Zeven meter papier over de benzinemarkt

De Nederlandse Mededingingsautoriteit vindt dat oliemaatschappijen hun benzineprijzen kunstmatig hooghouden. De autoriteit baseert zich vooral op een theoretisch model en brengt de gevolgen niet in kaart....

Een kleine twee maanden voordat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) de vloer aanveegt met de oliemaatschappijen, verstuurt Eric van Damme zijn definitieve offerte voor een studie naar de werking van de benzinemarkt. De Tilburgse hoogleraar bekijkt in een theoretische studie het effect van het systeem van prijsondersteuning dat oliemaatschappijen in Nederland hanteren. Als een concurrerende pomp prijzen verlaagt, krijgen pomphouders een vergoeding van oliemaatschappijen om ook lagere prijzen te voeren. Volgens Van Damme leidt dit systeem van margebijdrage tot 'bovencompetetieve prijzen'.

Het onderzoek van Van Damme komt voor de NMa als geroepen. De autoriteit was aanvankelijk zijn onderzoek naar oliemaatschappijen begonnen om te bekijken of er verboden afspraken waren over benzineprijzen. Een oud rapport van de Economische Controle Dienst had de vermoedens van een kartel niet kunnen wegnemen. En nader speurwerk gaf de NMa geen hard bewijs voor misbruik in handen. Maar de nog jonge kartelautoriteit wilde zich daar niet bij neerleggen en onderzocht ook of de spelregels van de benzinemarkt aanpassing behoeven. De aandacht ging vooral uit naar het systeem van margebijdrage.

De studie van de NMa naar de Nederlandse benzinemarkt heeft een lijvig dossier van een meter of zeven papier opgeleverd. Vooral het hoofdrapport van honderd pagina's en vier onderliggende studies moet aantonen dat de oliemaatschappijen de benzineprijzen 'kunstmatig' hoog houden. De zes grote oliemaatschappijen (Shell, BP, Esso, Total, Texaco en Q8) en andere belanghebbenden moesten begin juni alle papieren zelf door het kopieerapparaaat halen. Vóór half augustus mogen de partijen reageren, waarna de NMa een definitief standpunt inneemt.

Stap voor stap toont de NMa in zijn rapport aan dat door de marktmacht van de grote oliemaatschappijen concurrentie moeilijk van de grond komt. Vooral de conclusies over het margebijdragesysteem zijn niet mals. Door het steunsysteem hebben oliemaatschappijen 'sterke grip' op de pompprijs, kunnen ze 'ontluikende prijsconcurrentie onderdrukken' en voor nieuwkomers 'toetredingsdrempels opwerpen'. De NMa wil dit systeem afschaffen om de concurrentie te bevorderen.

Deze analyse van de NMa is op verschillende punten kwetsbaar, blijkt uit de rapporten in het bezit van de Volkskrant. De analyse van Van Damme blijkt de hoeksteen van het rapport. De uitgangspunten voor de studie zijn aangedragen door de NMa. Zo kan het gebeuren dat Van Damme in zijn model rekent met het gegeven dat iedere pomphouder in Nederland margebijdrage krijgt, waar in de praktijk slechts 35 procent van de pomphouders steun krijgt.

Van Damme eindigt zijn theoretisch spel met de mededeling dat het in de praktijk moet worden getoetst. Dat is gedaan, en dan blijkt dat 60 procent van de pomphouders zich niet aan de adviesprijs houdt en een korting geeft van gemiddeld 4 'guldencent' (1,8 eurocent). De bedrijven Q8 en Total hanteerden gemiddeld een benzineprijs die één guldencent lager ligt. In het noorden en het oosten van Nederland zijn de prijzen aan de pomp ook een tikkeltje lager dan gemiddeld. Voor de oliemaatschappijen is dat een teken dat er wel degelijk concurrentie op de markt is.

De NMa gebruikt daarnaast een studie van het NEI, waarin de Nederlandse pompprijzen zijn vergeleken met Duitsland, Groot Brittannië, Frankrijk, België en Denemarken. In deze markten liggen de tarieven aan de pomp een stuk lager. De kostenverschillen kunnen volgens de NMa de prijsverschillen nauwelijks verklaren, hoewel het NEI deze kosten nauwelijks heeft onderzocht. De NMa stelt vervolgens vrij stellig dat bijvoorbeeld de tarieven aan Duitse pompen in 2000 12,2 à 16,8 guldencent lager liggen. Vooral oliemaatschappij Shell heeft in het verleden aangevoerd dat in de drie grote Europese landen sprake is van een vechtmarkt. Een eerlijke vergelijking is daardoor nauwelijks mogelijk, vindt Shell.

Wellicht het sterkste onderzoek in het NMa-dossier gaat over de ongelijke prijsaanpassingen door oliemaatschappijen. Een kostenstijging is al in de eerste week merkbaar aan de pomp, waar een kostendaling pas in de tweede week wordt doorberekend , constateert de NMa. Ook in landen waar de concurrentie hoog is, vindt prijsaanpassing echter ongelijk plaats. Het is onduidelijk of het margebijdragesysteem deze asymmetrie kan verklaren.

Het doel van de NMa is het systeem van margebijdrage af te schaffen. De kartelautoriteit verwacht dat daarna de prijzen aan de pomp zullen dalen. Of dat zo is blijft gissen, want de NMa heeft daar geen onderzoek naar gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden