Zeven vragen staatswiet

Zeven vragen over de proef met ‘staatswiet’

Het experiment met de teelt van 'legale' cannabis moet in meer gemeenten plaatsvinden dan in het regeerakkoord is afgesproken. Dat adviseert de commissie Experiment gesloten coffeeshopketen woensdag aan het kabinet. De belangrijkste adviezen op een rij.

Foto Getty Images

1. Wie gaan de ‘legale’ wiet telen?

De commissie adviseert ‘een beperkt aantal betrouwbare hooggekwalificeerde telers’. Knottnerus denkt aan ‘vijf tot tien telers’ voor het hele experiment in alle gemeenten. De toewijzing aan veel meer telers maakt het toezicht volgens hem lastig. En bij te weinig telers is er ‘te weinig concurrentie wat betreft kwaliteit, variëteit en prijs’. De telers moeten een integriteitsscreening (Bibob) kunnen doorstaan. De adviescommissie verwijst in het rapport vaak naar de gesloten keten van medicinale cannabis, waarbij slechts één bedrijf (Bedrocan in Veendam) onder toezicht van de overheid medicinale wiet kweekt voor levering aan apotheken. Maar voor recreatief gebruik vindt Knottnerus slechts één teler dus niet wenselijk. De commissie meent ook dat het experiment bij succes niet zomaar na vier jaar moet worden beëindigd omdat dat niet erg motiverend is voor ‘legale’ telers om deel te nemen.

2. Welke soorten gaan er geteeld worden?

De telers moeten ‘een voldoende gevarieerd assortiment cannabis’ leveren. Knottnerus denkt aan 15 wietvarianten en 10 hasjvarianten. Die cannabissoorten moeten in overleg met coffeeshops en telers worden vastgesteld. Ook ziet hij een rol weggelegd voor een ‘gebruikerspanel’ dat zijn voorkeuren kan kenbaar maken. Het huidige assortiment in veel coffeeshops is groter. Zo rookt ongeveer 20 procent van de blowers buitenlandse hasj, die vooral uit Marokko, Afghanistan en Nepal komt. Maar in het experiment is het niet mogelijk om buitenlandse hasj in te voeren – dat is illegaal. ‘Het wordt een uitdaging om ook die teelt op eigen bodem te verrichten’, aldus Knottnerus.

3. Welke prijs krijgt de ‘staatswiet’

De verkoopprijs moet ‘marktconform’ zijn, vergelijkbaar met de prijzen die momenteel in de coffeeshops worden gehanteerd. Volgens Knottnerus mag de prijs niet te hoog zijn, want dan komt de blower te veel in de verleiding om het spul (goedkoper) op de illegale markt te kopen. En de prijs mag niet te laag zijn, want dat zou de consumptie teveel stimuleren – en dat is iets wat de overheid absoluut niet op zijn geweten wil hebben. De adviescommissie oppert om als buffer tegen te hoge marges tussen kostprijs en verkoopprijs ‘een opslag te heffen, waarmee een fonds voor preventie van cannabisgebruik en verslaving kan worden vergoed’.

4. Hoe worden de ‘legale’ wietplantages beveiligd?

De politie waarschuwde enkele jaren geleden al voor het gevaar van ‘ripdeals’ op gedoogde wiettelers. Knottnerus vindt het ‘cruciaal dat er geen inmenging van het criminele circuit is en dat er geen productie weglekt naar criminelen’. De adviescommissie hamert op stevig toezicht en handhaving. Transport van teler naar coffeeshops moet zoveel mogelijk worden beperkt, tot maximaal één keer per dag.

5. Hoe voorkom je dat ‘legale’ wietproductie de wietconsumptie zal aanwakkeren?

Het kabinet wenst dat zeker niet en zet daarom in op flankerende preventiemaatregelen. De adviescommissie ziet in dat kader een belangrijke rol weggelegd voor het personeel in de ‘verkooppunten’. Coffeeshops moeten goede voorlichting geven over de gezondheidsrisico’s, zoals ‘geen gebruik van cannabis bij zwangerschap’ of ‘gebruik geen cannabis bij een verhoogd risico op psychiatrische problemen in de familie’ of ‘rijd niet onder invloed van cannabis’. Ook kunnen gebruikers beter niet wiet roken. Minder schadelijk is het om cannabis te verdampen, aldus Knottnerus. De commissie adviseert om het P-criterium (van preventie) toe te voegen aan de huidige gedoogcriteria waaraan coffeeshops moeten voldoen. Personeel van coffeeshops moeten ook alert zijn op ‘tekenen van problematisch gebruik’ en zulke blowers verwijzen naar passende informatie of zorg. 

6. Aan welke voorwaarden moeten de deelnemende gemeenten voldoen?

Knottnerus denkt dat meer dan tien gemeenten nodig zijn om een representatief onderzoek te kunnen uitvoeren. De deelnemers, die pas later dit jaar zullen worden geselecteerd, moeten ‘een goede afspiegeling’ zijn van de verschillende coffeeshopgemeenten, zowel wat betreft aantal inwoners als geografische ligging (dichtbij de landsgrens of niet) en aantal verkooppunten (veel of weinig). Een belangrijke voorwaarde is wel dat alle coffeeshops in deelnemende gemeenten meedoen met het experiment. Meerdere gemeenten hebben al interesse getoond voor het wietexperiment, waaronder Breda. Burgemeester Paul Depla, fervent voorstander van gereguleerde wietteelt, noemde het advies woensdagavond ‘weloverwogen en gedegen’. Hij is vooral blij dat Knottnerus zich keert tegen de beperkte duur en omvang van het experiment. Daardoor wordt de kans van slagen groter, aldus Depla.

7. Hoe wordt het succes of het falen van het experiment gemeten?

Bij de evaluatie moet gekeken worden of de cannabisketen van producent naar consument ‘werkelijk gesloten’ is gebleven. Dat wil zeggen: is het gelukt om illegale leveringen uit te sluiten en inmenging van het criminele circuit buiten te sluiten? Ook moet worden gekeken naar de effecten op cannabisgebruik, verslaving en drugsoverlast. Een nulmeting moet worden verricht in zowel deelnemende gemeenten als in vergelijkbare gemeenten die niet meedoen aan het experiment. Knottnerus vindt het experiment zelfs al geslaagd ‘als er geen verslechtering is ten opzichte van de nu bestaande situatie’. Want dat zou in ieder geval betekenen dat de georganiseerde criminaliteit bij de bevoorrading van de coffeeshops buitenspel is gezet. Hij noemt het experiment ‘nuttig en haalbaar’ en vindt het huidige gedoogbeleid ‘een complex en belangrijk maatschappelijk vraagstuk dat om een oplossing vraagt’. Als het experiment succesvol is, dan pleit de adviescommissie ervoor de gereguleerde wietteelt in heel Nederland door te voeren. 

Meer over