'Zorg dat de pislucht verdwijnt en hou verder je kop' Verpleging

Verpleegkundige (37) stuurde uit woede over hooghartige bejegening en slechte beloning aan op ontslag...

Mijn favoriete patiënte was 73, prettig én erg gestoord. Dementie is nooit leuk, maar je moet er tussen die oudjes wel een paar hebben als zij, anders hou je het zéker niet vol. Ze husselde alles door elkaar, haar verleden, haar familie, haar spullen. En ze was geobsedeerd door kwaaltjes en astrologie. 'Een steenbok stoot z'n kop altijd aan dezelfde steen', was haar standaarduitdrukking, en alleen dán lachte ze.

De geheime geliefde tijdens haar huwelijk was een arts uit Nijmegen geweest. Daar kon ze nog wel eens heldere dingen over zeggen, maar op andere momenten was ze totaal afwezig. Ik had met haar te doen en het enige dat me niet helemaal lekker zit, is dat ik haar toch wel een beetje verdriet zal hebben gedaan door het niet meer vol te willen houden. Ze klampte zich aan me vast, haar zoons kwamen niet meer.

Een beetje dankbaarheid van de patiënten is belangrijk, maar niet het enige. Toen ik op mijn 25ste begon, was er ook nog wel maatschappelijke waardering, vind ik. Ik was dan wel een van de weinige mannen, maar ik hoefde me ten opzichte van leeftijdgenoten niet te verantwoorden. En in het ziekenhuis werd al helemaal niet op je neergekeken.

Nu ben je in de ogen van de maatschappij een halve gare als je nog in de verpleging gaat en word je ook binnen de muren vaak beschouwd als mislukt. Ik voelde dat tenminste zo. Je bent de laagste in de hiërarchie en dat zul je weten ook. Alsof iemand die twee of tien treden hoger staat, dementie wél kan genezen. We falen tenslotte allemaal, we kunnen hooguit medicijnen voorschrijven en door een beetje aardig te doen het leven van mensen nog iets draaglijk maken. De arts geeft de medicijnen, ik doe aardig, dat is de rangorde. Wie is er belangrijker?

Als verpleger hoef je niets te kunnen, was bij ons de opvatting en dat werd je dus ook dagelijks ingepeperd: zorg jij nu maar dat de pislucht verdwijnt en hou verder je kop. Die arrogantie werd me te gortig. Ik heb het twaalf jaar volgehouden. Het is me een raadsel dat de woede van verplegend personeel niet vaker tot een uitbarsting komt.

De meeste verpleegkundigen zijn na een of twee jaar alweer vertrokken, ik zou wel eens willen weten waar al die mensen die ik heb zien komen en gaan, gebleven zijn. Het geweldige verloop zou de verantwoordelijken toch moeten alarmeren. Maar denk je dat iemand bijhoudt waarom het personeel het zo snel voor gezien houdt? Laat staan dat er iets wordt gedaan om een sfeer van meer respect te scheppen.

Dat gebrek aan respect is mijn grote probleem, en daar komt bij dat het zich ook nog eens uitdrukt in een schandelijk lage salariëring. Ik vind dat een misstand van de eerste orde, maar ik hoor er bijna nooit iemand over: de mensen die het rotste werk doen, krijgen het slechtst betaald. Om een luier om te doen, hoef je inderdaad niet acht jaar gestudeerd te hebben, maar iemand zal het toch moeten doen.

Je weet dat je niet de verpleging ingaat om er rijk van te worden, maar ik laat me niet meer afschepen. Beloningsverschillen zullen wel onontkoombaar zijn, maar ik ga me niet voor een schijntje afbeulen, terwijl anderen hun neus voor me ophalen. Ik zou er heel wat minder moeite mee hebben als de geleerde dames en heren ook navenant zouden presteren. Maar ik zie er niets van.

Een jaar geleden werd voor de afdeling een nieuwe psychiater aangesteld. Tien jaar jonger dan ik, in opleiding nog. Zo op het oog alleraardigst, om te zien dus, want om mee te maken het meest verwaande mens dat je je kon voorstellen. Nooit te vinden ook, behalve op de vergadering van maandag en bij de intake-gesprekken. Ze werd geacht te pendelen tussen de open en de gesloten afdeling. Dat pendelen vroeg klaarblijkelijk erg veel tijd. Reuze ingewikkeld kijken, daar was ze zeer goed in. En in wegwezen als het te moeilijk werd.

De eerste jaren werkte ik zelf op de gesloten afdeling. Daar droeg je eigenlijk nog meer verantwoordelijkheid. Nachtdiensten draaide je in je eentje, gemiddeld voor vijftien patiënten. Iedereen die er wel eens binnen is geweest, weet hoe zwaar dat is. Want er is nooit nachtelijke rust. Slapelozen die de hele nacht lopen te jammeren, mensen die zichzelf bevuilen, schreeuwbuien krijgen, anderen aanvallen. Maar daar was tenminste een psychiater die begrip en belangstelling had. Een beetje een ouderwetse man, maar zonder enige minachting. En altijd aanspreekbaar. Die werkte tot zijn pensionering tachtig uur in de week en was niet vrijdagmiddag om twaalf uur verdwenen. Het was in die tijd al bijna een voorrecht als je met een psychose werd opgenomen, zo schaars was de ruimte. Soms bleven mensen dagenlang in het crisiscentrum omdat bij ons gewoon geen plaats was. En het is in al die jaren alleen maar erger geworden. Met de stoornissen trouwens ook.

Dat houd je als verpleger niet lang vol. Bij de demente bejaarden werd het iets lichter, tenminste minder extreem. Tot onze jongedame dus binnenkwam. Achter dat lieftallige koppie bleek een pedant kreng schuil te gaan. Als ik in de gezondheidszorg één ding geleerd heb, is het dat je bescheiden moet zijn over wat je kunt bereiken. Sowieso heb ik een hekel aan verbeelding en een commandotoon. Dan kan ik mijn mond niet houden.

Dus ik zei al gauw: 'Beste dokter in opleiding, bekijk de situatie hier eens van een afstandje. Dan zie je geen verschil meer tussen jou en mij. Waarom kijk je dus eigenlijk van anderhalve kilometer hoogte op mij neer?' Nog heel fatsoenlijk gezegd, toch. Maar je begrijpt: ik had mevrouw niet te tutoyeren.

Een jaar voor haar komst had ik me al zo'n beetje voorgenomen te vertrekken. Geen salarisperspectief, eigenlijk helemaal geen perspectief. Woede om de voortdurende vernedering. Maar ik had geen zin om zelf ontslag te nemen en zij kwam dus als geroepen. Ik moest zorgen dat ik zo veel mogelijk in haar omgeving was en dat viel dus niet mee, maar ik had er totaal geen moeite mee haar steeds erger te beledigen en haar orders te negeren. Ze maakte in mijn ogen een fout met een recept voor mijn gestoorde lievelingspatiënt en ik klaagde haar aan. Dat was misschien minder netjes van me, maar het grote conflict was ontstaan. Ze werd natuurlijk in bescherming genomen, de arbeidsverhoudingen waren definitief verstoord, zoals door de directie werd vastgesteld, en ik kon weg.

Er is niets mee opgelost, dat begrijp ik ook wel. Maar ik laat me niet koeioneren, en al klinkt dat op mijn beurt arrogant: ik voel me te goed om voor net iets meer dan het minimumloon het zwaarste werk te doen. Dat bedoel ik niet eens fysiek, want ik kon heel prima tegen de wissel- en weekenddiensten, maar er wordt ook een enorm beroep gedaan op je mentale incasseringsvermogen. Je moet ook grote menselijke capaciteiten hebben, wil je het in de verpleging volhouden. Met de vreemdste mensen om kunnen gaan, altijd vriendelijk blijven. Dat moet gewoon meer erkend worden, want anders is op den duur helemaal geen verplegend personeel meer te krijgen.

Bovendien zou er een regeling moeten zijn die je na tien jaar het recht geeft een jaar bij te tanken. Daarom heb ik er ook absoluut geen moeite mee dat ik nu van een uitkering leef. Anderen heb ik de WAO in zien gaan, die zijn al jaren afgekeurd. Dat spelletje heb ik niet gespeeld. Ik ga over een jaar echt wel weer aan de slag. Alleen, je kunt wel raden waar dat níet zal zijn.

Hans van Wissen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden