Zonder cultuur zijn we weg In galerie Dodona wordt nooit iets gekocht

Kunst is politiek geworden in Kosovo. In de hoofdstad Pristina probeert de enige galerie in de Joegoslavische provincie - met buitenlandse steun - het hoofd boven water te houden: 'Als ik hier Serviërs zou exposeren, weet ik niet wat er gebeurt.' door Michel Maas..

MICHEL MAAS

HET ROOD in Tahir Emra's schilderijenreeks 'Elegie voor Kosovo' is dat van geronnen bloed. Dat ligt voor de hand. Zoals het ook niet vergezocht is in de horizontale en verticale vlakken kruisen te zien, en zijn recente reeks als een 'kruisweg' te bestempelen. Eigenlijk zegt de titel wat dat betreft al genoeg. Niets spreekt er kortom tegen om in Emra's 'Elegie' - ontstaan tussen 1995 en 1998 - verbeeld te zien hoe Kosovo zich in een spoor van bloed voortsleept op weg naar het drama dat zich aan de horizon begint te ontplooien.

Het kan ook niet anders. 'Kunst kan niet bestaan zonder de omringende werkelijkheid te reflecteren', meent Alisa Maliqi, galeriehoudster te Pristina. Natuurlijk heeft ze gelijk. Zeker een context die zo zwaar is als die van Kosovo schud je niet zomaar af. De oorlog kruipt in de kleuren, en anders sluipt hij wel in de hersens van de bezoekers die hem in alles wat ze zien menen te vinden.

Neem de doeken van Emra. De tentoonstelling die galerie Dodona in Pristina in maart vorig jaar aan Tahir Emra's werk wijdde, was op de allereerste plaats bedoeld als een hommage aan een vooraanstaand kunstenaar die zestig werd. Zoals een jaar eerder de expositie van Emra's generatiegenoot Rexhep Ferri. Een hommage aan een van de grote hedendaagse kunstenaars van Kosovo.

Maar het werd een politieke gebeurtenis van de eerste orde. Door de dramatische zwaarte van het werk zelf, maar vooral door het tijdstip waarop hij werd gehouden. De expositie vond plaats in maart 1998, de maand na het bloedbad in Prekaz, waar tientallen leden van de Ashari-familie door Servische politietroepen werden afgeslacht.

Het bloedbad had het hele leven in Pristina verlamd. Alles lag stil. Totdat in Dodona de tentoonstelling van Emra's schilderijen de ban doorbrak. De expositie was een kleine bevrijding uit die verlamming. Een bewijs dat het leven ook na 'Prekaz' doorging.

'Sarajevo was mijn inspiratie', zegt Alisa Maliqi nu. 'Na Prekaz heb ik alle culturele instellingen van Pristina een boodschap gestuurd. ''We moeten doorwerken'' stond daarin. We moeten. Net als de mensen in Beiroet en in Sarajevo. Denk eraan hoe ook zij zijn doorgegaan, ondanks alles wat er gebeurd is. Je kunt niet anders. Je moet, want zonder cultuur zijn we weg, zijn we niets meer.'

Dodona moest en zou zo snel mogelijk na 'Prekaz' weer open. Nog terwijl Emra de laatste hand legde aan zijn 'Elegie', werd in de galerie daarom alvast een boekenbeurs gehouden. Ook dat werd een manifestatie, een vuist tegen de Serviërs: een nieuw bewijs dat alles doorging, ook al waren er geen boekwinkels meer in Pristina, en ook al hadden de Serviërs zelfs de verkoop van potloden en pennen stopgezet.

Maliqi: 'Ze proberen ons af te sluiten van de wereld. Maar dat lukt ze niet. Niet in deze tijd van satellieten en internet. Kosovo is altijd al open geweest naar de wereld. Zelfs in de communistische tijd. We zijn hier nooit opgesloten geweest in het socialistisch-realisme. Het is verbijsterend te zien hoe zelfs nu de studenten aan de kunstacademie de hele internationale avant-garde op de voet volgen.'

Behalve Internet en elkaar hebben deze jonge kunstenaars in Pristina weinig. 'Zonder mij gebeurt hier niets', zegt Alisa, niet om op te scheppen maar om aan te geven hoe leeg het culturele leven van Pristina is geworden sinds de Serviërs in 1989 Kosovo de autonomie ontnamen en de Albanezen alles kwijtraakten: hun werk, hun universiteit, het sportstadion, de galeries, het nationale theater, de clubs.

Galerie Dodona past in de 'parallelle' samenleving die de Albanezen sindsdien hebben opgezet, een samenleving die op een bescheiden zelfhulp-manier alles bevat wat ook de vorige had, toen Kosovo autonoom was: een president, een regering-in-ballingschap, een universiteit - met eigen middelen voortgezet in particuliere huizen. Ook het culturele leven zocht zijn toevlucht in de marge. In 1991 werd theater Dodona opgericht, de vervanging voor het door de Serviërs overgenomen nationale theater. In een voormalig kindertheater wordt sindsdien elke avond gespeeld - alles, van Sophocles via Shakespeare en Strindberg tot hedendaagse auteurs. Het theatertje werd het podium van de uit de universiteitsgebouwen verjaagde toneelacademie.

Maar de (ex)studenten van de kunstacademie - gehuisvest in een nooit afgebouwd woonhuis - moesten het doen met de muren van de cafés. Tot Alisa Maliqi, architecte en decorontwerpster, in februari 1997 onder de vlag van het theater haar galerie begon. De enige professionele galerie van Kosovo, wat iets anders is dan een commerciële galerie.

Geldschieters, zoals de Soros Foundation, beschikken over het voortbestaan van Dodona. Andere manieren om aan geld te komen zijn er niet: 'Niemand in Pristina koopt nog kunst. De middenklasse - de klasse van mensen die voorheen kunst kochten - is weggevaagd. In 1989 kwam de hele intelligentsia en de middenklasse op slag zonder werk en zonder geld te zitten. In tegenstelling tot de Albanezen van het platteland hebben zij geen familie die in Duitsland werkt en geld stuurt. De enige mensen die nu nog geld hebben in Kosovo zijn degenen die het verdiend hebben op de zwarte markt - mensen met goede connecties met de Serviërs, en bijna allemaal mensen zonder smaak.'

De vijftienduizend gulden die Maliqi van Soros krijgt, is genoeg om de huur en de verwarming te betalen. Vrienden (uitgevers in Pec die zelf ook weer door Soros worden gesteund) drukken gratis haar catalogi en affiches. Andere geldschieters helpen met kleine beetjes. In ruil daarvoor vragen ze van Dodona weinig meer dan dat het een open galerie is, en liefst een galerie waar Albanezen én Serviërs elkaar kunnen ontmoeten.

Maar de oorlog stelt zijn eigen grenzen. 'De geldschieters duwen nu in een richting die. . .' Maliqi aarzelt, 'die niet reëel is.' Ze bedoelt dat de geldschieters, en vooral Soros, erop aandringen dat zij ook Serviërs exposeert. In juni 1997 heeft ze een tentoonstelling georganiseerd in Belgrado, een opzienbarende expositie met uitsluitend werk van jonge kunstenaars zoals Sokol Beqiri en Mehmet Behluli. 'Toen waren er al radicalen die vonden dat dat niet kon: exposeren bij de Serviërs. Terwijl de expositie plaatsvond in een kunstcentrum dat door Soros werd gesponsord. Maar zelfs dat ging niet. En als ik nu hier ook Serviërs breng, weet ik niet wat er zal gebeuren.'

'In een tijd waarin bommen ontploffen in de straten van Pristina is alles mogelijk. Later dit jaar, maar ze weet nog niet wanneer, zullen er misschien videoperformances zijn van de Servische Milica Tomic. Video's die gaan over 1989: toen de Serviërs in Belgrado de invoering van de nieuwe Grondwet vierden die Kosovo zijn autonomie ontnam, en tegelijkertijd Servische helikopters in Zhur in Zuid-Kosovo op Albanezen schoten. Misschien dat 'de radicalen' dat nog zullen accepteren.

En misschien dat die video's eenzelfde impact zullen hebben als de documentaires die Dodona vorige week heeft getoond: documentaires uit Bosnië. Beelden van de verwoesting van Sarajevo. Maliqi: 'Het was nodig de mensen in Pristina te tonen wat dat is: oorlog. Hier in de stad merk je zo weinig van wat er buiten in de dorpen gebeurt. We zien niets. Kosovo heeft geen eigen televisie die alles van dichtbij volgt. We hebben geen eigen, rechtstreekse informatie, we hebben alleen de satelliet, die ons laat zien wat de internationale zenders van buitenaf over Kosovo melden. Sarajevo had dat wel. Daar werd alles rechtstreeks vastgelegd.

'We zagen die Bosniërs, gezellige, grappige mensen. En dan zagen we die vreselijke ellende waarin deze mensen ineens verzeild raakten. We zagen hun wanhoop, hun verdriet. Wat daar in de stad gebeurde, gebeurt hier op het platteland. Het was voor iedereen hier ontzettend emotioneel om dat van zo dichtbij gefilmd te zien. We voelden ons heel erg verwant met deze Bosniërs.'

Bijna had de oorlog - zelfs al woedt die tot nu toe vooral buiten de stad - Alisa Maliqi toch nog klein gekregen. Vorig jaar in de zomer, na het begin van het grote Servische offensief, vertrok zij met haar twee kinderen naar Turkije, waar ze twee maanden zou blijven. 'Ik was het zat. Ik wilde alleen nog maar leven, vrij zijn. Maar Turkije was een ramp. Ik voelde me vreselijk, mijn zoon van veertien schaamde zich, hij voelde zich een verrader. Dus na twee maanden zijn we teruggekeerd en is ook Dodona weer opengegaan.'

De tijd genas haar depressie, en genas ook haar hekel aan het Kosovo Bevrijdings Leger (UCK) dat in die dagen zoveel fatale stommiteiten beging. En de tijd gaf haar haar vechtlust terug. 'Toen ik onlangs vrouwen met wapens zag, onze vrouwen, voelde ik me heel trots. Ooit was ik heel kritisch over het UCK, maar nu was ik echt trots. En ik voel weer dat dit hier, deze galerie, dat dit mijn manier is om oorlog te voeren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden