Zo veel taal ziet men zelden bij elkaar

Klassieken zijn niet te maken. Ze zijn ons doorgegeven. Ze komen soms van ver, maar laten zich steeds opnieuw actualiseren door nieuwe lezers....

Wij kunnen het klagen over de klassieken de afwezigheid daarvan dan maar niet staken. Vaak zijn de klagers zelf de slechtste lezers van het literair verleden. Zij laten de doden de doden begraven. Er is veel cultuurhuichelarij in dit land, misschien overal wel. Kopen die beschaafde hypocrieten, die het altijd over de grote tradities in Engeland en Frankrijk hebben (alsof iedere loodgieterdaar 's avonds Pope of Pascal zit te lezen) wel de delen uit de Deltareeks?

Die serie, die klassiek geachte Nederlandse werken in goede edities beschikbaar wil maken, breidt zich met de traagheid van de zorgvuldigheid uit. Drie nieuwe delen kwamen onlangs uit, werk van Hooft, van Vondel en de roman Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden (op die uitgave kom ik later terug). In totaal zijn er nu veertien. Tot de hoogtepunten eruit reken ik Het hart van boven, religieuze poe uit de 17de eeuw, Kleine gedichten voor kinderen van Van Alphen, de definitief te noemen uitgave van de Camera Obscura.

De eerstgenoemde bloemlezing was het origineelst; ze schoof een laag bijna vergeten religiositeit in de cultuur terug. Van de andere boeken waren nog altijd edities in de handel; ze leken te zeer op verplichte nummers; de inleidingen erbij vormen de eigenlijke waarde ervan. En die zijn doorgaans meer voor het gesloten circuit van de wetenschap dan voor de 'gewone' lezers.

Het nu verschenen Warenar is ook zo'n verplicht nummer. We moeten niet te veel jeremin dat er van de klassieken geen edities zijn. Tussen 1973 en 2002 verschenen er vier edities van deze komedie van P.C. Hooft. Geheel vrij van overbodigheid is deze editie, die op naam staat van Hooft en S. Coster samen, dus niet. Jeroen Jansen verzorgdede uitgave en hij schreef een zeer degelijk nawoord en verantwoording bij deze kluchtige komedie die in 1617 voor het eerst werd opgevoerd. Het leukste aan Warenar is de taal (de plot is er een van niks). Daarin zijn de dialogen scherp gesneden, vliegen nu vergeten geestige zesgwijzen over het toneel, is de compactheid bewonderenswaardig. Toneel van een ongewone levendigheid. Maar.

Jansen of de redactie heeft gemeend de spelling onveranderd te moeten laten. Dat maakt het 17de-eeuwse Nederlands, Amsterdams of Brabants (toch al vrij moeilijk) er niet gemakkelijker op. Wie leest, moet haast per regel naar de verklarende noten aan de voet van de pagina. Die verticale vorm van lezen is even afleidend als vermoeiend. Neem deze vrij eenvoudige, fraaie omschrijving van Warenars gierigheid:

Eer hij 'savonts zijn hooft neerleydt op de sloopen, Stopt hij de pijp van de blaes balck, datter gien wint uyt sou loopen, Op avontuer ofse haer versuymde terwijl datse sliep.

Alleen al de laatste regel vereist deze toelichting: 'voor 't geval dat ze (de blaasbalg) een ongelukje had (en wind) liet ontsnappen; sliep: niet in werking was.' Op zulke momenten vraag ik mij af of een bewerking (zoals Willem Wilminkdat samen met de hoogleraar Wim Gerritsen heeft gedaan voor middeleeuwse teksten) de tekst niet meer kansen geeft dan het origineel.

De tweede uitgave is ongewoner. Drie drama's van Vondel en allerminst de verplichte nummers. Hier werden bijeengebracht Jeptha, Koning David hersteld, Fan. Is de eerste nog enigszins bekend, de twee andere zijn dat nauwelijks of niet. Zij moeten dus wat een opgave klassieken worden! In deze uitgave zijn de stukken wel herspeld (vrij inconsequent van de redactie) en daardoor al meteen aanzienlijk gemakkelijker leesbaar.

Maar er is nog iets.

Nog onlangs beweerde de dichter, essayist en zelf aangestelde schoorsteenveger Ilja Leonard Pfeijffer dat de twee grootste Nederlandse dichters Vondel en Lucebert zijn. (In een van zijn laatste interviews verklaarde Van Duinkerken, groot Vondelbewonderaar, over Vondel heen met Lucebert een even bewonderend contact te hebben).

Pfeijffer heeft gelijk. Het gaat hier om twee nooit geheel te exploreren taalwerelden. Zo veel taal ziet men nergens bij elkaar. Voor dat ondergaan in de overvloed een vorm van opiaal lezen biedt Vondel, ook in deze drie stukken, waarvan Jeptha het indrukwekkendste, het edelste ook blijft, alle kansen. Wat een poe.

Aan het slot van de rei die het vierde bedrijf van het mythologische stuk Fan afsluit, lees ik:

De schildknaap, zwanger van gods donder en bliksem, acht onz' klachten niet. Het aardrijk wacht de slag hieronder.

De vogel streeft al voort en schiet voorover naar de westerstreken, hij achterhaalt de zonnetoom. Indien Jupijn koom' uit te breken met donder, zal men stroom op stroom, stortregens uit de lucht zien bruisen en koelen deze wereldkoorts, die brand van kerken, hoven, huizen, Febus horen hoe zijn toorts in 't water kist. Vertoeft niet langer.

Daar barst de lucht, van weerlicht zwanger.

Dat is klassiek of verdient het te zijn. Hoe ongelooflijk is het tweede deel van dit fragment. Versmeten en vergeten, jarenlang, als Fan in de rivier de Po. Misschien is er nu een kans voor deze poe die de taal in brand steekt, in deze uitgave die door J.W.H. Konst uitstekend is verzorgd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.