er niet bij.'

Met de nieuwe bezuinigingen in het vooruitzicht wordt het nederlaaggevoel er zeker niet minder op. Het moeten 'de laatste loodjes zijn van een mega-operatie', zegt de voorlichting in Den Haag. Maar dan moet het ook basta zijn. 'Want het moet niet veel langer zo doorgaan.'

Hans van Wissen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden