Zieke Kissin geeft hem toch nog flink van jetje

Er bestaan pianolarollen waarop prestaties zijn vastgelegd van oude klaviervirtuozen. Overgebracht op de plaat, klinkt hun spel soms zo onwezenlijk vingervlug, dat er reden is tot twijfel: is dit negentiende-eeuwse toetsentovenarij, of is er gesjoemeld met de snelheid van het afdraaimechaniek?...

Iets in die geest moest je je ook afvragen toen Jevgeni Kissin zondag in zijn Amsterdamse recital was aangeland bij de 'oriëntaalse fantasie' Islamey, een virtuozenstuk uit 1869 van de Rus Balakirev.

De oude klavierleeuw Julius Chaloff legde het ooit vast op een pianorol van het merk Ampico. Een grammofoonplaat waarop die rol te horen is, biedt de impressie van een ivoortemmer die het nog één keer mag doen, om vervolgens met piano en al uiteen te spatten.

Jevgeni Kissin bleef zondag gelukkig heel. Maar de vraag was hoe hij het voor elkaar kreeg. Van sjoemelen kon geen sprake zijn. Wel van een soort automatische piloot. Kissin zette verbluffend snel in, accelereerde zelfs, maar wekte de indruk er niet helemaal bij te zijn. De notencascades van Islamey zijn variaties op folkloristische melodietjes. De charme ervan kwam niet uit de verf.

In het slotapplaus weerklonk niettemin ontroering. Kissin is van een zo zeldzaam pianistentype, dat je, mocht je onverhoopt niet heel uitbundig voor Kissin willen klappen, altijd nog klapt voor het fenomeen, voor het wonderlijke feit dat er zoiets als een Kissin bestaat.

Zijn recital, met sonates van Schumann en Skrjabin als hoofdonderdelen, kende meer momenten van afwezigheid. Momenten waarop de vertolker onverstoorbaar uitblonk in de van hem bekende pianistiek van dynamische extremen en ritmische stuwing, maar het contact met de muzikale boodschap kwijt leek te zijn. Alsof het fenomeen zijn dag niet had.

Het had inderdaad zijn dag niet. Kissin blijkt onder de antibiotica te hebben gezeten, op een haar na geveld door een kwaal aan de bronchiën.

Chapeau dus voor Kissin, die ook momenten wist te etaleren van grote bevlogenheid. Zoals in het uitgebreide slotdeel van Schumanns eerste sonate, een mozaiekvormige finale die vaak is uitgemaakt voor 'minder sterk'. Het uitbotten van muzikale gedachten is hier geen kwestie van onevenwichtigheid, maar van Schumanniaanse verdienste. Je hebt een bevlogene als Kissin nodig die dat aantoont.

Vier toegiften (een paar Skrjabins, Liszts Rigoletto-parafrase en Rimski's Vlucht van de hommel), en toen mocht Kissin onder de wol.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden