Zo vernieuwend als klittenband

Toine Donk en Daniël van der Meer buigen zich over Erik of het klein insectenboek dat deze maand gratis in de bibliotheken ligt. Bij herlezing van de klassieker valt de ironie over grote levensvraagstukken op.

Daniël: De 'leesbevorderingscampagne' Nederland Leest schenkt ons dit jaar Erik of het klein insectenboek, dat hiermee een 59ste druk krijgt. Nu zijn wij de enige twee Nederlanders die nog nooit hadden gelezen over Erik Pinksterblom die een schilderij instapt om met de geschilderde insecten te praten en uit te groeien tot hun messias. Het begint in ieder geval goed, met een motto van Leonardo da Vinci: 'Wij zijn alle ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.'


Toine: Ja, dat motto! Ik ging meteen rechtop in mijn stoel zitten: de grote vragen des levens zullen kennelijk niet geschuwd worden op deze bladzijden, bring it on, ik zit er klaar voor. En inderdaad, in het boek wordt het schilderij herhaaldelijk vergeleken met ons eigen leven. Zo vraagt de verteller ons, wanneer Erik moet huilen als hij het schilderij betreedt: 'Maar deden wij soms anders toen wij voor het eerst gezet werden in het schilderij waarin we nu al zo lang leven?' Verdomd: baby's huilen bij hun geboorte. Goed punt. Genoteerd.


Maar mij werd niet duidelijk wat die continue vergelijkingen ons willen vertellen. De diepere laag van het boek is doorgaans niet dieper dan de vage spreuken in de Happinez-kalender die bij mijn moeder op het toilet hangt. Hier en daar weet Bomans nog wel de absurditeit van ons eigen menselijk bestaan aardig te treffen, zoals met de familie wespen die neerkijken op andere insecten omdat die niet het 'juiste bloed' hebben - een doorzichtige steek naar de adel - maar veel hebben die niet om het lijf.


D: Over moeders gesproken: de mijne zei dat het in haar jeugd 'vernieuwend' was geweest. Maar goed, dat was klittenband toen ook. Ik vond het werkelijk niet om door te komen zo belegen. Erik die 'weps' zegt, Erik die 'rusp' zegt, en elke keer wordt gecorrigeerd door de wesp of rups in kwestie. Ik snap niet waarom mensen met dit boek weglopen en al helemaal niet wat Midas Dekkers in de inleidende lofrede bedoelt met de opmerking dat Bomans ervan werd verdacht 'humorist' te zijn. Kon ik hem daar maar van beschuldigen. Op een gegeven moment zegt een spin van het schilderij: 'Is het zo leuk, meneer? Is het wérkelijk zó leuk?' Ik vond het de raakste zinnen uit het boek.


T: Hemel, dat is nog eens een vuur! Maar toegegeven: ook ik viel niet van mijn stoel van het lachen. Bomans gebruikte voor de grapjes in het boek steeds hetzelfde stramien: neem een insect, geef het menselijke trekken, leun achterover terwijl je minzaam glimlacht om je eigen genialiteit.


Dus wordt ons voorgeschoteld: duizendpoten die schoenen dragen (Proest!), vlinders die met bestek eten (Niet!) of wespen die muziekinstrumenten bespelen (LOL!). Grappiger zijn eigenlijk de meegedrukte voorwoorden van de verschillende edities. Daarin trekt Bomans ten strijde tegen zijn criticasters, met een verve die in het boek zelf ontbreekt. Het kostte mij twee bladzijden eer ik de grap begreep: de criticasters zijn even fictief als Erik. Zo beklaagt de insectoloog dr. L. Pluimpjes zich erover dat een duizendpoot helemaal geen duizend poten heeft: 'Hoe het met de voelsprieten, de vleugels, en de dekschildjes staat, weet ik natuurlijk niet. Deze liggen buiten mijn bevoegdheid. Maar ik waarschuw mijn collega's op deze terreinen om scherp uit te kijken; er zijn vermoedens dat ook hier geknoeid is.' Verderop lezen we hoe het met Pluimpjes afloopt: voorovergebogen een insect volgend met een vergrootglas spoedde de trein van 9.15 zich over hem heen.


D: De enige insecten die mij deden lachen, waren de doodgravers. Ze proberen Erik de dood in te praten, zodat ze weer een maaltijd hebben: 'Gaat u maar rustig liggen, dan graaf ik vast een kuiltje.' En zo zien ze alle dieren: als wezens die in leven blijven om dik en rond te worden, zodat ze kunnen sterven om opgegeten te worden door de doodgravers. Zo is het ook met dit boek. Er wordt net zo lang voer in gestopt tot het te oud is om op eigen kracht door te gaan. En nu eten we het minzaam op. Maar smaken doet het niet meer.


T: De laatste tijd beweren veel beschouwingen in uw krant of tijdschrift dat de huidige twintiger ironie gebruikt om de realiteit op afstand te houden. Maar laat nou deze roman, geschreven aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, het meest ironische boek zijn dat ik ken: het archaïsch taalgebruik, de kolderieke rijmpjes en de schertsende wijze waarop zware onderwerpen als de dood en de liefde worden behandeld - een jonge, blanke bewoner van de Baarsjes op een fixie, die bood-schappen doet bij de Marqt en een abonnement heeft op Das Magazin maar het nooit leest, zal smullen van Erik of het klein insectenboek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden