Zo lelijk als het leven kan zijn De tien geboden van Ferdinand Hodler

Voor de Zwitserse schilder Ferdinand Hodler was de dood een goede bekende. Al op jeugdige leeftijd verloor hij zijn vader; zijn moeder, broers, zussen en minnares zouden spoedig volgen....

door Wilma Süt"

DE ZWITSERSE schilder Ferdinand Hodler (1853-1918) kon de wereld versieren, opgetogen over de 'lijnenpracht' die zijn dansende vriendin hem onthulde, maar veel aanleiding haar te idealiseren had hij niet. Als zijn verliefde oog een naakt in rozerode gloed bezag, kan hem ook moeilijk worden verweten dat hij tegen beter weten in zijn best deed de nuances van zijn hartstocht over te brengen op het doek, tot in de zachtste tinten. Hodler spon zich niet in in een droom. Hij bracht de liefde zijn bewijs, er uit ervaring van doordrongen dat zij, blozend en omringd door rozen, niet minder waar was dan de dood.

Hij kende ze allebei - en het moedeloos makende gevecht tegen de aftakeling al veel eerder, en van dichterbij, dan het leven in volle bloei. 'In onze familie was de dood een vertrouwd verschijnsel. Het leek wel alsof er altijd een dode in huis was en alsof dat zo moest zijn', schreef hij, terugblikkend op zijn jeugd. Hodler was een kleuter toen zijn vader overleed aan tuberculose, de 'armeluisziekte'

die ook het vroegtijdig einde inluidde van zijn moeder, zijn zusters,

zijn broers. De verliezen die hem nog wachtten, zou hij als schilder in het gezicht zien, omdat 'het zo moest zijn' of nou eenmaal niet anders was.

In 1909 portretteerde hij zijn eerste minnares, De dode Augustine Dupin op haar sterfbed. Dit doek, ter nagedachtenis aan de moeder van

zijn zoon Hector, is het onverbiddelijke tegendeel van de Lijnenpracht uit hetzelfde jaar. De ene vrouw danst naar het lentelicht. De andere is nog minder dan een schaduw van zichzelf, ingevallen en weggeteerd: een lijk. Voor dit akelige wedervaren binnen één en hetzelfde oeuvre omstreeks dezelfde tijd, zij God of het Lot geklaagd. Hodler komt de eer toe dat hij bij al wat hem werd ontnomen ook de ernst onderkende van het geluk dat hem toeviel.

In dat vermogen school zijn kracht: het leven te schilderen zoals hij

het ervoer, zo lelijk en mooi als het voor een mens kan zijn. Deze nietsontziende acceptatie lag klaarblijkelijk in zijn aard besloten, maar Hodler had er ook weet van, en er was hem wat aan gelegen 'de eenheid' uit te dragen. 'Mede daarom werd zijn werk al zeer vroeg, vanaf het begin van zijn loopbaan, benaderd op twee elkaar weliswaar niet uitsluitende, maar toch altijd op gespannen voet staande, manieren: als symbolisme of als expressionisme.' Zo schrijft Hans Janssen nu, in de catalogus bij Hodlers overzicht in het Haags Gemeentemuseum.

De conservator hoopt de tweespalt op te heffen, maar waar de kunstenaar daar zelf niet toe in staat was, is het onbegonnen werk. Hodler de expressionist knechtte uit nood de duistere geesten die hem

bestookten, terwijl hij in eenzelfde reflex de muze huldigde die zijn

hart verwarmde en de spoken verdreef. Hodler de symbolist daarentegen

wrong zich in bochten om zijn angst voor de val van de nacht te verenigen met zijn vreugde over de rozevingerige dageraad, in grootse

perspectieven die van hier tot gunder zijn pantheïstische bijbedoelingen uitwasemen.

'Het is de opdracht van de kunstenaar gestalte te geven aan het onvergankelijke in de natuur, haar innerlijke schoonheid te onthullen', verklaarde hij in 1897. En voor de verwezenlijking van dit pseudoreligieuze programma hield hij vast aan de Tien Geboden die

hij vroeger, als beginneling, al had geformuleerd, toen hij nog lang geen lid was van de Rozenkruisers. Het mystieke genootschap heeft zijn overtuiging vast versterkt, maar het paste hem ook zoals hij zelf al was: een hooggestemde idealist, die niettemin van huis uit wist dat hij zelf het betrekkelijke belichaamde.

'De maat van al het zichtbare is het menselijk oog', luidde, bescheiden nog, Hodlers eerste gebod. Het tweede schreef voor dat een

schilder de natuur moest zien 'als een plat vlak', in overeenstemming

met het strak gespannen linnen. En in zijn vijfde regel wees hij, allengs minder beschroomd, op het belang van de contourlijn: de 'krachtige omtrek' der dingen - een indicatie voor de alomvattende cirkelgang die hij wilde evenaren. Hodler schilderde zijn figuren en landschappen op 'het ritme van de natuur': in monumentale ordeningen van ornamenten, decoratief en expressief.

Het lukte hem niet altijd, maar als hij er in slaagde zich aan zijn woord te houden, was hij op zijn ergst. Dan bracht hij zijn leerstellingen als een onderwijzer in de praktijk, of als de regisseur van een amateurtoneelvereniging, die in één moeite door ook

zelf de affiches voor zijn rituele spektakels ontwierp.

Het openingsstuk in Den Haag heet Opgaan in het Al (1892) en de bezoeker valt er middenin: net op het moment dat een naakte vrouw in deemoedige aanbidding haar handen ten hemel heft, staande in de vrije

natuur, maar op een doek - een zwarte draperie, voorwaar geen picknickkleedje. Haar hoofd neigt opzij, weg van de stervelingen in het tranendal, en haar hoog naar de heuveltop opgeslagen ogen verzoeken het publiek een voorbeeld aan haar te nemen. In het verlengde van haar dramatische blik, achter de groene bergen, ontvouwt zich eeuwigdurend De Dag (1899).

Die wordt gepersonifieerd door een meisje, schijnbaar van geglazuurd porselein, dat op een witte doek tussen de bloemen in het gras de eerste zonnestralen vangt. Ze kijkt met geloken ogen opzij, maar toont haar lichaam pal van voren in een alles prijsgevende pose. We zien haar naakte geslacht in één lijn met de handen voor haar borst, die, net niet biddend, toch een gebaar van overgave maken, ontvankelijk, en zeker even extatisch als devoot: alsof het meisje het licht vangt, en alsof dat licht haar bevrucht. Zo raar is dat niet. De morgenstond heeft immers goud in de mond - Hodler sublimeerde het gezegde.

Hij repeteerde de betekenisvolle scène streng gedisciplineerd, tot in

de gekromde vingertopjes aan toe, en behalve op deze intieme schaal, ook met vijf vrijwilligsters tegelijk, die ten slotte gezamenlijk verstarden in een kramp van verrukking. Hun heksenkring ontbreekt in Den Haag, maar het Gemeentemuseum beschikt met De Dag in enkelvoud (het enige werk in Nederlands bezit) over een perfecte samenvatting van dit gemaniëreerde mysticisme. De lichaamstaal die Hodler de symbolist zijn figuren laat spreken, smoort de roep om kwantiteit - ze schijnt er speciaal op gericht te zijn de wereld te openbaren aan pas genezen blinden.

Zonder overdrijven: vijf oude mannen zitten op een rij met neergeslagen ogen en zwaar afhangende schouders: Levensmoe. Vijf vrouwen staan op een rij, gehuld in hemelsblauwe jurken, de hoofdjes achterover, de ogen rollend: Blik in de Oneindigheid. Dit symbolisme is niet alleen in retrospectief veel te ceremonieel. Elke tentoonstelling en publicatie die sinds zijn dood in 1918 aan de kunstenaar is gewijd, tientallen over de hele wereld, verkondigt dat het tijd is voor een herwaardering, wat wil zeggen een definitieve opwaardering, van zijn verheven erfenis.

Het is vergeefse moeite. De gevallen vrouwen en onbevolkte berglandschappen van Hodler de expressionist hebben het pleit allang beslecht. Hun ongedwongen mimiek en verhulde spirituele suggestie zijn oneindig veel aantrekkelijker - zowel volgens de gevestigde opinie, als in het echt, voor het oog in Den Haag. Een verrukkelijk aards equivalent van De Dag, is bijvoorbeeld Hodlers Studie voor het Verlangen, waarin een langoureuze vrouw zich uitstrekt en samenvalt met het landschap, in een losse, maar daardoor des te sensueler schets.

Deze schildering overtreft zelfs de rozerode Lijnenpracht, waarin Hodler Valentine Godé-Darel vereeuwigde: de tweede vrouw die hij aan de dood zou verliezen. In de winter van 1914/15 portretteerde hij haar op haar ziekbed en als gestorvene, karig, met vinnige contouren,

hakend in het papier, in het linnen - in het vel van degene die ernaar kijkt. Op de dag dat ze overleed, keerde Hodler zich van haar bed naar het raam. In een verlaten Zonsondergang aan het Meer van Genève schilderde hij het afscheid van zijn geliefde.

Ferdinand Hodler, tot en met 2 mei in het Gemeentemuseum Den Haag. Catalogus * 49,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden