Zoeken naar nut aan de Dommel

Toen in 1956 in Eindhoven de Technische Hogeschool werd gesticht, moest die Nederland kleden, voeden en huisvesten. Dat is niet echt gelukt, stelt historicus Harry Lintsen in zijn jubileumboek....

In de jaren zeventig was prof.dr.ir. L.H.Th. Rietjens van de Technische Hogeschool Eindhoven een wereldberoemd man. Een celebrity. Tot de BBC aan toe wisten filmploegen de weg te vinden naar zijn laboratorium van de faculteit Elektrotechniek aan de noordkant van het station in Eindhoven.

Daar legde Rietjens, of zijn projectleider Blom, te midden van indrukwekkende installaties uit hoe veel efficiënter stroom kon worden opgewekt dan in conventionele centrales. Een welkome boodschap in een tijd dat men zich grote zorgen maakte om het opraken van grondstoffen, met dank aan de Club van Rome ook.

Het toverwoord, aldus Rietjens, is MHD, magnetohydrodynamische energieconversie. Dat is een techniek waarbij een gas zo ver wordt verhit dat het in ionen uit elkaar valt, waarna deze geladen deeltjes met een sterk magneetveld uit elkaar worden getrokken, zodat er rechtstreeks een enorm elektrisch vermogen ontstaat. Daarna is er genoeg warmte over om ook nog een gewone stroomcentrale mee aan te drijven.

Meer stroom uit dezelfde hitte. Per saldo wordt het rendement van de opwekking met wel een kwart verbeterd, zo was becijferd.

Rietjens haalde het ene succes na het andere in laboratoriumopstellingen, en wist Amerikaanse én Russische belangstelling te wekken, op zichzelf al opmerkelijk in de Koude Oorlog. Het Nederlandse ministerie van Economische Zaken, lees Ruud Lubbers, zag brood in een proefproject, samen met industrie als Hoogovens, Stork en Holec. Het ECN in Petten wilde ook meedoen.

MHD leek een gouden vondst. Totdat bleek dat het wel tot de eeuwwisseling zou kunnen duren voor er een commerciële versie was. En dat terwijl op dat moment al moderne gasturbines op de markt waren die vergelijkbare rendementen haalden. MHD was mooi, maar kwam te laat.

Tien jaar na dato, in 1986, liep Rietjens' MHD-droom definitief op de klippen. Een plan voor een demonstratiecentrale in IJmuiden van 160 miljoen gulden kreeg geen steun meer van de overheid en werd ook in Brussel afgewezen. Rietjens, in Rusland eredoctor vanwege zijn werk, stopte met MHD en stapte over op onderzoek naar plasma's. Met succes.

Ambities

Het lijkt kortom een droeve geschiedenis, die van het MHD-onderzoek in Eindhoven. Maar alleen droef als je succes op korte termijn verwacht, zegt techniekhistoricus Harry Lintsen van de TU Eindhoven (TU/e). En dat is een kenmerkend verhaal voor de universiteit aan de Dommel, die deze week haar vijftigste verjaardag vierde. 'Het universitaire onderzoek is altijd omgeven geweest met veel ambities, beloftes en verwachtingen', schrijft hij in het jubileumboek Gedreven door Nieuwsgierigheid dat deze week verscheen (ISBN 9073192285). 'Maar zij komen zelden uit.'

Het boek, dat Lintsen samen met collega-historicus Hans Schippers samenstelde, beschrijft de lotgevallen van 28 spraakmakende projecten aan de universiteit, oude en recente. Opvallend gegeven: het merendeel kende een enthousiast begin, een stormachtige ontwikkeling waarbij bomen tot in de hemel leken te groeien en daarna een einde, dat slechts in een enkel geval een echt succes - industrieel gezien - zou kunnen heten.

Eindhoven begon onderzoek naar een kunststof hartklep, maar richtte zich op fundamentele vragen over vloeistofstroming en kwam uiteindelijk uit in de tissue-engineering. Eindhoven ontwierp prachtige basisverbindingen van bamboe. Maar stuitte op het slechte imago van bamboe in de Derde Wereld.

Dat alles zou kunnen worden opgevat als een stevig brevet van onvermogen aan het adres van de jubilaris: de TU/e, als universiteit die veel wil en per saldo weinig klaarmaakt.

Maar het tegendeel is waar, haast Lintsen zich verkeerde indrukken voor te zijn. 'Ten eerste zijn er ook grote successen. En beloftes en verwachtingen spelen bij universitair onderzoek nu eenmaal een belangrijke rol. Ze formuleren uitdagingen in het technisch domein en geven de kracht om tegenslagen te overwinnen. Zonder belofte geen innovatie.'

De Technische Universiteit Eindhoven, constateert Lintsen, is in een halve eeuw tijd namelijk wel degelijk uitgegroeid tot een toonaangevende onderzoeksinstelling in Europa.

Het onderzoek staat er op basis van aantallen geciteerde publicaties kwalitatief op de derde plaats, direct na Oxford en Cambridge. En ook studenten tonen zich onder de indruk: in 1998 was de TU/e eerste in een internationale enquête over opleidingen; in 2004 tweede. Er zijn twee technologische topinstituten gevestigd, negen onderzoeksscholen, twee top-onderzoeksscholen en er wordt meer dan vijftig miljoen per jaar binnengehaald van NWO, uit de industrie en uit Brussel. Jaarlijks worden er nu zo'n zevenhonderd ingenieurs klaargestoomd (in een halve eeuw waren dat er 25 duizend).

Een bloeiende academische onderneming dus, maar in de epiloog van het jubileumboek kan Lintsen het niet laten zich af te vragen wat het nut van dit alles nu is. Zo lijkt het mooi om met contractresearch voor bedrijven bijna vijftien miljoen euro binnen te halen, maar op de keper beschouwd dekt dat slechts 50-70 procent van de werkelijke kosten van het onderzoek dat er mee wordt gedaan.

Wat heeft Nederland/Brabant/ Eindhoven aan de TU/e, nu en vroeger? Lintsen, zelf als technisch natuurkundige opgeleid in Eindhoven en er nu hoogleraar geschiedenis van de techniek: 'Het komt erop aan de vraag naar dat nut in de goeie taal te beantwoorden. Simplisme ligt op de loer. De laatste jaren is in de politiek kennis-valorisatie het modewoord: waarde creëren door stukjes kennis om te zetten in producten, diensten en processen. De universiteit als letterlijke goudmijn, die je leeg kunt halen. Ik vind dat korte-termijndenken, het miskent een aanzienlijk deel van de waarde van een universiteit.'

Nut speelde bij de oprichting van de TH in de jaren vijftig al meteen een belangrijke rol. De eerste rector, prof. dr. H. Dorgelo, sprak bij de opening van de 'grote technische inspanningen' die nodig zullen zijn om 'de Nederlanders te kleden, voeden en huisvesten'. Techniek en vernuft moesten de Nederlander vrijwaren van schaarste en gebrek.

Groot leger

Maar niet rechtstreeks. De universiteit moest een echte onderwijsinstelling zijn, was de gedachte. Een opleiding die voorzag in een 'groot leger van technisch-wetenschappelijk geschoolde ingenieurs'. En gegadigden stroomden toe. In 1957 meldden zich 245 studenten, vrijwel allemaal uit de regio en ruim tweemaal meer dan de honderd die waren verwacht.

De aanwezigheid van een hogeschool, later universiteit, heeft volgens Lintsen voor de regio een belangrijke impuls betekend. 'Het gaf een mobilisatie van de intelligentsia waar het zuiden nog steeds van profiteert. Brabant is niet toevallig de werkplaats van Nederland geworden.'

Onderzoek was in die beginjaren belangrijk, maar stond nooit op zichzelf. Het diende, zoals dat al vele decennia gebruikelijk was, vooral de scholing van de student. De opzet ervan was professioneel maar kleinschalig, gedreven door persoonlijke belangstelling van hoogleraren en staf. En veel geld was er niet voor.

Maar dat zou al danig gaan schuiven, nog voor de universiteit helemaal volwassen was. In de jaren zeventig explodeerde, net als elders in het land, het aantal studenten dat zich meldde. Het werden roerige tijden, waarin maatschappelijke relevantie van de universiteit een leidend beginsel leek te worden. Even leek de verbeelding aan de macht. Op de studentenbunker langs de Kennedylaan stond met koeienletters: Gelukkige Slave zijn de Ergste Vijanden van de Demokratie. Met een k, de heersende voorkeurspelling.

Maar daarna keerde de wal ook prompt het schip. De studieduur werd steeds verder beperkt, de economische crisis sloeg toe. Een lange cyclus van bezuinigingen begon. Zelfs de studentenbunker, ooit de best lopende kroeg van Eindhoven, staat op de nominatie om gesloopt te worden.

De jaren 1970-1990, zegt Lintsen, zijn zodoende een keerpunt in de Nederlandse universitaire geschiedenis. En omdat de Eindhovense universiteit nog zo jong was, zijn die daar een nog extra bepalende periode.

Volgens Lintsen is de universiteit in Eindhoven in een halve eeuw tijd, geheel via de kronkelwegen die de tijdgeest in dezelfde periode aflegde, veranderd van een onderwijsinstelling in een moderne onderzoeksuniversiteit. Een instelling waar het wetenschappelijk onderzoek is geprofessionaliseerd en zijn eigen dynamiek heeft gekregen. Lintsen: 'Het is geen l'art pour l'art, het is nadrukkelijk wel toegepast onderzoek. Maar altijd met de fundamentele vragen voorop.'

Labyrint

Uitgerekend die focus op min of meer zuiver technisch-wetenschappelijk onderzoek geeft volgens Lintsen de echte maatschappelijke waarde van de TU/e. 'Het is de paradox van een onderzoeksuniversiteit: het maatschappelijke nut van de universiteit zit in goede afgestudeerden. In Eindhoven wordt studenten via het uitstekende onderzoek geleerd wat het betekent om echt te zoeken in het labyrint van de technische opties. Hoe je zoiets organiseert, welke netwerken je ervoor nodig hebt.'

Dat hij daarover in het jubileumboek harde noten kraakt, is schijn, herhaalt Lintsen. De TU/e is weliswaar geen kei in het rechtstreeks verzilveren van haar kennis. Maar dat moet ook de ambitie niet zijn. Goede ingenieurs, daar draait het net als vijftig jaar geleden om. 'Het selecteren en plaveien van succesvolle wegen is niet ons werk.'

Het is diezelfde zelfverzekerdheid die tot uitdrukking komt in de nieuwe slogan van de universiteit: TU/e: Where Innovation Starts. Dat klinkt wat zelfgenoegzaam, erkent Lintsen. Maar het is juist bescheiden bedoeld. 'De nadruk ligt echt op starts.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden