Zo flikten de nestors het

De bul is binnen, nu de baan nog. Maar hoe begin je een succesvolle carrière? Drie arrivés blikken vanaf hun inmiddels bemachtigde toppositie terug op de start van hun eigen loopbaan en bespreken de starters van nu....

Ze kennen elkaar vooral uit de media. Claudia Zuiderwijk (45) is baas van, volgens Elsevier, het één na beste ziekenhuis van ons land: Ter Gooi Ziekenhuizen Hilversum. Ze is ‘groot’ geworden in de IT, bij IBM en daarna als bijna-topvrouw van PinkRoccade. En dat na een studie andragologie.

Michail (Micha) Wladimiroff (62) is strafrechtadvocaat. ‘Geen bloed, zweet en tranen van gewone mensen, maar strafrecht van bedrijven. Denk aan de bouwfraude.’ Als hobby verdedigt hij gedaagden bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, zoals de vroegere Liberiaanse dictator Charles Taylor.

Elco Brinkman (59) was ooit beoogd CDA-premier, en is nu met een waslijst aan functies volgens de Volkskrant de machtigste man van Nederland.

Aan een ronde tafel in Den Haag halen de drie herinneringen op aan hun start op de arbeidsmarkt en beschouwen ze de nieuwe generatie.

Hoe zijn jullie zelf begonnen?

Wladimiroff: ‘Ik heb nooit gesolliciteerd. Het ging zoals dat vroeger vaak ging. De vader van een studievriend had een advocatenkantoor, daar kon ik na mijn afstuderen beginnen. Dat was in 1972. Vier jaar later ben ik zelf een kantoor begonnen met Gerard Spong. We hebben samengewerkt tot 2000, toen kwam er een eind aan ons ‘huwelijk’. Spong ging naar Amsterdam, ik begon met anderen een nieuw kantoor in Den Haag.’

Brinkman: ‘Ik heb het nog eens nagezocht: ik heb acht keer gesolliciteerd. Ik ben nog afgewezen als medewerker voor de ARP-fractie – een voorloper van het CDA – in de Tweede Kamer. (lacht)

Uiteindelijk ben ik via via in mijn eerste baan terechtgekomen. Als student had ik een bijbaantje als notulist bij allerlei gemeenten rond Amsterdam. De burgemeester van Amstelveen was naar een andere functie bij overheid gegaan, en zocht een paar jonge medewerkers. Daar ben ik in 1977 begonnen, maar binnen een jaar zei hij: hier kun jij je ei niet kwijt, ga eens kijken bij Binnenlandse Zaken. Al wilde ik in die tijd eigenlijk vooral burgemeester worden.’

Zuiderwijk: ‘Er zat een plan achter je sollicitaties.’

Brinkman: ‘Ja, mijn studie was daar op gericht. Het merkwaardige is dat ik later twee keer ben gevraagd burgemeester van Den Haag te worden. Ik heb toen bedankt, wat eigenlijk heel bizar is, omdat het mijn jongensdroom was.’

Wladimiroff: ‘Ik ben juist geworden wat ik altijd wilde. En dat ben ik altijd gebleven. Saai, hè?’

Zuiderwijk: ‘Ik wist juist niet wat ik wilde worden. Ik koos een studie sociale wetenschappen, andragologie, omdat ik uit een links nest kwam.

Daar heb ik me wel verdiept in het rendement van bedrijfseducatie. Een concrete richting binnen een vage studie dus. In die tijd was het heel moeilijk om een baan te vinden. Maar bedrijven kwamen presentaties houden op de universiteit. Ook IBM. Een heel inspirerende, enthousiaste meneer vertelde dat IBM jaarlijks 300 miljoen uitgaf aan éducation permanente. Of iemand in de zaal wilde afstuderen op onderzoek naar het rendement ervan. Dat heb ik gedaan en zo ben ik bij IBM terecht gekomen. Tevoren had ik echt nooit kunnen verzinnen dat ik iets in de IT zou gaan doen.’

Hoe belangrijk is de studiekeuze?

Brinkman: ‘60, 70 procent van de mensen komt in heel ander vakgebied terecht dan waarvoor ze zijn opgeleid. Werkgevers kijken ook niet zozeer of iemand Arabische talen, communicatiewetenschap, of psychologie heeft gedaan, maar veel meer of iemand wat verder heeft gekeken en of hij of zij ook praktisch is ingesteld.’

Wladimiroff: ‘Zelf begon ik op mijn vijftigste nog met humanitair strafrecht. Dat was een ver-van -mijn-bedshow. Rechters van het Joegoslaviëtribunaal kwamen in Nederland om regels te schrijven voor dat tribunaal. Het Nederlandse ministerie van Justitie organiseerde een social event, waar ik ook kwam omdat ik een functie had in de Orde van Advocaten en hoogleraar was in Utrecht. Ik raakte aan de praat, zo ben ik erin gerold. Stom toeval.

Je wordt ergens voor opgeleid omdat je ervoor gekozen hebt, maar vervolgens blijkt het leven anders in elkaar te zitten. Als je openstaat voor dingen die je tegenkomt, nieuwsgierig en gretig blijft, dan blijken horizonten te verschijnen die het leven een onvermoede richting geven. Er moet wel iemand zijn die je dat duwtje even geeft.’

Hebben jullie wat aan een mentor gehad?

Brinkman: ‘Als je vage studies hebt gedaan, zoals ik, is advies heel belangrijk.’

Zuiderwijk: ‘In het begin van je carrière helpt een mentor. Klankborden met iemand die niet direct boven je staat. Kijken waar je echt goed in bent, waar je een kick van krijgt en wat frustreert. Dat helpt als je experimenteert.

IBM was voor mij een snoepomgeving. Enorm uitdagend. Ik had ook een geweldige mentor. Na een jaar zei hij: ‘Claudia, jij wordt supergespecialiseerd en op je vijftigste zal je gepromoveerd zijn en alles weten van rendementsbepaling. Maar word je dan gelukkig?’ Toen ben ik in plaats van me verder te specialiseren, de breedte ingegaan via interne sollicitaties.’

Wladimiroff: ‘Zelf heb ik geen mentor gehad. Mijn blikveld was altijd strafrecht. Daarin zijn de keuzes niet zo krankzinnig groot. Maar ik merkte wel dat mensen die na een jaar in de praktijk terugkwamen veel beter wisten wat ze leuk vonden en wat niet. Zelf geloof ik in externe prikkels, dat je iemand een duwtje in een richting kunt geven die er latent is, maar die ze zelf onvoldoende onderkennen.’

Zijn er verschillen tussen de generatie van nu en jullie eigen generatie starters?

Brinkman: ‘Ik heb het gevoel dat de jonge generatie er onbevangener en onbevooroordeelder inzit. Ze zijn brutaler in de goede zin van het woord, niet bang, minder vormelijk. Wij waren meer geprogrammeerd, door studie of omgeving.’

Zuiderwijk: ‘Wij waren voor of tegen atoombommen, we waren enorm met feminisme bezig, heel zwart-wit. Nu is het idealisme pragmatisch geworden. Ze vliegen voor een week naar Gambia en laten ergens zes bomen planten om de milieuschade te compenseren. Prachtig! Ons dogmatische idealisme was niet vol te houden.’

Brinkman: ‘In mijn tijd wilden alle studenten bij de overheid. Nu is dat juist duf en stoffig, willen ze het bedrijfsleven in.’

Wladimiroff: ‘Jongeren zijn flexibeler dan wij vroeger waren, dat is waar. Maar ze hebben zoveel keuzes dat ze daardoor moeilijker tot een keus komen. Meer voor zich uitschuiven en uitstellen.’

Brinkman: ‘Een initiatiefrijke student krijgt enorm veel kansen. Er worden door werkgevers maatpakketten voor je gemaakt, of dat nou een extra studie is in het buitenland, of half studeren, half werken. Niet alleen door de conjunctuur, maar ook door de vergrijzing is de arbeidsmarkt erg gunstig voor nieuwkomers.’

Zuiderwijk: ‘En niemand blijft nog tien jaar op dezelfde plek hangen. Dat is ondenkbaar.’

Wladimiroff: ‘Jongeren ontberen vaak het vertrouwen stappen te nemen die niet vanzelfsprekend zijn. Ze moeten initiatief tonen, en ook dat is niet vanzelfsprekend. En het vertrouwen dat wat je kiest, zal slagen. Daarvoor moet je waarschijnlijk meer levenservaring hebben. Ervaring hebben dat de dingen die je doet, ook goed gaan.’

Zuiderwijk: ‘Maar het is ook niet erg als het een keer niet goed gaat. Dat hoort erbij.’

Wladimiroff: ‘En toch zitten veel jongeren met het vogelbekje open. Mensen die bij mij op kantoor komen en verwachten dat ik voor het werk zorg. Terwijl een advocaat niet alleen jurist is, maar ook ondernemer. Je moet zorgen dat je werk krijgt. Of het universeel is, weet ik niet, maar mensen zijn gemakzuchtiger geworden.’

Zuiderwijk: ‘Dat herken ik niet,’

Brinkman: ‘Ik maak me zorgen over verwachtingspatronen. Over het hebben van een huis en een auto, een vakantie naar Vietnam en dan weer naar Mexico. Jongeren zijn ondernemend, maar nemen ook heel veel hooi op hun vork.’

De samenleving is minder eenvormig geworden. Hoe moeten sollicitant en werkgever elkaar vinden?

Wladimiroff: ‘Ik ben opgegroeid in de minimale Russische kolonie die vroeger in Den Haag zat. Nu heet dat ‘allochtoon’. Het nadeel kan zijn dat je – misschien onbewust en onbedoeld – normen en waarden van een vrij gesloten groep meekrijgt, waar je in de samenleving niet veel aan hebt. Dat maakt het extra belangrijk dat je je openstelt voor de samenleving.’

Brinkman: ‘Ik ben daar dubbel in. Mijn studietijd was op het snijvlak van de tijd van de verzuiling en het openbreken daarvan. Toen werd op de VU beargumenteerd dat de weerbaarheid juist werd vergroot doordat mensen vanuit een zeker isolement elkaar hielpen.

Toen ik naar Amsterdam ging, was er thuis ook het beeld van hel en verdoemenis, de vrees dat ik met het verkeerde meisje zou thuiskomen. Eenzelfde spanning speelt nu bij allochtone studenten. Als jongere wil je niet meteen ruzie met je thuisfront. Je wilt ook vastigheden houden. Als via allochtone clubs sociale weerbaarheid wordt georganiseerd, vind ik dat niet verkeerd.’

Zuiderwijk: ‘Toen ik in de IT zat, is veel gedaan om meer vrouwen die branche in te krijgen. Als er eentje binnenkwam tussen allemaal mannen, was de kans dat het goed ging miniem. Als er een beetje massa is om onderling te klankborden, is de kans op doorbreken vele malen groter. Dat geldt ook voor allochtonen.’

Hoe cruciaal zijn sociale vaardigheden?

Wladimiroff: ‘Doorslaggevend. Het stomme is: je begint je werkzame leven op je vakvaardigheden. Naarmate je langer in een beroep zit, ontdek je dat die vakvaardigheden altijd zijn aan te leren, maar die sociale vaardigheden niet. Die heb je of die heb je niet. Iemand die civielrechterlijk is opgeleid kun je op zijn veertigste nog strafrecht leren. Maar je kunt niet meer leren om een goede advocaat te zijn.’

Brinkman: ‘Het scheelt enorm als mensen al geoefend hebben in hun studententijd met socialising, networking, enfin, hoe het ook heten mag. Dan heb je een stapje voor. Een student moet niet alleen op het spreekwoordelijke zolderkamertje zitten en negens halen. Kijk om je heen.’

Wladimiroff: ‘Als ik als werkgever kijk, dan is het een handige omstandigheid als ze een goede jurist zijn. Maar dat is niet uitsluitend waarop je kiest. Het gaat in dit soort praktijkberoepen sterk om sociale intelligentie.’

Zuiderwijk: ‘Dat geldt overal. Neem een verpleegkundige. Het vak is wat technischer geworden. Maar laat de sociale en communicatieve vaardigheden alsjeblieft goed zijn.’

De breedte in of specialiseren?

Brinkman: ‘Studenten kunnen de arbeidsmarkt verkennen en hun vaardigheden, ook hun sociale, toetsen. Een eerste moment is direct na de middelbare school. Dan zijn er zoveel mogelijkheden – ook met financiële ondersteuning – voor stages of studie in het buitenland. Er zijn onvermoede mogelijkheden. Ook die tomatenkwekerij in het Westland heeft internationale contacten. Maar ook tijdens de studie kun je serieuzere bijbaantjes doen om de wereld te verkennen. Hou het ook breed bij je eerste baan. Kies voor een grotere organisatie waar je eerst de breedte in kunt gaan voor je je specialiseert.’

Wladimiroff: ‘In mijn vak kun je naar een groot kantoor. Daar doe je drie jaar stage, en dan kun je gewoon weg. Dan weet je of het werkt of niet. Sommigen weten zeker dat ze advocaat willen worden maar niet welk specialisme. Dat zie je allemaal voorbijkomen op een groot kantoor met meer begeleiding. Degenen die het preciezer weten gaan naar een klein kantoor. Dan word je wel meer op jezelf teruggeworpen.’

Zuiderwijk: ‘Als je het nog niet precies weet, kies dan de breedte. Maar stel, je hebt de Pabo gedaan en weet zeker dat je voor de klas wilt staan, ga dan alsjeblieft voor de klas staan. Daar is niets mis mee.’

Hoe belangrijk is de brief?

Wladimiroff: ‘Zeer. Een sollicitatiebrief met cv is de eerste selectie. Wel of niet.’

Zuiderwijk: ‘Een cv is belangrijk omdat je daar ziet: heeft iemand nog een hobby? Dat is altijd grappig.

Wladimiroff: ‘Het mensbeeld spreekt eruit.’

Zuiderwijk: ‘Uit de brief blijkt of de schrijver wat heeft met de organisatie. Het gesprek daarna is echt belangrijk. Doorslaggevend.’

Brinkman: ‘Als ik zie hoe headhunters op de opleidingen al allerlei selectiemechanieken gebruiken, dat begint helemaal niet met brievenschrijverij. Veel studenten worden al gespot op de opleidingen. Ondernemingen nemen vaak jongelui aan ongeacht hun studie, alleen op hun sociale vaardigheid. Na een week introductie krijgen ze een soort examentje en komen dan in dienst van het bedrijf.’

Zuiderwijk: ‘In de zorg worden verpleegkundigen opgeleid in de praktijk, in je eigen ziekenhuis. Vakopleidingen zijn ook sexy, hoor. Maar in Nederland hoor je nauwelijks nog dat mensen carrière maken als verpleegkundige. Dat is ondergewaardeerd.’

Brinkman: ‘Klopt. Maar die headhunterij doet zich ook voor op het mbo en hbo. De bouw gebruikt het ook. Daar zijn niet alleen mensen met twee rechterhanden welkom, maar ook ict’ers. Staar je dus niet blind op een brief of cv.’

Wladimiroff: ‘Mijn oudste schoonzoon studeerde geschiedenis en werkt nu bij Heineken op de commerciële afdeling. Dat heeft geen donder met geschiedenis te maken. Hij is daar terecht gekomen dankzij zijn sociale vaardigheden en talenkennis. Zijn vak was irrelevant. Dat is de boodschap.’

Is werken altijd leuk?

Wladimiroff: ‘Werk moet wel heel erg een uitdaging zijn en bevrediging geven.’

Zuiderwijk: ‘We werken niet alleen meer voor het geld om de écht leuke dingen te doen. Werk behoort tegenwoordig ook tot die leuke dingen.’

Wladimiroff: ‘Maar dat is niet altijd waar te maken.’

Zuiderwijk: ‘Ik bedoel het ook niet elitair, ik denk dat je zinvolheid uit veel soorten werk kunt halen.’

Wladimiroff: ‘Ik wilde alleen benadrukken dat er soms teveel in een piramide wordt gedacht. Het idee van: ik moet de top van de piramide bereiken.’

Brinkman: ‘Mijn generatie kreeg onbewust het idee opgedrongen dat je binnen zoveel jaren chefje of bovenchefje moest worden. Dat zie ik minder. We moeten niet doen alsof ze allemaal voorbereid moeten worden op het voorzitterschap van een raad van bestuur.’

Zuiderwijk: ‘We moeten ervan af dat management het hoogste goed is.’

Hoe combineer je een carrière met een gezin?

Zuiderwijk: ‘Je moet een beetje onderhandelen. Toen ik twaalf jaar geleden startte in een directiefunctie, maakte ik een deal. Het gaat om het resultaat, niet om de prikklok. Ik werk een jaar lang vier dagen per week. Als mijn output daalt, dan hebben jullie een punt. Maar zo niet: einde discussie.’

Wladimiroff: ‘Mijn vrouw is ook advocaat en zelfstandige. Wij konden het zelf oplossen. En dat is gelukt. Er was geen systeem, we maakten per dag afspraken.’

Brinkman: ‘In mijn politieke tijd was ik mordicus tegen overheidsvoorzieningen voor kinderopvang. In mijn tijd was het bijna vanzelfsprekend dat de vrouw de zorgrol had. Ik geloof dat wij dat toen in goed overleg besloten hebben. Ik was er echt nooit, maakte weken van honderd uur en zij is er echt vijftien jaar tussenuit gegaan. Eigenlijk heb ik aan de opvoeding heel weinig gedaan.

Nu, als grootvader, bezie ik het anders. Onze kinderen met kinderen werken vier dagen. De werkgever moet wel instemmen, of ie het nou leuk vindt of niet. En ik merk dat die jongens kunnen koken, overhemden strijken; dat heb ik nog nooit gedaan! Ik zie nu dat het een hell of a job is om te werken met zijn tweetjes en voor kinderen te zorgen en een sociaal leven te hebben en me dit en me dat.’

Zuiderwijk: ‘Maar het onderwijssysteem is ook niet van deze tijd. Dat scholen om drie uur uitgaan en dat ze je kind om zes uur bij de crèche buiten zetten als jij met gierende banden komt aangescheurd.’

Mag je fouten maken?

Brinkman: ‘Absoluut. Niet alles is te plannen. Niet alles lukt meteen. Ook in je werk maak je fouten, zeker in het begin. Niemand wordt bij de eerste de beste fout zomaar ontslagen. Maar blijf er niet mee lopen als dingen niet goed lukken. Mensen in je nabijheid houden ervan dat iemand met z’n ups en downs voor de draad komt. Ga dus vooral niet binnenvetten.’

Zuiderwijk: ‘Je hoofd wordt niet meteen afgezaagd bij de eerste fout, al heeft het gros die angst. Ooit moest ik een cursus in het Engels geven over een IT-systeem waar ik niet bijster goed in was. Dat was peentjes zweten. Maar dan valt het altijd mee. Dat wil niet zeggen dat het altijd lukt. Dan baal je, maar het hoort erbij.’

Wladimiroff: ‘Toen we een jaar of zeven getrouwd waren, zei mijn vrouw: ik heb je door, je manoeuvreert je steeds vast, waardoor je wel móét. Ik zeg inderdaad vaak dat ik iets doe terwijl ik niet weet of ik het kan. Dan moet je wel.’

Zuiderwijk: ‘Het is een bekend verschil tussen man en vrouw in selectieprocedures. Dat mannen iets makkelijker zeggen: ik heb het nog niet gedaan, maar ik denk dat ik het wel kan. Terwijl vrouwen eerst alle valkuilen zien. De selectiecommissie denkt dan: zo’n onzekere nemen we niet. Vrouwen zouden luchtiger moeten zijn. Je kunt meer dan je denkt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden