portrettenmedewerkers verpleeghuizen

Zij staan in de verpleeghuizen: ‘Tranen in de ogen, en je kan ze niet wegpinken achter die veiligheidsbril’

Vijf verzorgenden en verpleegkundigen vertellen over hun ervaringen op de werkvloer, waar corona alles anders heeft gemaakt. Over hun loyaliteit met en zorg voor cliënten met wie ze soms al jaren een band hebben en van wie ze soms eerder dan verwacht afscheid moeten nemen.

In de coronacrisis vallen de grootste klappen in de verpleeghuizen. Daar wonen de kwetsbaarste ouderen die lijden aan vergaande dementie of chronische lichamelijke aandoeningen als parkinson, ms en diabetes. Ook zorgorganisatie WelThuis voert een moeizame strijd tegen het virus in haar zeventien verpleeghuizen in Zuid-Holland. Om de andere huizen zo veel mogelijk ‘schoon’ te houden zijn zelfs twee speciale‘covid-centra’ opgetuigd voor coronapatiënten. Maar het lijkt vechten tegen de bierkaai: mede door het ‘dwaalgedrag’ van bewoners met dementie zijn de besmettingen in sommige verpleeghuizen nauwelijks meer in de hand te houden.

Arina Markus (50), verzorgende in een verpleeghuis in de Krimpenerwaard

‘Kort na het bezoekverbod werden twee bewoners en twee personeelsleden bijna tegelijkertijd ziek. Waarschijnlijk is het virus net na de voorjaarsvakantie in ons verpleeghuis geslopen, toen bezoek nog was toegestaan. Een van de zieken heeft dementie, vertoont dwaalgedrag en was ook al op andere kamers geweest. Dus we moesten ervan uitgaan dat de besmetting al om zich heen had gegrepen.

Arina MarkusBeeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

We zijn toen cohort gaan verplegen, zoals dat heet: we zonderden de covid-patiënten af, branddeuren in de gang gingen dicht. Op de corona-afdeling, eerst vijf kamers en later meer, verplegen we helemaal beschermd, met mondkapjes en bril op, schort en handschoenen aan.

Alle bewoners blijven zoveel mogelijk op hun eigen kamer. Ze komen niet meer in de gemeenschappelijke ruimte. Dat is best lastig. Je hebt bewoners met dementie die het allemaal niet begrijpen en de zorg soms afweren. Die proberen we dan met kunst- en vliegwerk toch te leveren.

Ze kunnen agressief worden, of juist heel verdrietig. Met beeldbellen proberen we familieleden in te schakelen, om ze rustig te krijgen. We zijn ook helemaal ingepakt, ze herkennen ons niet meer. Soms willen ze hun medicatie niet. Als ze benauwd zijn, krijgen ze zuurstof. Dan halen ze het slangetje uit hun neus.

Wat ik echt vervelend vind, is dat je puur klinisch bezig bent. Ik ken mijn cliënten, en zij kennen mij, soms al jaren. Normaal begeleid je het stervensproces liefdevol, nu ben je vooral zakelijk en bijna anoniem bezig. Ze moeten de familie al missen, en daar sta jij dan aan hun bed, in je robotachtige pak.

Er zat hier een echtpaar van in de 80. De man kreeg covid, ging naar het ziekenhuis en overleed. Zijn vrouw kon niet bij de uitvaart zijn, want heeft ook covid. De begrafeniswagen is langs het verpleeghuis gereden. Zij stond in de tuin, om een laatste afscheidsgroet aan haar man te geven.

Daarna heeft ze de uitvaartdienst online gevolgd. Dan probeer ik haar zo goed mogelijk te begeleiden. Maar dan staan de tranen wel in mijn ogen – en ik kan ze niet eens wegvegen achter zo’n veiligheidsbril. Dat is echt een drama, zoveel persoonlijk leed.’

Wendy Latuny (39), verzorgende in een verpleeghuis in de Krimpenerwaard:

‘We hebben 32 cliënten en ik denk dat het merendeel corona heeft. Elke dag om 12 uur hebben we overleg met het uitbraakteam. Dan gaat een verzorgende of een verpleegkundige met de locatiemanager in overleg en bespreekt de zieke bewoners, daarbij is met een laptop beeldcontact met een arts.

We hebben het razend druk, ook omdat we met wat zieken onder het personeel zitten. Je moet de ziekste cliënten goed in de gaten houden. Iedereen moet op tijd medicatie krijgen, en iedereen moet ook eten en drinken. Ik heb soms het idee dat het hier een ouderen-ic is. Acht of negen cliënten zijn al overleden.

Wendy LatunyBeeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Verzorging in de terminale fase is de mooiste zorg die er is. Maar in deze omstandigheden, door de drukte en vrijwel zonder familie, is dat heel moeilijk. Als iemand op sterven ligt, mogen er maximaal twee familieleden voor enkele uren per dag bij. We hebben twee of drie terminale mensen nu. Er zijn mensen die echt alleen zijn. Daar ga je dan bij zitten. Maar als de bel gaat en je weggeroepen wordt naar een andere cliënt, moet je maar hopen dat mevrouw een halfuur later niet is overleden. Dat gaat ons allemaal aan het hart.

Sterven is onvoorspelbaar, en met corona kan dat heel snel gaan. Als ik bij iemand naar binnen loop, denk ik: ik hoop niet dat ze al is gegaan. Dat laatste mooie stukje zorg zit in de verdrukking. Sommige cliënten wonen er al jaren en je bouwt echt een band met ze op. Ik denk dat wij als verzorgenden de cliënten net zo goed kennen als hun eigen familie.

Je rent van de ene naar de andere cliënt. Er is een handjevol niet besmette mensen – die probeer je zoveel mogelijk op de eigen kamer te houden. Zij zijn ook kwetsbaar en mogen niet vergeten worden. Soms is net alsof je als een kip zonder kop rondloopt. Om 12 uur uitbreekteam, om 2 uur morfine, om 3 uur familie bellen. Het is chaotisch en emotioneel, maar ik heb nauwelijks tijd om daarover na te denken.’

Shanti Baktawar (43), verpleegkundige in covid-centrum Zoetermeer:

‘We hebben dit covid-centrum, op de tweede etage van een GGD-gebouw, in drie dagen opgezet. Toen ik hoorde van de plannen, heb ik me meteen opgegeven. Dit is het moment dat je echt iets kan doen. Dit zijn heel kwetsbare mensen die ook nog eens het virus dragen. Ze zijn angstig en extra kwetsbaar.

Zelf ben ik niet bang voor het virus, absoluut niet. Ik ben vooral bang dat als ik het krijg, ik moet uitvallen op de werkvloer. Op dit moment hebben we 14 cliënten die positief zijn getest. Vorige week is helaas een meneer met dementie van in de 70 overleden – gelukkig was zijn zoon erbij. We hebben een mevrouw die terminaal is. Ze heeft ouderdomsklachten, is lichamelijk op. Dan helpt covid-19 ook niet erg.

Shanti BaktawarBeeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

We zijn wel gewend dat mensen overlijden. Maar de manier van overlijden is nogal pittig. Het stervensproces gaat zo snel. Overdag zitten ze op in hun stoel en lijkt het goed te gaan, en dan ineens zie je ze wegzakken en een paar uur later overlijden ze.

Het ergst vind ik dat ze zo geïsoleerd en eenzaam zijn, ver weg van hun geliefden. Natuurlijk is er contact via telefoon, Facetime of Skype. Maar dan zie ik een dame van 94, die mist het fysieke contact, de knuffel, de kus. Ik zie het verlangen. Maar de familie mag het niet, en wij ook niet. Dat doet echt pijn.

Mensen met dementie kun je niet altijd isoleren, kun je moeilijk uitleggen dat ze op hun eigen kamer moeten blijven. Het voordeel van een covid-centrum is dat alle cliënten die daar verblijven, besmet zijn. Ze mogen overal komen en rondlopen. Het is wel moeilijk. Als je een cliënt geholpen hebt, willen ze graag knuffelen. Dat kan natuurlijk niet. We geven ze dan maar een knipoog of een snelle aai over de arm, en maken grapjes om het gemis te verzachten.

Ze zijn door de verhuizing wel verward en gaan dwalen door hun nieuwe huis. We hebben extra codesloten op de voordeuren geplaatst. Er zijn twee gemeenschappelijke ruimtes waar ze met kleine activiteiten worden bezig gehouden. We praten met ze, we puzzelen en tekenen, er wordt gezongen, we maken een wandelingetje over de gang.

We hebben gelukkig voldoende beschermingsmiddelen. We doen er wel zuinig mee. We nemen slechts één keer per dag pauze, om het wisselen van kleding zoveel mogelijk te beperken.’

Lucia van Wijnen (33), werkzaam in covid-centrum Bergambacht:

‘Het is belangrijk dat we in de Krimpenerwaard een eigen plek geven aan coronapatiënten om de besmetting binnen de verpleeghuizen zo beperkt mogelijk te houden. Ik heb dit covid-centrum, in een hotel, helpen opzetten. Het is fijn om in deze tijd iets te kunnen doen. Gevaarlijk vind ik het niet. We beschermen ons goed, we zijn van top tot teen ingepakt.

We hebben het voor mensen met dementie zo veilig mogelijk gemaakt. We hebben een alarm op de deur, dan hoor je wanneer iemand toch naar buiten gaat. Ze hebben een gps-tracker als een soort horloge om de arm, als uiterste redmiddel. Want ze zijn best vernuftig om toch buiten te komen.

Lucia van WijnenBeeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

De longen van onze cliënten zijn echt aangetast. Ze hebben niet veel zuurstof, zijn snel vermoeid en hebben weinig energie. Ze hebben een zuurstoftank, slangetje in de neus, met kapje of neusbrilletje. De verpleging is anders dan normaal, heel klinisch. Wat is de bloeddruk, zuurstof, temperatuur? In een gewoon verpleeghuis ben je veel meer bezig met het welzijn van mensen. Hier heb je echt geen tijd om een spelletje te doen, mensen zijn er ook vaak te ziek voor.

Het is dankbaar om te doen, voor mensen die heel ziek zijn en zorg nodig hebben. Mensen zijn ook echt ziek. Ze vinden het fijn om een praatje te maken. Echt belangrijk is dat, zo’n gesprek over hoe ze het allemaal ervaren. Sommigen komen uit het ziekenhuis- als ze hier komen, hebben ze veel trauma’s.

Gelukkig heeft elke kamer grote openslaande deuren. Die laten we dicht, maar de familie kan wel een raambezoek brengen. Die staan voor de ramen en zien hun dierbare. Dat is een heel belangrijk contact. Sommigen zijn echter zo ziek dat ze het niet meekrijgen.

Voor mensen met dementie is het helemaal triest. Ze zijn al uit hun vertrouwde omgeving gehaald, met de vertrouwde gezichten, en zien opeens allemaal vreemde gezichten achter mondkapjes en veiligheidsbrillen. Dat maakt het extra verwarrend. Als ze heel onrustig zijn, bellen we de familie om even langs te komen. Dan verschijnen ze voor het raam. Op dat moment worden ze wel rustiger. Maar als de familie weer weggaat, is dat ook verwarrend. Voor beide kanten is dit heel lastig en pijnlijk.’

Anna Kuipers (24), verpleegkundige in covid-centrum Bergambacht

‘De meeste cliënten blijven op de kamer . In de gemeenschappelijke ruimte komen ze nog niet veel. Twee dames, goede vriendinnen van elkaar, zijn laatst bij elkaar op visite geweest. Dat is wel erg leuk om te zien. Noemen we ze cliënt of patiënt? Daar worstelen we soms zelf ook mee. Normaal spreken we van cliënt, maar als ze uit het ziekenhuis komen patiënt.

We hebben hier al meerdere overlijdens meegemaakt. Een collega en ik zaten dinsdag aan het bed van een man toen hij stierf – zijn familie had afgelopen weekend al afscheid genomen. Dat zijn heftige ervaringen, maar is ook mooi om te doen.

Anna KuipersBeeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Als iemand terminaal komt te liggen, weten we wie we nog kunnen doorsturen naar het ziekenhuis en wie niet meer wil worden ingestuurd of gereanimeerd. Dat is al in overleg met de cliënt of familie en de huisarts afgesproken.

Het is vergelijkbaar met een gewoon verpleeghuis, maar we zijn wel veel alerter. Want iemand kan zomaar heel snel achteruit gaan. Temperatuur, bloeddruk, pols en zuurstof monitoren we dagelijks. In een gewoon verpleeghuis heb je alleen contact met artsen bij bijzonderheden, hier heb je dagelijks contact.

Sommigen zijn echt goed ziek. Een aantal mensen ligt terminaal, die komen in een week te overlijden. Dan komt familie, goed ingepakt. Het zijn meestal patiënten op leeftijd, met onderliggende kwalen. Ze zijn in een ver stadium van dementie of hebben longproblemen; covid-19 geeft ze dan het laatste zetje.

Je weet dat mensen gaan overlijden, het is onderdeel van je vak. Ik vind het mooi om palliatieve zorg te geven. Iemand moet wel comfortabel zijn. We blijven praten tegen de mensen, die morfine krijgen tegen de pijn en voor het comfort. Eigenlijk is het in het covid-centrum niet veel anders. Het grote verschil is dat familie en mantelzorgers er niet bij zijn. Dus maken wij een extra rondje langs de kamers om een drankje aan te bieden en praatje te maken.

Vervelend is wel dat we helemaal ingepakt zijn. Dat is onze en hun wereld in het covid-centrum. Met mondkapjes en bril op herkennen ze je niet eens. Ik schrijf mijn naam op mijn schort, anders weten ze niet wie ik ben.’

Lees meer over de gevolgen van het coronavirus

Jan Schaapherder (89) stierf alleen, in het verpleeghuis, zonder zijn vrouw en kinderen aan het bed. Een verpleegkundige heeft tijdens de laatste ogenblikken zijn hand vastgehouden.

Zorgwerknemers vrezen dat zij zelf de grootste verspreiders van corona in de verpleeghuizen zijn. ‘Ik heb haar zonder beschermende kleding naar haar kamer teruggebracht. Wat kon ik anders?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden