Ziekenhuis

SYLVIA WITTEMAN

Mijn moeder ligt in het ziekenhuis. Een kleine operatie, niks ernstigs, maar toch: een ziekenhuis. Als ik alleen al aan een ziekenhuis dénk, word ik beslopen door knagende angst. Dan ga ik voor de spiegel staan en met een zaklamp in mijn mond schijnen op zoek naar eventuele keelkanker, dwangmatig aan mijn polsslag voelen of er soms een hartaanval op de loer ligt, en dergelijke hypochondrische dwangmatigheden. Van het woord 'bezoekuur' stijgt mijn bloeddruk al naar gevaarlijke hoogten. Kortom, ik mijd ziekenhuizen als de pest. Dat gaat in principe prima, zo lang je zelf niet ziek bent. Of je moeder. Die laat je niet in haar eentje voor lul liggen in zo'n eng ziekenhuis. Het is maar een klein, mager moedertje bovendien, en God weet wat ze daar te eten krijgt. Dus ging ik er gisteren toch maar heen, met bloemen, versnaperingen, een valiumpje achter de kiezen en de dood in het hart.

Bij de ingang ging het al mis. Daar zaten allerlei menselijke wrakken in rolstoelen, deels voorzien van gips, enge buizen en plastic zakken met bloed, pis of wat dan ook, tevreden in het zonnetje te roken alsof er niets aan de hand was. Eenmaal binnen werd het er niet beter op. Als je nooit in ziekenhuizen komt, is het niet eenvoudig om kamer 24 te vinden op afdeling 3A volgens route 31. Zeker niet als je tijdens de speurtocht allerlei alarmerende taferelen aantreft: een uitgemergelde, lijkbleke man met een zuurstofmasker, die roerloos op een bed gezeten de hand vasthoudt van een uitgemergelde, lijkbleke vrouw met een schaaltje pruimen op schoot. Een gesloten deur met daarop de even onbegrijpelijke als omineuze tekst 'Er liggen stuwbanden binnen!' Drie schor jammerende Turkse vrouwen en een bedremmeld klein jongetje die ieder een groezelig tupperwarebakje met onduidelijke etenswaren de lift in dragen.

Ik vond mijn moeder, liggend in een ingewikkeld bed, met een rubber slang aan haar nek die daar niet hoorde. Tegenover haar zat een bejaarde, dodelijk bedroefde Marokkaanse man in een gestreepte djellaba uit het raam naar het razende verkeer te staren. Er kwam een vierkante verpleegster binnen die heel hard tegen mijn moeder scandeerde: 'MEVROUW! HOEVEEL PIJN HEEFT U OP EEN SCHAAL VAN 1 TOT 10?'

Pijn had mijn moeder niet. Wel honger. Ze kreeg een dienblad voorgezet met lijmige instant-aardappelpuree en van verdriet gestorven kip. Gelukkig had ik, behalve chocoladetruffels en kaaskoekjes ook een schroefbekertje met daarin één borrel voor haar meegenomen. Daar fleurt een mens van op: zeker een oud mens, in een ziekenhuis. Toch jammer voor die arme Marokkaan, dat die van zijn God niet drinken mocht. Maar aan alles werd gedacht: er kwam een jonge, mooie, streng gehoofddoekte vrouw binnen met een verschrikkelijk schattig klein meisje aan haar hand. De oude man trok het kind op schoot en begon te stralen als een opgaande zon. We straalden allemaal een beetje terug. Met een gerust hart liet ik mijn moeder achter. Vanmiddag ga ik weer, maar dan met twéé borrels.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden