Zoals Harry het heeft gewild

OOK een wandelend kunstwerk heeft een leven. Voor een biografie van Harry Kurt Victor Mulisch, op 29 juli dit jaar 75 geworden, is het nog te vroeg....

Aleid Truijens

Mijn getijdenboek is een van Mulisch' leukste boeken. Allereerst omdat de in 1927 geborene een bijzonder product is van Europese geschiedenis: een Duits-Oostenrijkse vader die later Tsjech werd en vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog en die nog later in de Tweede collaborateur zou worden, trouwde met een Duits-joodse vrouw wier familie na de Eerste Wereldoorlog verdreven werd uit Antwerpen en die hij behoedde voor de gaskamers door een beroep te doen op zijn foute connecties. Hun enige zoon zou een beroemd schrijver worden met een obsessie voor de holocaust, die niet zonder reden vaststelde: 'Ik bén de Tweede Wereldoorlog.'

Wat het plaatjesalbum, dat eindigt bij de geboorte van zijn schrijverschap, zo amusant maakte is de toon. De voor Mulisch kenmerkende mengeling van zelfspot en hoogmoed ('Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan'), de toon die in zijn romans soms onverteerbaar is, die is hier op zijn plaats. Het begint al met de onvergetelijke zin: 'Omdat het heelal in ruimte en tijd één reusachtige goulash is, waarin alles met alles samenhangt, is ook het ''materiaal'' van ieder leven oneindig, ja, van ieder moment uit iemands leven.'

Het was een potentieel wonder dat op 29 juli 1927 het licht zag. 'Reken ik mijn kometenstaartje niet mee', schrijft de dan 48-jarige van normale lengte, 'dan was ik begonnen met een lengte van 0.0052 mm, terwijl ik driekwart jaar later toch gauw 40 cm mat, dat wil zeggen honderdduizend keer groter was geworden. Wanneer ik, door een speling der natuur, nog eens in dezelfde mate begin te groeien, zal ik bijna 400 kilometer lang worden: dat is van Amsterdam naar Arras.' Misschien maken we het nog mee.

Het was goed geweest als Mulisch ook het tweede deel van zijn Getijdenboek had geschreven, maar daar begon hij niet aan. Hij liet het werk over aan de criticus Onno Blom. Deze schreef, zegt hij in zijn inleiding, een 'beknopt, feitelijk verhaal', dat de foto's en documenten 'als het ware van één groot onderschrift voorziet'. Voor dat verhaal sprak hij 'vele malen' met Mulisch.

Beknopt is het niet geworden en feitelijk kan het niet zijn. Blom verkeerde in een lastige positie: een feestboek moest het worden, dat in één band met Mulisch' Getijdenboek zou verschijnen, tegelijk met een bundel interviews met Mulisch door Marita Mathijsen, ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. Niet bepaald een buitenkans om kritisch het werk te beschouwen. Bloms vele gesprekken met de jarige hadden tot gevolg dat Mulisch, als het gaat om kritiek op zijn werk en persoon - Gerard Reve die hem typeerde als 'gemotoriseerde relletjesvoyeur', W.F. Hermans die De compositie van de wereld 'een krankjoreme onzinturf' noemde - altijd het laatste woord heeft. Een puberaal-Mulischiaans laatste woord: 'Hij had toch liever een krankjoreme turf van 500 bladzijden geschreven dan dat ene zinnetje gezegd' - jammer dat Hermans dat niet meer kan pareren.

Blom was gehouden aan het uitgangspunt, de feiten inpassen in een door de schrijver zelf gecreëerde mythe, en hij heeft zich daarvan kundig - het boek bevat een schat aan feiten, documenten en anekdoten - maar ook wel braaf gekweten. In feite is hij de buikspreekpop van Mulisch. Wat heeft Mulisch echt gedacht aan de vooravond van de operatie aan het kankergezwel in zijn maag? De geautoriseerde versie is dat hij zorgeloos het ziekenhuis uit wandelt om met vrienden een gebakken tongetje te gaan eten en thuis nog even een boek gaat halen, waarbij hij helaas - voorteken? - constateert dat het plafond in zijn studeerkamer naar beneden is gestort. Misschien horen we in de biografie het verhaal van zijn lijfarts.

Marita Mathijsen, die een aantal gesprekken voerde met de schrijver, nu gebundeld in Het voorbestemde toeval, moet zich vrijer hebben gevoeld, al kent zij de schrijver misschien te goed voor enige kritische afstand - ze bracht veel tijd door op zijn werkkamer toen ze in 1992 een overzicht van zijn oeuvre samenstelde. Maar het zijn wel aardige, soms verrassende interviews geworden, met een Mulisch die nu eens bereid is als een gewoon mens te praten over zijn vader, moeder, vriendinnen, zijn vrouw Sjoerdje, zijn dochters, zijn vriendin Kitty en zijn nu tienjarige zoontje Menzo. Veel wil hij er niet over kwijt, liever brengt hij snel weer het gesprek op het werk, maar Mathijsen weet hem vaak te verleiden.

Op zijn zesde, zegt Mulisch, was hij 'al intelligenter dan de juffrouw'. 'Besefte je dat zelf ook?', vraagt de interviewster. Nee, dat besef kwam achteraf. 'Ik was natuurlijk altijd al veel verder dan die mensen, en dat voelden ze. Daar hadden ze geen zin in, denk ik. Ik wekte een bepaald soort weerstand op.' 'Zo jong al?', vraagt Mathijsen sceptisch. Dan zie je de schrijver glimlachen. 'Het is nooit anders geweest.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden