Zilverwerk in de 19e eeuw

Wie in de 19e eeuw zijn gasten wilde ontvangen met zilveren serviesgoed diende zich op de hoogte te stellen van de laatste modes en rages....

Door Anne van Driel

Wie het in, zeg 1830, als gastvrouw van de gegoede burgerij presteerde thee te serveren uit een mooi gedreven kan op een zilveren pattipan, die had het toch heus niet goed begrepen. Opgetrokken wenkbrauwen en onderdrukte giechelbuien vielen haar ten deel. Een pattipan? Parbleu! Dat kon werkelijk niet meer. Van zwaar zilver of niet - een lekschaal onder een theepot was vreselijk uit de tijd.

Een zoutvatkransje - ook zoiets. Daar kon je omstreeks 1840 echt niet meer mee aankomen. Een waterkan met schenkkraantje? Kom je van een andere planeet ofzo? En had je 1860 nog steeds een tabakscomfort in huis, dan was de uitvinding van de lucifer je zeker ontgaan.

Het luisterde nauw, in de 19de eeuwse welgestelde kringen. Wie vermogend genoeg was om zich met zilveren voorwerpen te omringen - van koffieserviezen tot likeurlepeltjes, en van kandelabers tot profijtjes - diende zich op de hoogte te stellen van de modes en de rages, van de voorwerpen die in onbruik waren geraakt en van de allernieuwste snufjes. Om nog maar te zwijgen van de elkaar afwisselende stijlen waarin al dat zilverwerk vervaardigd werd. Al was er een constante: wie fortuin aan goede smaak paarde, kocht in de eerste helft van de 19de eeuw steevast bij Bennewitz en Bonebakker, destijds de grootste leverancier van zilverwerk in Nederland.

De kashouders Bennewitz en Bonebakker, die van 1802 tot 1821 een chique winkel aan het Thorbeckeplein in Amsterdam dreven (daarna splitste de winkel zich op in de leveranciers Bennewitz & Zonen en Bonebakker & Zonen), verkochten de ontwerpen van gerenommeerde zilversmeden. Van vele van hen zijn de namen nog steeds bekend. Het Rijksmuseum in Amsterdam bijboorbeeld rekent onder zijn meesterwerken de twee kastanjevazen van Theodorus Gerardus Bentvelt, de meestersmid die in 1840 ook de vergulde zilveren kroon voor koning Willem II vervaardigde. En de koffiekannen van Carrenhoff zijn op veilingen nog altijd een geliefd verzamelobject.

Die zilversmeden hadden allen hun eigen specialismen. Die waren vooral gebaseerd op modellen die in een bepaalde periode goed verkochten. Zo was Jacob Hendrik Stellingwerf in de eerste decennia van de 19de eeuw de aanvoerder op het gebied van brood-en seizoensmanden en gaf Christiaan Mensink tot 1810 de toon in ovale kandelaars aan. Vergelijkbare ontwerpen van andere smeden kwamen er bij Bennewitz en Bonebakker niet in, zij verkochten alleen het echte werk. Zilversmeden leverden uit dank voor die gedragscode hun goedlopende ontwerpen vaak niet aan andere kashouders. Bennewitz en Bonebakker verkochten hun toonaangevende ontwerpen dus exclusief.

Over Bennewitz en Bonebakker, hun meestersmeden en hun klantenkring, en over de zilveren voorwerpen die in opdracht van hen werden vervaardigd, schreef Barend J. Van Benthem het vuistdikke De meesterwerkers van Bennewitz en Bonebakker, Amsterdams grootzilver uit de eerste helft van de 19de eeuw. Dankzij het feit dat een groot deel van de administratie van Bennewitz en Bonebakker bewaard is gebleven, is Van Benthem in staat de vroegere gang van zaken tot in detail te reconstrueren. Dat doet hij dan ook met graagte: het eerste deel van zijn studie is een behoorlijk ontoegankelijke brei van gortdroge feiten. Daar staat tegenover dat de auteur erin geslaagd is voorwerpen aan Bennewitz en Bonebakker toe te schrijven, en gegevens op te diepen over nog onbekende kunstdrijvers en graveurs die bij het vervaardigen van de zilverwerken betrokken waren. Daardoor is zijn boek voor alle zilververzamelaars, conservatoren en kunsthandelaren een ware must.

Een feest (ook voor de leek) is echter het deel waarin het zilverwerk zelf, gerangschikt naar functie en stuk voor stuk afgebeeld, wordt besproken. En waarin voorwerpen met prachtige namen voorbij komen, waarvan je vaak niet wist dat ze hebben bestaan. Komkommerlepels, vinken speetjes, ziekenschuitjes, portwijnzeefjes. Van Benthem beschrijft niet alleen het gebruik van de koffie-en chocoladekannen, de zuurserviezen of de taarttroffels, hij laat ook de verschillende modes zien - van empire en biedemeier tot neo-gotiek - en alle technieken en variaties daarbinnen. Van de ovaal scheppende kandelaar tot kolommen met gaudronnen.

Alsof je een zeer uitgebreide bruidslijst van de vorige eeuw doorpluist. Welke zullen we nemen? De met ranken en trossen gegraveerde druivenschaar? Of de aspergetang met wipveer?n

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden