Zo was 'Jour de fete' bedoeld

Jour de fete zou in 1947 het Franse antwoord zijn op het Amerikaanse Technicolor en Agfacolor van de Duitsers. Helaas, er ging wat mis met het kleurenprocede....

MISSCHIEN ben ik juist op de wereld gezet om de kleurenversie van Tati's Jour de fête voor het nageslacht te redden', zegt Sophie Tatischeff, de dochter van de in 1982 overleden Franse cineast, op half spottende toon. In het midden latend of het daarbij om een godswonder gaat of om een laatste geniale zet van haar perfectionistische vader.

Jour de fête, Jacques Tati's in 1947 gedraaide, eerste lange speelfilm, had direct in kleur moeten worden uitgebracht. Maar tot grote ergernis van de regisseur bleek het experimentele kleurenprocédé niet te werken, en moest de film uiteindelijk worden gemonteerd met de uit voorzorg geschoten zwartwit opnamen.

Tati was maar half tevreden. In 1964 bracht hij een nieuwe versie uit met ingekleurde details, zoals de ballonnen, vlaggen en slingers bij het kermisfeest in het dorp. Tegelijkertijd bleef hij proberen de kleurenkopie tot leven te wekken. Zonder succes.

Bijna een halve eeuw later heeft Jour de fête, na een moeizaam en kostbaar restauratieproces, alsnog zijn verloren gewaande kleuren teruggevonden. Dank zij het vernuft van filmtechnicus François Ede, maar vooral ook door de gedrevenheid van Sophie Tatischeff, die als baby aanwezig was bij het draaien van de film.

Met een galavoorstelling van de kleurenversie van Jour de fête is in Frankrijk het eeuwfeest van de cinema plechtig ingeluid. 'Het was fantastisch om eindelijk het publiek te zien reageren, nadat we met een heel besloten groepje zo lang en intensief aan de restauratie hebben gewerkt', zegt Sophie Tatischeff daags na de première, in haar kleine montagestudio in het elfde arrondissement van Parijs.

Afgezien van die oogopslag van een geslagen hond lijkt de gedrongen Sophie Tatischeff uiterlijk weinig op de lange en slungelige cineast die ze tijdens het gesprek niet één keer 'vader' maar steevast 'Tati' noemt. Ze is 47 jaar oud, net als Jour de fête, en vanaf de wieg intens met de film verbonden.

De enthousiaste ontvangst van de gekleurde filmversie bij de première heeft haar diep geraakt: 'Het was vooral ontroerend door het besef dat daar voor het eerst een zaal met publiek zat te kijken naar de kleurenfilm waarvan Tati zolang heeft gedroomd, maar die hij zelf nooit heeft kunnen zien.' Volgens de dochter was het mislukken van de kleurenfilm een van Tati's grootste frustraties.

Tati was in de zevende hemel toen hij vlak vóór de opnamen in 1947 van de Franse firma Thomson het aanbod kreeg om zijn eerste speelfilm in kleur te draaien. Voor Frankrijk was het ontwikkelen van een eigen kleurenprocédé van groot belang in de naoorlogse concurrentiestrijd met het Amerikaanse Technicolor-systeem en het Agfacolor van de Duitsers.

Thomson beschouwde de film van de onbekende Tati als een ideale test voor het experimentele kleurenprocédé. Tati was zich echter nauwelijks bewust van het risico. Hij paste onmiddellijk zijn scenario aan op het kleurenperspectief. De deuren in het dorp werden in donkergrijze tinten geschilderd en de bewoners kregen neutrale zwarte kleding aangemeten.

'De bedoeling was dat met de komst van de kermis met zijn bonte draaimolen en zijn houten paarden ook de kleur in het dorp zijn intrede zou doen. Terwijl na afloop van het feest de kleur weer in de kisten zou worden gepakt en uit het dorp zou verdwijnen', verklaarde Tati ooit in een interview.

Maar die bedoeling leed schipbreuk door de onmogelijkheid om van het origineel kleurenkopieën te maken. De film moest uiteindelijk worden gemonteerd met de uit voorzorg geschoten zwartwit opnamen. Tati, ontevreden met het resultaat, besloot in 1961 alsnog de feestversiering met de hand in te laten kleuren. Met enkele nieuw gedraaide scènes werd ook een kunstschilder ingevoerd, die de details met zijn palet symbolisch van kleur voorzag.

Desondanks bleef Tati tevergeefs proberen om de kleurenkopie te ontcijferen. Aan het eind van de jaren zestig was het geduld van de regisseur op, zo herinnert Sophie Tatischeff zich: 'Bij het leegruimen van de kelder tijdens het draaien van Playtime had Tati een aantal oude dozen opzij gezet om weg te gooien. Hij vertelde dat het de kleurenopnamen van Jour de fête waren, waar niets mee viel te beginnen. Mijn protest werd weggewuifd. Uiteindelijk heb ik de banden weer uit de vuilnisbak gevist en ergens in een hoek van diezelfde kelder verborgen.'

Jarenlang bleven de filmblikken onaangeroerd. Tot Sophie Tatischeff in de loop van 1987 een opmerkzame filmspecialist tegenkwam. De man vroeg zich af hoe het mogelijk was dat de kunstschilder in Jour de fête een jeans 501 droeg, die immers vlak na de oorlog nog niet bestond.

Na de uitleg dat de film in kleur was bedoeld en dat het origineel nog altijd bestond, bracht de filmkenner Tati's dochter onmiddellijk in contact met de begaafde technicus François Ede, die volgens hem in staat moest zijn om de kleurenversie alsnog te restaureren.

Sophie Tatischeff herinnert zich nog glashelder hoe Ede bij de eerste ontmoeting begin 1988 in haar laboratorium met plakband en andere hulpmiddelen een soort kleurenfilter in elkaar knutselde, en hoe haar vervolgens met één van de opgedoken banden uit de kelder het allereerste kleurenbeeld van Jour de fête onder ogen werd getoverd.

Dat eerste beeld hangt nu als foto ingelijst ter herinnering aan de muur van haar kantoor. 'Met die resultaten zijn we op stap gegaan om de restauratie op gang te krijgen', zegt ze.

De produktiemaatschappij die de rechten op Tati's werk beheert, was weinig enthousiast voor het project. 'Begrijpelijk', meent de dochter, 'Want het ging om een restauratie die vooral veel geld zou gaan kosten, en financieel nauwelijks iets zou opleveren. Daarnaast ging het om baanbrekend minutieus handwerk, dat nauwelijks vooraf viel te begroten.'

Uiteindelijk besloot Sophie Tatischeff, die zelf filmoperateur is en Tati bij drie speelfilms assisteerde, de produktie voor eigen rekening te nemen. Het ministerie van Cultuur was direct enthousiast over het project voor het eeuwfeest van de cinema: 'Zowel de naoorlogse concurrentiestrijd met de Amerikanen op het gebied van de kleurenfilm, als de Franse dorpspostbode die het in het verhaal tegen de geperfectioneerde Amerikaanse postbestelling opneemt, vielen in goede aarde op het moment dat het Franse cultuurministerie volop in de GATT-oorlog was gewikkeld.'

De restauratie heeft, met tussenpozen, in totaal anderhalf jaar geduurd en haast twee miljoen gulden gekost. Over het resultaat zegt Sophie Tatischeff zeer tevreden te zijn: 'De bruinachtige kleuren zijn heel mooi en de film heeft door de iets afwijkende montage een goed ritme gekregen.'

De belangrijkste ingreep in de film was het verwijderen van het personage van de kunstschilder. 'Dat soort beslissingen ligt natuurlijk heel gevoelig bij het restaureren van een film, vooral omdat de maker er zelf niet meer is', meent Sophie Tatischeff, 'Maar in de meeste gevallen had ik, doordat ik zo nauw met hem heb samengewerkt, toch direct het gevoel te weten hoe hij zou hebben gereageerd.'

De kunstschilder zou Tati er volgens zijn dochter in de kleurenversie zeker weer uit hebben gehaald. Het personage van de schilder als symbool voor het inkleuren van de details en als afstandelijk element, verstoorde in haar ogen het dorpsleven in het verhaal: 'Nu spreken de kleuren voor zich en is de schilder overbodig geworden. Daarbij waren die scènes in 1961 in zwartwit gedraaid. Het zou een gag zijn geweest, als we die nu alsnog hadden ingekleurd.'

Luxor, 28 januari, 20 uur; 29 januari, 14.00 uur; Thalia, 31 januari, 21.30 uur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden