Zijn stem was gebarsten, zijn ogen onverschillig

Rang

Voorafgaand aan een poëzieavond dronk ik wat met de organisatoren. Met een half oor luisterde ik naar wat de tafelgasten zeiden. Zo af en toe bracht ik zelf ook iets in. Tussen de gesprekken door kwamen twee zinnen aangevlogen uit tijden van weleer. Ze vroegen erom onmiddellijk opgeschreven te worden. Ik pakte mijn notitieboekje en schreef ze op. De tafelgenoten zwegen. Ik was bang me aan te stellen: kijk, hier zit een schrijver te schrijven.

De zinnen die ik zo nodig moest noteren, stamden uit de wereld van de reclame. 'Rang is alleen Rang als er Rang op staat.' Rang was een rond zuurtje dat zich lekker liet wegsabbelen. De andere slagzin: 'Wat Kan kan kan Kan alleen.' Kan was, geloof ik, een juwelier in Den Haag. In ieder geval rees het beeld van Den Haag bij me op en direct daarna zoomde mijn herinnering in op een specifieke locatie, een groot huis aan de Lange Vijverberg. Ik was een jaar of 11, 12 en het was oorlog. Uit dat huis (een bordeel, maar dat wist ik toen nog niet) stapte op wankele benen een Duitse soldaat. Hij legde zijn hand op mijn schouder en gaf me een dubbeltje. Hij wilde dat ik zijn fiets haalde die om de hoek stond. Toen kwam er een hogere in rang naar buiten en riep hem streng tot de orde. De soldaat salueerde hakkenklappend en viel bijna om. Ik maakte dat ik weg kwam.

Wat woorden kunnen wakker roepen! Via een woord uit een reclame beland ik pardoes in de Tweede Wereldoorlog. In Language Made Plain (Uitg. Fontana, 1975) schrijft Anthony Burgess: 'Woorden zijn niet alleen voor meer dan één uitleg vatbaar, maar hebben een exotische waarde. Het woord 'moeder' heeft in het woordenboek een duidelijke betekenis (Van Dale: vrouw in relatie tot het kind dat of de kinderen die zij gebaard heeft) maar vanwege de filiale status, door iedereen gedeeld, is het gedrenkt in een traditie van sterke gevoelens, het heeft een krachtige emotionele bijbetekenis.'

Die heeft bij mij ook het woord 'oorlog' (Van Dale: strijd tussen twee of meer volkeren, vorsten of staten). Ik heb er veel gevoelens bij, de meeste verdrietig. Ik heb er nauwelijks woorden voor. Voor mij is het de oorlog, de enige oorlog die ik heb meegemaakt, mijn oorlog. In november 1944 woonde ik in Epe aan de rand van een bos. Daar zochten op hun terugtocht twee Duitse tanks toevlucht met bemanning, jonge jongens van 16, 17. Een ervan was Heinz, een grote jongen met zware, moederlijke heupen, die uit Hamburg kwam. Hij was met vriendjes aan het voetballen, toen ze hem hadden opgepakt, een opleiding van drie weken gegeven en naar het front gestuurd. 'Scheiße', zei hij tegen alles. Zijn stem was gebarsten, zijn ogen onverschillig. Twee jaar ouder dan ik en hij had alles meegemaakt. Zijn voetballende vriendjes waren of werden stukgeschoten. Hij wist wat een handgranaat teweegbrengt. Er kleeft bloed aan zijn handen. Hij kan een tank besturen. Hij was Duits en verloor de oorlog. Hij zou nooit meer jong zijn.

Scheiße.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.