Zingen in tijden van grote nood De late triomf van Berthold Goldschmidt

OPEENS WAS hij er, als een duveltje uit een doosje: Berthold Goldschmidt, componist. Eigenlijk was hij er al làng, maar wist niemand van zijn bestaan....

In het najaar van 1994 regisseerde Harry Kupfer tijdens de Berliner Festwochen een nieuwe enscenering van Goldschmidt's opera, 62 jaar na de eerste en enige uitvoering in Mannheim. Recensenten schreven laaiend enthousiaste artikelen, zangers bejubelden zijn partijen, het publiek onthaalde de man die in 1934 ternauwernood aan de nazi's was ontkomen en sindsdien in Londen woont op minutenlang applaus. Der gewaltige Hahnrei werd geprezen als een voorbeeld van zinnestrelende nieuwe muziek, toegankelijk, meeslepend en dramatisch. Er zat Puccini in, maar ook Berg, en Weill.

En nu? Plotselinge 'hypes' kunnen weer even snel verdwijnen als ze zich aandienen. Maar de muziekwereld lijkt nog niet uitgekeken op de kleine, nog onverminderd levenslustige man die zo lang over het hoofd was gezien.

Op 19 augustus vindt in Luzern de wereldpremière plaats van Goldschmidt's orkestrale liedcyclus Les petits adieux. Decca heeft alvast opnamen gemaakt met François Le Roux en het Montreal Symphony Orchestra onder leiding van Charles Dutoit, die ook de uitvoering in Luzern zal dirigeren. Bij Sony is net Goldschmidt's tweede opera Beatrice Cenci uit 1949 van de persen gerold, uitgevoerd door het Deutsches Symphonie Orchester Berlin onder leiding van Lothar Zagrosek en met onder anderen een glansrijke Roberta Alexander in de rol van Beatrice Cenci. Op Largo Records is een serie van drie cd's verschenen, waarop de vroege en late werken van Goldschmidt zijn gecombineerd.

Wat vroeger Goldschmidt's probleem scheen te zijn, blijkt nu zijn kracht. Goldschmidt schreef en schrijft nog steeds geen twaalftoonmuziek, hij experimenteert niet met klankmassa's en rekenkundige reeksen. Hij doet het niet met fractals, hooguit gebruikt hij, in navolging van Bach en anderen, letters uit namen om tooncombinaties samen te stellen. Goldschmidt componeert alleen, zo wordt met nadruk gesteld in het cd-boekje bij Beatrice Cenci, wanneer daartoe een emotionele drijfveer aanwezig is.

Daar is bij een geschiedenis als die van Beatrice Cenci - waar gebeurd verhaal over de dochter van een renaissance-vorst - ook alle reden toe. Incest, verkrachting, moord, omkoping en klassejustitie zijn zaken die een mens niet onberoerd laten, zeker niet wanneer een zestienjarige en haar moeder daarvan het slachtoffer worden.

Goldschmidt's drijfveer, hier aangewakkerd door een libretto op basis van de bloemrijke taal van Percy B. Shelley, is getransformeerd tot muziek die van de eerste tot de laatste noot in elke partij doordrenkt is van melodie. Alles zingt in elegante lijnen en charmante wendingen, soms dissonant, maar nooit met die expressieve, vèrgaande chromatische geladenheid die Goldschmidt's tijdgenoten tot norm hadden verheven.

Beatrice Cenci blijft zelfs in de momenten van grootste nood van een ondraaglijke lichtheid, die tegelijkertijd tot in de kern van het drama doordringt. De muziek is soms fondantzoet, maar desondanks smaakvol en bovenal uiterst kundig geïnstrumenteerd.

In dat opzicht vormt Beatrice Cenci een opmerkelijk contrast met de twee koorwerken die Goldschmidt in 1931 componeerde op tekst van Erich Kästner. Maskenball im Hochgebirge en Das letzte Kapitel, beide opgenomen in de cd-serie van Largo, hebben veel weg van de militante koorstijl in de Brecht/ Weill-stukken. Maar het lijkt erop dat deze stukken, hier en daar spits gearticuleerd met verrassende scherzi, in Goldschmidt's overwegend lyrische oeuvre toch een uitzondering zijn.

Opvallender dan de contrasten is de continuïteit die ondanks een forse breuk (van 1958 tot 1982/'83 componeerde Goldschmidt geen enkel werk) in de composities valt waar te nemen. Duidt een impasse bij een componist vaak op een stilte voorafgaand aan een radicale verandering (Haydn componeerde bijvoorbeeld tien jaar lang geen strijkkwartet om vervolgens een geheel nieuwe stijl in dat genre te introduceren), bij Goldschmidt lijkt het er op dat hij letterlijk zijn tijd heeft afgewacht.

Zijn werk is in de loop der jaren wat meer ingedikt, iets minder onbekommerd geworden misschien. Maar in het klarinetkwartet dat hij als eerste stuk na zijn generale pauze componeerde, is direct die licht-melancholieke toon te herkennen, evenals de polyfone maar ongecompliceerde stemvoering en de droge accenten van pizzicati en losse noten.

In Goldschmidt's strijkkwartetten is zijn ontwikkeling bij uitstek te volgen, al was het maar omdat zijn verrichtingen in dit genre een lange periode overspannen: van het eerste kwartet uit 1926 tot en met het vierde uit 1992. Het eerste en tweede kwartet (1936) zijn in formeel opzicht verwant, waarbij het tweede in veel opzichten een geprononceerdere versie van zijn voorganger lijkt: meer uitgesproken thema's en grotere contrasten tussen het dansante eerste en langzame derde deel.

De twee latere strijkkwartetten ontstonden na Goldschmidt's wederopstanding en bestaan beide uit één doorgecomponeerd deel. De sfeer is wat zwaarmoediger en het idioom wat dissonanter, maar verder zou je niet zeggen dat de vroege en late kwartetten zijn gescheiden door een periode van meer dan vijftig jaar, waarin zich een desastreuze wereldoorlog en een aantal revolutionaire muzikale ontwikkelingen voltrokken. Goldschmidt is trouw gebleven aan zijn eigen ideeën en maatstaven: muziek die direct aanspreekt, eerlijk en geïnspireerd is, en vooral vrij blijft van wat hij 'intellectuele schoudervulling' noemt.

In termen van muzikale vernieuwing zal Goldschmidt niet snel hoog worden aangeslagen, en dat was ook precies de reden waarom zijn werk zo lang onopgemerkt bleef. Het is muziek die haar tijd ontstijgt, omdat er in muzikaal opzicht niet gerefereerd wordt aan modieuze, tijdgebonden ontwikkelingen. Maar in die tijdloosheid is deze muziek voor haar waardering des te afhankelijker van het tijdsgewricht. Het is net als met Goldschmidt zelf. Hij dwingt het succes niet af, hij wacht geduldig tot de tijd rijp is.

Berthold Goldschmidt: Beatrice Cenci, Vier Lieder. Roberta Alexander, Simon Estes, Della Jones, Rundfunkchor Berlin, Deutsches Symphonie Orchester Berlin o.l.v. Lothar Zagrosek. Sony S2k 66836.

Berthold Goldschmidt: Letzte Kapitel. Mandelring Quartett, ars-nova ensemble Berlin. Largo 5115.

Berthold Goldschmidt: Früher und Später. Mandelring Quartett, Ib Hausmann, Kolja Lessing. Largo 5117.

Berthold Goldschmidt: Retrospectrum. Mandelring Quartett, Gaede Trio. Largo 5128.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden