'Zonder Chinezen redt Indonesië het niet'

Langs de rand van de straat staat een lange rij kraampjes waar jongens cd's verkopen. Maar zo pal voor het uitgebrande winkelcentrum in Glodok, de Chinese wijk van Jakarta, toont geen enkele voorbijganger belangstelling voor de muziek van Vulcano en Firestorm....

Van onze verslaggeefster Marianne Boissevain

JAKARTA

Onder een afdakje op de parkeerplaats staat een groepje winkeliers bij elkaar. Eén van hen noteert op een dik pak formulieren de schade die is aangericht bij de rellen van twee weken geleden. Erg ingewikkeld kan het niet zijn - van de inventaris van de vierhonderd uitgebrande winkeltjes is letterlijk niets meer over.

'Alleen de winkels met dure spullen, zoals horloges en computers, zijn eerst nog geplunderd', vertelt een van de winkeliers, die zelf vijfentwintig jaar stropdassen verkocht. De rest is in vlammen opgegaan. Ook de zaken van de in het winkelcentrum gevestigde Indonesiërs zijn geheel verwoest.

'Gelukkig was er die dag bijna niemand aanwezig', vertelt een andere winkelier. 'Toen we hoorden dat er doden waren gevallen onder de tegen Soeharto demonstrerende studenten van de Trisakti-universiteit, hebben de meesten van ons hun zaak direct op slot gedaan. Als de mensen in Indonesië ergens boos over worden, koelen ze hun woede altijd op ons, Chinezen. Maar waarom toch? Wij hebben toch ook meegevochten in de onafhankelijkheidsstrijd?'

Al was de ramp dus te voorzien, politie en brandweer schitterden door afwezigheid. 'De politie durfde niet te komen, de brandweer werd door de relschoppers tegengehouden', vertelt een ondernemer verontwaardigd.

Van het winkelcentrum loopt een overdekte voetgangersbrug over de drukke verkeersweg: uitgebrand. Aan de overkant ligt een kleiner winkelcentrum: uitgebrand. Daarachter een bioscoop: uitgebrand. Daarnaast een pleintje met winkeltjes: sommige vernield, andere uitgebrand. De eigenaars zijn bezig het schroot uit hun zaak te slopen en de verkoolde inboedel op een deprimerende hoop te storten.

'De verzekering wil niet uitbetalen', klaagt een winkelier. 'Ze zeggen dat de schade van politieke onlusten niet wordt vergoed. We hopen nu maar dat de regering ons wil helpen de zaak weer op te bouwen. President Habibie is hier van de week komen kijken. Maar die zei alleen dat hij zou zien wat hij voor ons kon doen - hij heeft niets willen beloven.'

Willen de winkeliers echt op deze zelfde plek opnieuw beginnen? 'Ja, waar moeten we anders heen? We hebben geen cent meer om nog iets anders te zoeken', zegt de een. 'Die Indonesiërs denken dat wij Chinezen allemaal rijk zijn, dat we allemaal naar Singapore zijn gevlucht', zegt de ander. 'Nou, wij kunnen echt geen vliegticket betalen. Wij zitten allemaal nog hier.'

De getroffen winkeliers worden in leven gehouden door hun uitgebreide netwerk van zakelijke contacten, waarin familiebanden een belangrijke rol spelen. De traditionele netwerken van de Chinezen wekken de afgunst van hun Indonesische concurrenten, die zich buitengesloten voelen.

Het beeld van 'de rijke Chinees', dat de meeste Indonesiërs koesteren, wordt in stand gehouden door enkele uitzonderlijk succesvolle Chinese zakenlieden. Zoals Liem Sioe Liong, die in 1936 zonder een cent op zak naar Indonesië kwam en het grootste zakenimperium van het land wist op te bouwen.

De meeste andere grote Chinese conglomeraten in Indonesië behoren aan zakenrelaties van Liem en vrienden van de vorige week afgetreden president Soeharto. Ook Liem dankt zijn succes in hoge mate aan zijn vriendschap met de familie Soeharto - nu Soeharto van het toneel is verdwenen, wordt Liem meegesleept in diens val.

Maar dat beeld van de machtige Chinees aan het hoofd van een zakenimperium is volgens de etnisch-Chinese econoom Kwik Kian Gie meer schijn dan de werkelijkheid. 'Zo gaan achter de Chinese houtmagnaat Prajogo Pangestu de zakelijke belangen van Soeharto's dochter Tutut schuil.'

De meeste Chinezen (3 procent van de Indonesische bevolking) zijn echter niet steenrijk. Het zijn vaak eenvoudige winkeliers - en er zijn zelfs heel wat Chinezen die in bittere armoede leven.

Dat de Chinezen zo'n belangrijke rol spelen in de handel, dateert nog uit de tijd van de Oost-Indische Compagnie. Die beschouwde Chinezen als ijverige, spaarzame figuren met veel talent voor de handel en gebruikte hen als tussenpersoon in de handel in inlandse producten.

Zelfs Kwik weet niet wat tegenwoordig het aandeel is van de Chinezen in de Indonesische economie.

Daarover zijn geen cijfers beschikbaar, zegt hij. Maar zoveel weet hij wel: als de Chinezen massaal zouden vertrekken, zou de Indonesische economie helemaal kapot gaan. 'Ik herinner me dat er in de jaren tachtig anti-Chinese rellen waren in Solo en Semarang. In heel Midden-Java ontstond toen een schaarste aan levensmiddelen.'

En als de Chinezen, uit angst voor nieuwe rellen, hun geld in veiligheid brengen op een buitenlandse bankrekening? 'Het Chinese kapitaal is al lang gevlucht,' verzekert Kwik Kian Gie. 'De Chinese ondernemers hebben net genoeg geld hier gehouden om te kunnen blijven draaien.'

Zie ook Vervolg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden