Zogenaamd moralistische taferelen

Een dekmantel, dat moet het zijn geweest, het schilderij dat Jan Steen (1626-1679) van zichzelf op 44-jarige leeftijd schilderde. En waarop hij zich presenteert als deftige heer, een geslaagde burgerman. En dat terwijl hij in werkelijkheid een kroeg runde, schilder was, en dan nog een van het alledaagse, platvloerse soort. Een schilder die zichzelf in zijn andere werk graag afbeeldde als een geinponem, een hoerenlopende violist of jolige kroegtijger. Maar in zijn zelfportret dus niet. Daarin doet hij zich voor als predikant, in zijn zwarte kledij met witte kraag. Een man op wie weinig is aan te merken. Keurig in het pak. De kin wat omhoog. Schonen handen, rustig leunend op een stoel. Hoewel de gezwollen neus doet vermoeden dat hij wel een borrel lust.


Wie kent zijn werk niet? Of de spreekwoorden waarop Steens schilderijen zijn gebaseerd? Zoals: 'Zo de ouden zongen, zo piepen de jongen.' 'Soo gewonne, soo verteert.' Of: 'Leven in de brouwerij', een uitdrukking die door Steen zelf was verzonnen, als slogan om wat meer reuring in zijn kroeg te krijgen, en die nu als titel van de bescheiden tentoonstelling is gebruikt, in het Mauritshuis in Den Haag. Directe aanleiding voor de expositie is de recente aankoop door het Mauritshuis van Steens Mozes en de kroon van de farao. Plus de restauratie van Het doktersbezoek en Dansende boeren bij een herberg, die door Sabrina Meloni op zaal zal worden uitgevoerd.


Overigens werd het ook wel weer eens tijd aandacht te besteden aan wat de 17de-eeuwse volksschilder heeft gemaakt. Het laatste retrospectief dateert uit 1996: Jan Steen, schilder en verteller, in het Rijksmuseum. Toen ging de discussie over de vraag op welke manier je Steen moest waarderen: om zijn artistieke prestatie of om zijn vertelkunst. Voor de een behoorde hij tot een van de beste schilders uit de 17de eeuw. Of zoals oud-museumdirecteur Rudi Fuchs orakelde: Steen bezat een 'uitzonderlijk talent, (...) groter dan wie ook in de zeventiende eeuw, met uitzondering van Rembrandt'.


Voor de ander, onder wie iconograaf Eddy de Jongh, bezaten de schilderijen van Steen gecodeerde boodschappen. In allerlei realistisch uitziende details kon je verborgen, moralistische betekenissen ontdekken. Een geschilderde pijp was niet zomaar een pijp, maar een verwijzing naar het mannelijke geslacht. Zoals een schoothondje stond voor het vrouwelijke. Oesters verwezen naar geilheid. Een viool naar seks. Vrouwen die leden aan minnepijn, moesten gewoon een flinke beurt krijgen. Niets was wat het op het eerste gezicht leek te zijn. De Jonghs advies luidde eenvoudig, dat je de schilderijen van Steen niet moest bekijken, maar lezen, met karrevrachten literatuur in je achterhoofd.


Welke theorie of invalshoek je ook aanhing, één ding moest met de tentoonstelling in 1996 duidelijk worden: Steen was geen vulgaire schilder of laag bij de grondse causeur. Nee, hij was een groots kunstenaar die op zijn uitzonderlijke, beeldende of verhalende waarde geschat moest worden, en niet afgeserveerd wegens vermeende grappen en grollen. Zijn schilderijen waren meer dan boerse uitbeeldingen van 'Wein, Weib und Gesang'. Steen was een eigentijds waarnemer, met een kien oog voor menselijke gedragingen, en de cultuur om hem heen, die hij verpakte in doorwrocht geschilderde betekenislagen. Wie een 'Steen' kocht of in opdracht liet maken, kreeg een portie ondeugd voorgeschoteld mét bijsluiter voor een beter leven, verbeeld in een zorgvuldig georkestreerde janboel.


Het Rijksmuseum had er destijds een kleine vijftig schilderijen voor nodig om dat aan te tonen - zo'n vijfendertig meer dan nu in het Mauritshuis. Het kan dan ook niet anders, dan dat in Den Haag de nadruk anders moet liggen. Minder alomvattend; minder prestigieus. Tentoonstellingmaker Ariane van Sluchteren en directeur Emile Gordenker gooien het over een andere boeg: Steen wordt in deze veel bescheidener presentatie neergezet als een veelzijdig kunstenaar, die historiestukken kon schilderen, portretten, huishoudens en verleidelijke vrouwen, en spreekwoorden wist uit te beelden. Goldenker: 'Hij kon van alles.' Ook het schilderen zelf, zo benadruken de organisatoren graag.


Nu heeft Steen inderdaad goed naar zijn collega's van de Leidse fijnschilderschool gekeken, zoals Gerard Dou, Gabriël Metsu en Frans van Mieris. Steen maakte zich de techniek eigen van het schilderen van bonten kraagjes, doorzichtig glaswerk, gepolitoerde parketvloeren, gebroken eieren en een goed gevuld urineflesje.


Persoonlijk heb ik die zo gewaardeerde penseelvoering en stofuitdrukking van dit 'uitzonderlijke talent' nooit kunnen ontdekken. Terwijl Frans Hals zijn karakteristieke verfstreken ontwikkelde, Rembrandt penseel en paletmes hanteerde zoals een violist de strijkstok, en Vermeer licht vanuit de kleur toverde, zo beoefende Steen een vorm van oké-schilderen: het is allemaal in orde. Zijde ziet er als zijde uit, een geweven tafelkeed als een geweven tafelkleed, een wollen sok als een wollen sok. Dat is knap en kundig, maar een stilistische visie ontbreekt.


Neem de zogenaamde Burgemeester van Delft, die bij nadere bestudering niet de burgemeester maar de rijke graanhandelaar Adolf Croeser bleek te zijn. Wat Steen in dat portret met verf doet, is totaal onsamenhangend. De zwarte schaduwen liggen als vlekken steenkoolgruis op de grond; de voegen in de stenen muren links zijn er ingepenseeld zonder enig functionaliteit; de boom op de achtergrond is een verzameling losse vegen, de kerktoren verderop ziet eruit als onder een microscoop geschilderd, etc. Er is geen enkele overkoepelende, artistieke gedachte te bespeuren, waarom de dingen zo verschillend zijn neergezet. Komt bij dat de 'burgemeester' er zelf als een uitgeknipte dikzak bij zit. En zijn dochter, als ze nog een stap zou doen, zo het schilderij uitloopt.


De meeste andere schilderijen zijn van een vergelijkbare, chaotische verfbehandeling. Steen bouwt zijn schilderijen op uit kleine proefstukjes. Een bloemetje zus, een hondje zo; een kanten kraagje hier, een gevederd vogeltje daar - Steen penseelt elk ding los van het andere, alsof er een legertje Leidse fijnschilders aan het werk is geweest.


Bovendien bezit zijn werk ook een aardig potje gemakzucht. Neem de drie portretjes die hij maakte in Het oestereetstertje, Sisterspelende vrouw en De kaartspelers. De manier waarop hij het gezicht van de vrouw steeds herhaalde (portret van Grietje van Goyen, de dochter van de vermaarde landschapschilder Jan van Goyen en Steens echtgenote) getuigt van handig knip-en-plak-werk. Afgezien nog van het feit dat de kop zelf ook weinig anatomische kennis verraadt.


Nee, voor het betere schilderwerk hoef je niet bij Steen te zijn. Als hij wel een kwaliteit bezit, dan deze: dat hij als een van de weinige kunstenaars uit de 17de eeuw de kijker zo nadrukkelijk bij de geschilderde taferelen weet te betrekken. Dat is ook een reden waarom zijn schilderijen tot het Nederlandse collectieve geheugen zijn gaan horen. Misschien nog niet zozeer omdat de personages op zijn doeken de bezoeker direct aankijken, maar meer omdat de onderwerpkeuze appeleert aan wat de meesten maar al te graag willen zien.


Onder het mom van min of meer moralistische theaterstukjes, schotelt Steen ons heerlijk boerse, zinnenprikkelende scènes voor. Er wordt gekotst, gezopen en geboerd. Vrouwen gaan bijna uit de kleren; mannen becommentariëren het met schunnige gebaren. Alles is geschilderd met een knipoog. Zo steriel als het werk van Vermeer is en overweldigend dat van Rembrandt, zo appeleert Steen aan onze kleinburgerlijke inborst. Aan de heimelijke, maar diepmenselijke wens eens flink uit de band te springen. Sex sells. Zijn wereld van poep en pies, van vrijen en kotsen, was ook een manier om de kijker bij de les te houden. Het had aantrekkingskracht, en was geen morele vingerwijzing.


Veel Hollandse kunstenaars plachten in de 17de eeuw de vergankelijkheid van het leven, het gevaar van roekeloosheid en vergelijkbare levenslessen uit te beelden met ingetogen symbolen als een kapot glas, een schedel of uitgedoofde kaars. Steen zag het anders. Wellicht omdat hij katholiek was, had hij letterlijk schijt aan de protestantse moraalridders, en de wijze waarop zij op een verheven, maar dodelijk saaie manier de Nederlanders wilden waarschuwen voor een ondeugdelijk leven.


Steen draaide de gedachte om. Waarom zou je iemand waarschuwen voor een veel te uitbundig leven, als daarin ook juist een zekere aantrekkelijkheid ligt? Natuurlijk kon hij niet vrijelijk zijn erotische ongerijmdheden op het doek kalken, in de 17de eeuw, die hoe dan ook door religie en de strenge etiquettes van Jacob Cats werd gedomineerd. Maar onder het mom van wijze levenslessen, had hij een ingang.


De Britse kunsthistoricus en televisiemaker John Berger wees daar in zijn boek (en gelijknamige tv-serie) Ways of Seeing al eens op. In een van de hoofdstukken legt hij uit waarom zoveel renaissanceschilders naakte vrouwen schilderden als Griekse godinnen. Antwoord: omdat veel mannelijke opdrachtgevers een naakte vrouw boven hun bed wilden hebben. Er was eenvoudigweg vraag naar. Maar omdat dat in die tijd ongepast was, kozen ze voor een klassieke setting - als een alibi voor hun wellust.


Steen moet dezelfde invalshoek hebben gevonden. Hij zette de dubbele moraal gewoon naar zijn eigen hand. En gebruikte moralistische bespiegelingen als dekmantel voor het schilderen van een onaangepast, losbandig en erotisch leven. Iedereen herkende zich daarin. Nu nog.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.