Zilver uit klei

Bij toeval werd het uitgevonden. Succesvol als plastic werd aluminium niet. Het wordt nog steeds geassocieerd met luxe en exclusiviteit....

TWEE materialen gaven de twintigste eeuw een ander gezicht: plastic en aluminium. En allebei zijn ze niet meer uit ons leven weg te denken. Ze zitten in alles dat we dagelijks gebruiken. Hun oorsprong lag in de negentiende eeuw, in de explosieve kettingreactie van uitvindingen die de industriële revolutie inluidden. De toepassing op grote schaal volgde pas later, in de twintigste eeuw. In het begin was er nog geen markt voor, die moest eerst overtuigd en veroverd worden.

Celluloid, het eerste plastic, was nog ontwikkeld met een markt in gedachten, als vrucht van een prijsvraag in 1869 van een biljartfabriek die een materiaal zocht om het kostbare ivoor in biljartballen te vervangen. Aluminium was er zomaar opeens, plotseling in zo'n uitvinders-laboratorium ontwikkeld, zonder een bepaalde toepassing voor ogen. Het appelleerde wel onmiddellijk aan de fantasie van Jules Verne. Hij voorspelde al in 1865 dat het vederlichte nieuwe metaal de reis naar de maan mogelijk zou maken.

Aluminium zit in graniet, gneis, glimmerschist en ander gesteente, in alle kleisoorten ook, maar als erts voor productie telt eigenlijk alleen bauxiet. Het was moeilijk te winnen, waarom het lang uiterst kostbaar was. In 1866 kwam de doorbraak, pas de levering op grote schaal van elektriciteit maakte fabricage mogelijk. Twee jonge uitvinders, ze waren allebei 22 jaar, de Amerikaan Charles Martin Hall en de Fransman Paul Héroult, ontdekten tegelijk en onafhankelijk van elkaar dat het via een elekrolytisch proces op grote schaal te produceren was. Opeens was het op de markt, maar het duurde nog een tijd voor het praktisch nut ervan werd ingezien.

Van het begin af aan sprak het ontwerpers aan en we zien in de eerste toepassingen sieraden, medaillons, een pièce de table, kleine sculpturen, een keizerlijke babyrammelaar voor de troonopvolger in spe en voor de vorst zelf een vederlichte paradehelm die hem bij officiële verplichtingen een hoop kopzorgen bespaarde. Voor iets anders dan als Schmuck leek het zachte materiaal niet geschikt. Maar Jules Verne stond niet alleen. In 1863 al ontwikkelde de Franse graaf Gustave Ponton d'Amécourt deels van aluminium een veelbelovend proefmodel voor een stoomhelicopter.

Voor het eerst - plastic is veel vaker en uitgebreid behandeld - is er nu een studie en een omvattende tentoonstelling aan het gebruik van aluminium gewijd, Aluminium by design, die het hele spectrum aan toepassingen bestrijkt - van de keukenpannenset tot de ruimtevaart die Jules Verne al voorspelde. Het is in ons leven een heel gewoon materiaal geworden, net als plastic, maar tegelijk heeft het ook iets bijzonders gehouden, synoniem voor hightech en highspeed.

Door het hele overzicht van anderhalve eeuw loopt een intrigerende constante: voor veel ontwerpers was het lichte en later door legeringen ijzersterke aluminium het ideale materiaal voor de stoel. Gerrit Rietveld en Marcel Breuer, Eero Saarinen en Frank Lloyd Wright, Mies van der Rohe en Otto Wagner, Frank Gehry en Philippe Starck: alle ontwerpers van naam hebben in hun eigen stijl - verlicht modern, revolutionair nieuw of nog teruggrijpend op de vormentaal van de negentiende eeuw - aluminium gebruikt voor een stoel.

Het leunstoelontwerp van Gerrit Rietveld stamt uit 1942, middenin de oorlog, toen al het beschikbare aluminium gevorderd was voor de Messer schmidtfabrieken van de Luftwaffe. De Stijl-architect was sterk geïnteresseerd in massaproductie en maakte een prototype voor een aluminiumstoel die hij uit één plaat had willen buigen. Toen dat onmogelijk bleek, voegde hij aan zijn vouwsel twee aparte schuine poten toe.

Hij had oorspronkelijk vezelplaat willen gebruiken, maar daar was niet aan te komen, gek genoeg wel aan aluminium. Volgens het verhaal kwam het uit de vleugel van een neergestort vliegtuig dat hem toegesmokkeld werd. Rietvelds ontwerp is een kuipvormige stoel met grote geponste gaten; licht en ruimtelijk maar in proportie wat ruw en kloek uitgevallen, nog niet helemaal in verhouding zo te zien, eerder een studie dan een ijkmodel voor een productielijn.

Aluminium by design is een Amerikaans onderzoek en het staat daarom even stil bij een Great Moment in de Amerikaanse geschiedenis. Op een natte, kille dag in december 1884 werd het grootste monument in de geschiedenis van het land voltooid. De herdenkingsnaald voor George Washington werd bekroond met een puntje aluminium als bliksemafleider, het trotse handwerk van de enige man in Amerika die toen aluminium kon vervaardigen, William Frishmuth uit Philadelphia, een emigrant uit Duitsland.

Er was hem een topstukje van brons gevraagd, bekleed met platina. Het moest bestand zijn tegen roest en geen vlekken weglekken op het witte marmer van de obelisk zelf, vandaar de bekleding van platina. Frishmuth was uitgezocht om zijn ervaring met bekleden en niet om zijn kennis van aluminium. Hij was gepassioneerd van het nieuwe materiaal, 'zilver uit klei' zoals het toen juichend werd genoemd, en wist zijn opdrachtgevers over te halen om dat voor het historische monument te gebruiken. Voor de geschiedenis is het moment van plaatsing vastgelegd op een gravure, gemaakt naar een ter plekke vervaardigde schets. De fotografie, die andere uitvinding uit deze tijd van grote ontdekkingen, was nog te primitief om de gebeurtenis te vereeuwigen.

In zijn eeuw van oorsprong werd het nieuwe lichte metaal op de wereldtentoonstellingen geïntroduceerd in vele toepassingen; als kostbaar kleinood en als eenvoudige koffiekan, als onderdeel voor precisie-instrumenten en als omslag voor een gebedenboek. Zelfs in de mode werd toen al aluminium gebruikt. Een grote vlucht nam het pas een eeuw later, zoals zoveel materialen en technieken, in de massaproductie waar de oorlogsindustrie om vroeg.

Al in de Tweede Wereldoorlog werd het fundament gelegd voor nieuwe toepassingen in vredestijd. Een advertentie van een Amerikaanse aluminiumfabriek uit de jaren veertig toont een wereld van aluminium in een vogelvlucht impressie van een suburb. Het zit in alles: in auto's en pick-ups, in de kisten en kratten die in de laadbak staan, in raamkozijnen en dakbedekkingen, in ladders en lantaarnpalen, in gevels en in deuren. Het gebeurde niet alleen in Amerika: al in mei 1945 gaf de Britse minister voor vliegtuigproductie de vliegtuigindustrie in Engeland een order voor vijftigduizend aluminium noodwoningen, om de woningnood te lenigen die door de Blitz was ontstaan, de Duitse bombardementen op Londen, en om de opgevoerde industrie en een leger arbeiders aan het werk te houden.

Vooral in Amerika werd aluminium het symbool van de vooruitgang in die typische stroomlijn-architectuur waaraan alles wat snelheid uitbeeldde werd onderworpen: de auto, de choo-choo-trein, de Greyhound-bus en die prachtige matzilveren caravan als een cocon die zich aan elke luchtweerstand lijkt aan te passen, de Airstream Trailer. En natuurlijk - maar dat was door de oorlog al vanzelfsprekend geworden - het vliegtuig.

Aluminium by design. Jewelry to Jets, opgezet door het Carnegie Museum of Art in Pittsburgh, schetst die ontwikkeling en richt zich in zijn voorbeelden vooral op het ontwerpen. In advertenties voor het lightmetal die betrekking hebben op het huishouden komen vertederende momenten voor - met reclamecampagnes die meer aan instructies met schoolplaten doen denken dan aan de lancering van een revolutionair product. Het had, in de keuken van toen, in zijn vormgeving nog niets van de ultieme stroomlijn waarmee aluminium later vereenzelvigd werd. Het nam gewoon de vorm over die er al was; van de gietijzeren potten en pannen die nog waren ontwikkeld voor het met hout of kolen gestookte fornuis.

Het materiaal heeft veel ontwerpers uitgedaagd, van architectuur tot haute couture. Een van de eerste en mooiste toepassingen in de architectuur vormen de ontwerpen van Otto Wagner voor het gebouw van Die Zeit en voor een spaarbank in Wenen, gebouwd tussen 1902 en 1906. De lijn van zijn innovatie is rechtstreeks door te trekken naar architectuurpioniers uit onze tijd als R. Buckminster Fuller en Jean Prouvé.

Aluminium werd - net als plastic - een heel gewoon alledaags materiaal, voor alles geschikt. Maar bleef vreemd genoeg tegelijk ook een heel bijzonder, exclusief, luxe en edel materiaal, als het ware geschapen voor het ontwerpen van sieraden. De vroegste voorbeelden daarvan werden ontworpen voor het hof van Napoleon III, de Franse keizer die een enthousiast promotor van het 'zilver uit klei' was.

Er loopt, anderhalve eeuw lang net als bij de stoel, door de ontwerpgeschiedenis van aluminium een constante lijn van dat keizerlijk hof naar de sieraden ontwerpers van nu, van René Lalique's tiara uit 1899 naar de arm- en halsbanden van buigbaar kachelpijp uit 1967 van Gijs Bakker. Het was een nieuw industriëel product, in alle mogelijke bochten en krommingen te buigen, voor iets alledaags als luchtverversing ontworpen, maar de kunstenaar zag een andere, feestelijker toepassing. Met blik, de voorganger, zou dat onmogelijk zijn geweest. Het zachte zilver uit klei vlijde zich als vanzelf om hals en armen, blik zou bloedspatten hebben veroorzaakt.

Sarah Nichols: Aluminium by design. Harry N. Abrams, Inc., Publishers, fl 194,40.

De gelijknamige tentoonstelling in het Carnegie Museum of Art in Pittsburgh loopt t/m 11 februari, gaat daarna op tournee door de VS en Canada en eindigt in het Design Museum in Londen, 7 oktober 2002 t/m 3 januari 2003.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden