Zo klein is het onvergetelijke

TOEN HERMAN de Coninck vorig jaar plotseling overleed, was dat een grote schok voor alle Nederlandstalige poëzielezers. Niet alleen als dichter, ook als redacteur van het NWT, als recensent van De Morgen, als samensteller van bloemlezingen en als essayist stond hij in het centrum van de Vlaamse en Nederlandse poëzie....

De gedichten van De Coninck zijn niet voor de eeuwigheid gemaakt, als we hemzelf mogen geloven: 'Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken/ op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen/ te wachten staat op dag.' En wat komt meer terloops tot stand dan vingerafdrukken op glas? Anderzijds, zijn vingerafdrukken niet echter en persoonlijker dan woorden? Dat deze bedrieglijk simpele mededeling zich in het geheugen vasthecht, komt doordat het beeld ijzersterk is, maar ook door de bijna onmerkbare assonantie.

Dat de dichter wel degelijk zorgvuldig over iedere formulering nadacht, blijkt onder meer uit een gedicht waarin hij eerst zichzelf citeert ('zo klein/ is het onvergetelijke') en vervolgens opmerkt: 'Wat er oorspronkelijk stond, zo groot/ is het onvergetelijke, heb ik veranderd/ in zo klein. Daar heb ik een jaar over gedaan.' Ook de ontstaansgeschiedenis van veel gedichten - zoals Hugo Brems die in de verantwoording van De gedichten uiteenzet - wijst erop dat De Coninck niet gauw tevreden was, ook niet wanneer een gedicht eenmaal gepubliceerd was.

Het onvergetelijke zit hem dus in kleinigheden. Het is De Coninck te doen om het onaanzienlijke, dat ons in zijn nietige vergankelijkheid het hardst confronteert met onze eigen sterfelijkheid. Maar dan moet het wel zo geformuleerd worden dat de woorden het ook zonder de dichter kunnen stellen. Sterker nog, het liefst zou De Coninck de taal van alle overbodige franje ontdoen en gedichten schrijven die zo mooi, ontroerend en betekenisloos zijn als de naaktheid van een slapende vrouw:

Zoals ik graag knoflook heb bij lams vlees,

zo wil ik tabak bij lucht: om adem te kruiden

en pas nadien uit te blazen, als was het elke keer

mijn laatste.

Ik heb het tijdelijke met het eeuwige

vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie

om te weten dat ik het tijdelijke wil.

Betekenis: dat is wat een blootgewoel de vrouw

aan lakens over zich heen trekt.

Ik trek ze weer weg.

De Coninck kiest voor de tijdelijkheid van het leven, compleet met lekker eten, sigaretten en liefde. Weinig dichters hebben zo vaak en zo expliciet over seks geschreven als hij, soms op het gênante af. Dat de lezer het merendeel daarvan zonder morren pikt, is waarschijnlijk te danken aan de subtiliteit waarmee de dichter zijn eigen psyche analyseert. Het is soms pijnlijk te zien hoezeer de spreker worstelt met de discrepantie die er tussen zijn woorden en zijn daden, tussen zijn gedachten en gevoelens bestaat:

Verliezen lukte beter: daar heb ik ter nauwernood

één dichtbundel over gedaan. Ik won

de Prijs van de Vlaamse Provinciën met jouw dood.

Ik herinner me vooral dat ik mijn bril niet vinden kon.

Die lag naast de auto op de grond. Eerst vond

ik hem, het was een nieuwe, dan jou.

Dank zij die bril kan ik je nog steeds zien.

Na een eeuwigheid, misschien

een minuut of twee, wees een vrouw naar het gras:

kijk, een kindje. Oja, dat hadden we ook. Snel mond

op mond. Tom gillen als vermoord. Dat leek me gezond.

Pas toen besefte ik hoe stil het voor dien was.

Ik dacht: zal ik eens proberen te hui len?

Het lukte. Dat kwam de volgende da gen goed van pas.

Dat dit gedicht een autobiografische basis heeft, is evident, zoals trouwens veel van De Conincks gedichten een onvervalst authentieke indruk wekken. Maar hoe dat precies zit, welke oprechte poëzielezer maalt daarom? Ook een dichter heeft recht op zijn privé-leven.

De weduwe van de dichter dacht daar anders over. In het kielzog van Connie Palmen schreef Kristien Hemmerechts met Taal zonder mij een boekje waarin zij vooral ingaat 'op het expliciet autobiografische karakter van veel van zijn gedichten.

Aan de hand van correspondentie en herinneringen bouwt ze een beeld op van zijn poëtica en zijn persoonlijkheid.' Aldus de flaptekst. Wie dit boekje mocht gaan lezen in de hoop iets over De Conincks poëzie te weten te komen, kan dus niet volhouden dat hij niet gewaarschuwd is.

Het probleem met dit soort publicaties is dat je je als liefhebber van het werk van de overledene bij voorbaat welwillend opstelt en je zelfs enigszins verplicht voelt er kennis van te nemen. De Coninck was zo'n sympathieke dichter, dan moet Hemmerechts toch ook in orde zijn? Hemmerechts is zich bewust van het gevaar dat ze met dit boek loopt: ze wil niet als een tweede Palmen om haar publiciteitsgeilheid afgeslacht worden. Daar komt bij dat ze niet als een hebberige weduwe de literatuurgeschiedenis wil ingaan. Niemand is bijvoorbeeld zo ruimdenkend als zij waar het Hermans vroegere geliefden betreft.

Maar is het ook een goed boek geworden? Helaas niet. Afgezien van een tiental bladzijden waarin het inderdaad om De Conincks poëtica gaat, behelst het boek één ongestructureerde aaneenschakeling van onbeduidende anekdoten van dit type: 'Op reis wilde hij altijd weten waar we zouden overnachten. Ik had zoiets van: we zien wel, we rijden tot we bij een leuke plek komen en daar vinden we allicht een hotel of motel, maar hij kon zich niet ontspannen tenzij we een kamer hadden gereserveerd.' Het staat er echt: 'Ik had zoiets van'.

Wij willen helemaal niet weten of Herman haar op zijn billen had, hoe vaak mevrouw Hemmerechts gaat plassen, bij welke supermarkt het echtpaar boodschappen deed en hoe duur een slakom bij Ikea is. De kattebelletjes die Herman zijn 'poesje' schreef zijn niet voor ons bedoeld. Maar dit boek is dan ook geconcipieerd in een supermarkt: 'Alle ideeën die ik heb, krijg ik of in de supermarkt, of in de trein, of onder de douche. De meeste echter in de supermarkt.' Het boek is inderdaad zo deprimerend als de Hema op een regenachtige zaterdagmiddag.

Levende en stervende dichters! Probeer Hugo Brems zover te krijgen dat hij uw nalatenschap bezorgt. Maar laat tegelijkertijd uw weduwe een contract tekenen waarin ze belooft nooit een boek over u te zullen schrijven.

Piet Gerbrandy

Herman de Coninck: De gedichten.

Samengesteld en verantwoord door Hugo Brems.

De Arbeiderspers, twee delen (480 en 208 pagina's) in cassette; * 75,-.

ISBN 90 295 0908 2.

Kristien Hemmerechts: Taal zonder mij.

Atlas; 150 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 450 0133 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden