Zinnebeeld van zelfgenoegzaamheid

Het Paleis van Justitie bovenop de Brusselse Galgenberg lijkt ontworpen om de onbeduidendheid van het individu te benadrukken. Het gebouw is onoverzichtelijk en ondoorgrondelijk als de Belgische jusititie zelf....

TEMIDDEN van alle dozen, surfplanken, honkbalknuppels, videorecorders en motoren valt hij nauwelijks op, maar hij is wel degelijk te vinden: de hand van de vermoorde pastoor Van Vlezenbeek. Nauwelijks leesbaar staat er een telefoonnummer op. En juist dat nummer is de reden dat hij wordt bewaard. De hand is bewijsmateriaal in de moordzaak, bewijsmateriaal dat hier, in de krochten van het Brusselse justitiepaleis, een 'overtuigingsstuk' wordt genoemd.

Wie twijfelt aan de cirkelgang van de geschiedenis, doet er goed aan even wat langer bij deze hand stil te staan. Want hier, bovenop de Brusselse Galgenberg, worden niet voor het eerst afgehakte lichaamsdelen bestudeerd. Bijna vijf eeuwen geleden gebeurde dat ook al. Toen sneed de anatoom-avant-la-lettre Andreas Vasalius de lijken van de gehangenen open, op zoek naar de geheimen van de lichaamsbouw.

Het volk van de Marollen, de Brusselse wijk op de hellingen van de Galgenberg, stond erbij en amuseerde zich. Een openbare executie was al een bron van vermaak, dus het is gemakkelijk voorstelbaar dat de zoektocht van Vasalius naar de bron van het kwaad in de mens alle belangstelling kreeg. Niet alleen ten positieve overigens: de anatoom zou later door de inquisitie worden vervolgd wegens ketterij.

Alle elementen van deze geschiedenis zijn te vinden in de huidige aankleding van de Galgenberg, die op zijn top het justitiepaleis torst.

De Galgenberg torst werkelijk het justitiepaleis. Het ontwerp van Joseph Poelaert wordt in de volksmond ook wel de mastodont genoemd. Nieuwkomers in het gebouw zwerven meestal verdwaasd rond langs de 576 zalen en kamers, verbonden door 150 trappen. Zo hoort het kennelijk: de wegen van de wet, net als die van God en de inquisitie, zijn ondoorgrondelijk.

Het paleis is zelfingenomen en onoverzichtelijk als de Belgische justitie zelf, schrijft de Belgische auteur Geert van Istendael. En dat klopt: het hele gebouw, nu ruim een eeuw oud, lijkt ontworpen om de geweldige macht van justitie en de onbeduidendheid van de individuele sterveling te benadrukken. Laat varen alle hoop, is de allesoverheersende gedachte van de beklaagde die hier binnentreedt.

N AAR VERLUIDT vond Franz Kafka in het gebouw zijn inspiratie om Het Proces te schrijven. Alleen al de entree met zijn 122 meter hoge koepel drukt de bezoeker met zijn neus op zijn eigen nietigheid. In het Frans wordt een grote hal van een gerechtsgebouw vaak de Salle des pas perdus genoemd, de zaal van de verdwaalde stappen - volgens sommige etymologen is die uitdrukking bedacht door de eerste generatie juristen die in Brussel moesten rechtspreken.

Maar het spannendste gedeelte van het Paleis van Justitie, de catacomben, blijft voor een gewone bezoeker, laat staan een verdachte, stijf op slot. Een journalist moet voor een bezoekje een schriftelijk verzoek indienen bij de Procureur des Konings, de heer B. Dejemeppe, die uiteindelijk laat weten dat het hem een eer is de aanvrager 'toe te laten een reportage te maken over de overtuigingsstukken bij de correctionele griffie te Brussel'.

In de kelders van het paleis liggen ze: de 28 duizend stukken die het sluitende, materiële bewijs moeten leveren of hebben geleverd voor de betrokkenheid van deze of gene bij dit of dat misdrijf. Honderden strekkende meters kastruimte. En wat niet in de kasten past, wordt op de grond gezet. Het is een bonte verzameling goederen: van vervalste merkkleding tot namaakchampagne, van schroevendraaiers tot motoren, van autoportieren tot golfclubs.

De spannendste afdeling blijft gesloten: die waar de wapens, drugs en pornografie worden opgestapeld. Als onze gids, griffier Lenaerts, ons weer een andere ruimte binnenleidt, keert hij even later op zijn schreden terug om een deur op slot te draaien. 'Laat ik die maar even verzegelen', zegt hij. 'Er lopen hier allerlei soorten mensen rond.'

Met vijftien man heeft Lenaerts handen vol werk aan het archiveren van de bewijsstukken. Binnen vijf minuten worden aan de balie achtereenvolgens een afgebroken vleesmes, een pistool en een schroevendraaier afgeleverd door de rijkswachters en leden van de gemeentepolitie. Allemaal keurig met een labeltje erop en een nummer.

Drie man zijn continu bezig om kasten leeg te maken en andere weer vol te stouwen: dit alles om het terugvinden te vergemakkelijken. In een verloren hoek staat een trimtoestel, merk Kettler Sport. 'Ik kan zo uit mijn hoofd niet zeggen bij welk misdrijf dit toestel is gebruikt. Eens kijken: dossier 10/98', zegt Lenaerts. 'Zo te zien moet u bij mevrouw De Boiser zijn, de onderzoeksrechter.' Maar mevrouw De Boiser heeft geen tijd om terug te bellen.

W IE HET justitiepaleis van nabij aanschouwt, verwondert zich niet langer over het grote aantal surrealisten dat België heeft voortgebracht. Architect Poelaert heeft een waarlijk fantastisch gebouw laten neerzetten, ontdaan van alle architectonische conventies van zijn tijd (de jaren zestig van de vorige eeuw). 'Neo-Babylonisch, neo-Egyptisch, neo-weet-ik-veel', noemt Van Istendael het.

In de Marollen waren ze niet blij met al zijn inspanningen: grote delen van de volkswijk moesten plat, en dat in een tijd dat voor de Brusselse arbeiders toch al weinig ruimte meer was. 'Skieven architek', scheldt een Marollenaar naar een yup die net uit een trendy galerietje komt. De yup, geen Brusselaar, begrijpt het niet en dat is maar goed ook, want hij heeft zojuist een vreselijke vervloeking naar het hoofd geslingerd gekregen.

Niet alleen Kafka liet zich inspireren door Poelaerts creatie, ook Hitler vond het fantastisch. Naar verluidt wilde de Führer Reichs-

architekt Speer iets dergelijks ook in Berlijn laten neerzetten. Zeker is wel dat het Vaticaan woedend was over deze menselijke grootheidswaan: het gebouw neemt met zijn 160 bij 180 meter dubbel zoveel ruimte in beslag als de Sint Pieter te Rome. Het verhaal gaat dat koning Leopold toen als tegemoetkoming maar de kathedraal op de Koekelberg liet bouwen, om God te geven wat God toekwam, als heerser over Babylon.

Van de Marollen is inmiddels weinig meer over. Het Zavelplein en de omliggende straten worden beheerst door kunst- en antiekwinkeltjes. Alleen richting de Hallepoort is iets van het oorspronkelijke karakter terug te vinden.

Maar zelfs daar overheerst het justitiepaleis de wijk, als om aan te geven dat menselijke anarchie geen kans krijgt zich aan het oog van justitie te onttrekken.

Toch zijn de Marollen, liever gezegd, is het volk erin geslaagd een bres te slaan in dat onneembare bastion. Wie het bordes heeft weten te beklimmen, stuit op een altaartje voor de talloze verdwenen en vermoorde kinderen. Het staat op een prominente plek, dus het oog van de bezoeker móet er wel op vallen. Maar tegelijkertijd is het zo onbeduidend tegen de achtergrond van het paleis zelf, dat het symbolisch wordt voor de onmacht van de Belgische bevolking zelf.

Beter kenmerk voor de waanzin van de Belgische justitie dan het justitiepaleis zelf is het niet. Passend daarom is het einde van Poelaert, in 1879: lijdend aan deliriums en dansend als een waanzinnige gaf hij de geest. De Marollenaren weten wel hoe dat kwam. Een van hen, een vrouw die als heks te boek stond, stak jarenlang spelden in het hoofd van een poppetje dat Poelaert moest voorstellen. Zo won het volk uiteindelijk van het individu; maar het volk verloor van de structuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden