Zonder fotografie zijn wij blind

Er best geen slechte foto's, betoogde Sacha Bronwasser in een lezing ter gelegenheid van een tentoonstelling met Kees Schrerers werk uit de jaren vijftig....

Haar zoon, die nu het archief beheert, vertelde onlangs waarom: wat wij zien, is maar een klein gedeelte van wat zij zag - en dan ook nog het meest dragelijke. 'Zij fotografeerde wat zij dacht dat ze mensen aankonden', zei hij in een interview.

Wat Lee Miller dacht dat wij aankonden heeft ons beeld van concentratiekampen, in elk geval het uiterlijk ervan, bepaald. De rest is verdwenen.'De tentstokken van de herinnering', zo noemt Gerrit Krol de privoto's die wij in albums bewaren. De term werd door hoogleraar Psychologie Douwe Draaisma gebruikt om de rol van foto's voor het geheugen te beschrijven. 'De meeste herinneringen zijn slap en vormeloos en daarom fotograferen we wat ons memorabel lijkt' schrijft hij.

Ik wil dat persoonstentje uitbouwen. Foto's zijn de tentstokken van ons collectieve geheugen. Wat geldt voor de foto en de persoonlijke herinnering, geldt ook in de uitvergrote versie. En alle soorten van fotografie doen daaraan mee: de nieuwsfoto, de reportagefoto, de kunstfoto, de snapshot, allemaal. Zij doen dat onvolledig, subjectief, vol leugens en met grote gaten; maar ze doen het.

De aanleiding voor dit verhaal zijn de foto's van Kees Scherer, momenteel te zien in het Vakbondsmuseum in Amsterdam. Maar ook de fotografie-veenbrand die de laatste maanden in dagbladen en on-line discussiefora woedde. Die werd aangestoken vanuit de beeldende kunst: het artikel 'Luie schilders' van Hans den Hartog Jager, september vorig jaar in NRC Handelsblad.

Er zou tegenwoordig te veel fotografie zijn, te veel kritiekloze conservatoren die rijp en rot en alle genres door elkaar tonen. Iedere 'sukkel met drie jaar kunstacademie en een Hasselblad' krijgt een tentoonstelling in van de vele nieuwe fotomusea. Vorige week woensdag bereikte de discussie zijn voorlopige hoogtepunt met een debat in een afgeladen De Balie in Amsterdam.

Voor een criticus wil ik iets raars doen. Ik ga op zoek naar de kwaliteiten van foto's die mij en mijn collega's de mond snoeren. Ik ga u vertellen dat er geen slechte foto's bestaan.

Om te begrijpen hoe wij naar foto's kijken is het werk van Kees Scherer een mooi handvat. Op deze tentoonstelling zijn foto's uit de jaren vijftig te zien - een tijdvak dat door iedereen, van buurvrouw tot politicus, met het woord 'nostalgie' verbonden wordt.

Nu zijn er in het oeuvre van Kees Scherer veel foto's die dat voeden: Nederland is licht en schoon en leeg en Scherer vangt de mensen in prachtig tegenlicht.

Maar in de meeste foto's zit een angel. Als ik ze zie, ruik ik zweet en benepenheid, karigheid en lange werkdagen, prikkende wollen jassen en koude jongensknievoor wie nog niet aan de plusfour toe was.

In het brandpunt van een foto van een bus schoolkinderen zie ik de bedrukte blik van de bovenmeester. Die man is doodsbang voor de branie van die jongens achter hem, op weg naar een vakantiekamp. Niks brave schooljeugd.

En het schippersgezin dan, waar Kees Scherer met zijn grote lijf bovenop kroop in een benauwd kajuitje. Je kijkt met de fotograaf mee, net over de rand van de borden heen, en je ziet hoe vader en moeder met norse berusting in hun aardappels prikken.

De fotograaf is hier geen gedienstige knecht van de werkelijkheid, maar een socialist die zijn overtuiging in een foto giet. Door zijn camera zien we de jaren vijftig waarin niet voor niets iedereen van de toekomst droomde.

Nu is mijn interpretatie van deze foto's eigenlijk waardeloos. Of, hooguit, heel erg tijdgebonden. Ik zie dat Kees Scherer onverbloemde, eerlijke foto's maakte van een nai¿ef, karig en vaak benepen tijdperk, omdat ik dat er graag in wi¿l zien, anno 2004. Omdat de opbouwwijken verpauperden. Omdat de droom van de jongeren die op jazz dansten niet uitkwam. 'Wij willen een neger uit Mozambique/Wij zullen eindelijk gelukkig zijn' staat in een gedicht van Remco Campert dat bij de foto's gepubliceerd werd. Je kijkt ernaar, je denkt aan minister Verdonk en je moet huilen.

De neuroloog Oliver Sacks, de geheugenspecialist, zegt dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat. Alles bestaat in relatie tot onszelf, en nog belangrijker: alles wordt gekleurd door het heden.

Sommigen van zijn patien met slaapziekte verkeerden veertig jaar lang in een tijdsvacuoordat Sacks ze de drug L-Dopa toediende en ze wakker werden. Hun herinneringen waren kersvers bij het ontwaken, ze kenden de liedjes en de dansen van de jaren twintig nog - maar vanaf de eerste dag begon de wereld hun herinneringen te kleuren, en sommigen konden het niet aan. Zij verkozen om weer te gaan slapen.

Zo plotseling als bij deze patien gaat het niet, maar foto's worden onherroepelijk in-en bijgekleurd door het heden. Wie dus zegt dat een foto een objectieve afbeelding van de werkelijkheid kan geven, rekent niet alleen buiten de fotograaf, maar ook buiten de factor tijd.

Die zorgt ervoor dat vrijwel alle foto's in de loop der tijd steeds boeiender worden. Interieurs, apparaten, begroeiing, hirchie, kleurstelling, kleding en lichaamshouding gaan pas later opvallen.

Elke foto, ook de foto die als beeldende kunst gemaakt is, laat in de loop der tijd eigenlijk steeds meer en steeds andere informatie los, als een stuk zeep dat in bad gevallen is.

Dat vermogen onderschat Hans den Hartog Jager. Hij somberde er op los in het artikel 'Luie schilders'. 'De moderne fotograaf wil geen chroniqueur van de werkelijkheid meer zijn, niet langer het leven van alledag voor het nageslacht bewaren, maar de werkelijkheid van alledag zoveel mogelijk esthetiseren. Kunst maken.' Terwijl, zo wordt gesteld, de fotograaf een bepaalde mate van bescheidenheid ten opzichte van de werkelijkheid past.

Wilde de fotograaf wel ooit een chroniqueur van de werkelijkheid zijn? Bescheiden bovendien? Wie bescheiden is, pakt geen camera om zich een stuk van de werkelijkheid toe te eigenen en die vervolgens, met zijn naam eronder, weer de wereld in te sturen. 'Die Anereignung der Welt' noemen de Zwitserse kunstenaars Fischli en Weiss hun werk, waaronder duizenden en duizenden toeristische foto's.

De kritiek is behalve misplaatst, ook nog eens oude koek. De jury van de Prix de Rome 2002, bestaande uit onder anderen Benetton-fotograaf Oliviero Toscani en kunstfotograaf Thomas Struth, vond de inzendingen leeg, vroegoud en arty-craftsy.

Ze doelden op de kunstfotografie die de laatste jaren veel voorkomt en die je als 'nieuwsurrealisme' zou kunnen duiden: die waarop een man of vrouw, meestal alleen, niet lijkt te sporen met zijn of haar omgeving. Thee drinkt in een gemeenteperkje (Liza May Post), een kwak pasta in het gezicht krijgt (Viviane Sassen) of een hand in een kopje koffie steekt (Elspeth Diederikx).

De kritiek is oud, maar dit soort fotografie nog veel ouder. Denkt u dat Man Ray zich in de jaren twintig chroniqueur van de werkelijkheid waande, toen hij Meret Oppenheim een roller met zwarte inkt over haar onderarm haalde en haar naakt naast een drukpers zette?

'U bent uw tijd zo ver vooruit' zei men tegen hem. En hij antwoordde dan: 'Het is eerder zo dat de meeste mensen zo ver achterlopen op hun tijd.'

De discussie over fotografie die wel of niet als kunstwerk moet worden gezien en die al dan niet de schilderkunst imiteert werd door de directeur van het FotoMuseum in Antwerpen afgelopen week betiteld als een 'lui kunstdiscours'. Hij heeft gelijk, denk ik. Fotografie is vele malen groter en omvattender en beroert ons leven veel en veel meer dan de beeldende kunst, waarmee zij heel soms samenvalt.

Want alle soorten foto's spelen een rol in het beeldenweb dat in het hoofd geweven wordt. Heel directe en algemene verbanden worden gelegd, maar ook heel onlogisch en priven dat alles heeft invloed op hoe de werkelijkheid begrepen wordt.

Soms is een lijn heel erg particulier: dat ik een verband zie tussen Kees Scherers foto van het gestrande schip Katingo in 1954, oude gravures van walvissen op het strand en fotostills uit verfilmingen van Gulliver's reizen - dat is mijn zaak. U heeft de uwe, even waar.

Soms is het verband veel algemener. Er loopt bijvoorbeeld een lijn door de geschiedenis van het afbeelden van sociale groeperingen op een vrij droge, documentaire manier. August Sander deed dat in zijn monumentale, niet afgemaakte project 'Mensen van de Twintigste eeuw'. Bakker, slager, boer, kunstenaar, notabele; als een soort hedendaagse Noach verzamelde Sander er van elke soort .

De foto's worden rijker door ze te leggen naast vergelijkbare series. Maria Austria maakte na de oorlog portretten van alledaagse beroepen als veearts en kraamverzorgster. Max Natkiel gaf de punkbeweging een gezicht in de jaren tachtig, Rineke Dijkstra deed dat met Ierse jongeren in de disco in videoportretten. Fotograaf Ari Versluis en stiliste Ellie Uyttenbroek fotografeerden sociaal-maatschappelijke groepen als gabbermeisjes, Marokkaanse jongens, zwervers; reclamebureau KesselsKramer maakte voor Benmobiele telefonie een dwarsdoorsnede van Nederlandse gezichten van-de-straat.

Kunstenaar Fiona Tan nam de opdracht van August Sander bijna letterlijk over in Countenance (2002): in 220 gefilmde portretten schetste zij drie jaar geleden een beeld van de bevolking van Berlijn.

Reclame, kunstwerk, filmportret, foto; voor het in kaart brengen van het uiterlijk van mensen in hun tijd zijn ze allemaal even waardevol. Stel dat we zo'n document hadden van vijfhonderd jaar gelden? Of duizend? Zou u niet enorm nieuwsgierig zijn?

Zonder fotografie zijn wij blind. We houden een herinnering of een gebeurtenis vast als een blind kind dat een kuiken bevoelt, zoals op de foto van Kees Scherer.

Wij ruiken, wij voelen, wij zoeken aan de binnenkant van onze oogleden; maar zien doen wij niet.

Dat komt pas als we een foto krijgen van datgene dat wij ons proberen te herinneren. Weg is de geur, weg is de tast, weg zijn de vage contouren. De foto schuift voor dat wat wij zochten en maakt al het andere overbodig, verdringt vaak zelfs andere zintuigen.

Voortaan is onze herinnering een foto geworden, die op een dag bij ons bezorgd werd. In de krant, bij de fotocentrale, in de museumzaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.