Zeven maal verandering, nul spijt

Daniel Libeskind gold als gezaghebbend theoreticus, totdat zijn ontwerp voor het Joods Museum in Berlijn in de prijzen viel. Zoals hij daar ruimte gaf aan de stilte: als geen ander weet de architect, kind van uit Polen gevluchte joden, om te gaan met zwaar beladen onderwerpen....

Het is een museum dat in niets op een museum lijkt, een gebouw als een schreeuw, bekleed met zink en met ramen als wonden, in woede kris-kras in de gevel gekerfd. Het Joods Museum in Berlijn van Daniel Libeskind was nog leeg, toen ik het bezocht in 1999. De museumorganisatie zelf zou er pas een jaar later met zijn collectie intrekken. Van buiten ziet het eruit als een bliksemschicht of scheurend ijs; van binnen een labyrint van zalen, trappen en gangen waar de weg steeds afgesneden wordt door een onbetreedbare lege ruimte. Van binnen kun je, door die smalle raamspleten, alleen fragmenten van de buitenwereld zien, geen gebouw aan de overkant of de straat waaraan het ligt, maar alleen een stukje dak of dakkapel, een tak van een boom, een paar tegels van het trottoir. Het zicht op de wereld is buitengesloten, het werpt je terug op het gebouw en op jezelf.

De rondgang eindigt in de Toren van de Holocaust, waar als je binnen bent de deur zwaar, onverbiddelijk, achter je dichtvalt. Alleen door een spleet hoog in het dak valt wat licht binnen. Een paar gaten in de muur laten geluiden van buiten door. Langzaam wennen je ogen aan het licht. Duisterzwart wordt grijs. Oren scherpen zich, hunkerend naar geluid van buiten. Het is zondagmorgen vroeg. Er is weinig stadsgeruis. Het enige wat je hoort, is het bonzen van je hart.

Niet alleen die toren en de leegte, de 'Void' die het gebouw doorsnijdt, het hele museum zelf was het symbool van de leegte, die al die onvervulde levens hebben achtergelaten van de joden die in de oorlog werden vernietigd. Er zou nooit iets in moeten komen, dacht ik toen, geen collectie die de aandacht maar af zou leiden. Zo zou het moeten blijven, eeuwig leeg - en zo zou het langzaam toch worden gevuld, met onze gedachten die er door worden opgeroepen.

De collectie die later kwam, bleek die ervaring niet te verstoren. Het ontwerp was er te sterk voor. Libeskind ontwierp geen museum voor een collectie, merkte ik later, hij gaf ruimte aan een gevoel van leegte.

Er is geen architect ter wereld die zo voorbeschikt lijkt, in leven en werk, voor de wederopbouw van Ground Zero als Daniel Libeskind. Zelf is hij van zijn ouders de vrucht van hun gevecht met de Holocaust, de oorlog, vernietiging en terreur. Veel heeft hij niet gebouwd: drie musea tot nu toe. Maar alle drie zijn ze symbolen van crisis en conflict, van de overwinning op het kwaad. En ze zijn dat in hun ontwerp zelf, in hun ruimte, in hun gedaante en in de stemming die ze oproepen. Libeskind is een meester in zware, geladen onderwerpen.

Hij bouwde het Felix-Nussbaum-Haus in Osnabrück, gewijd aan de nagedachtenis van de in Auschwitz omgebrachte Duits-joodse schilder, als een Museum ohne Ausgang, ontsnappen is onmogelijk. Het Imperial War Museum in Manchester ontwierp hij als een stukgeschoten globe, die in drie delen uiteen is gevallen, symbool voor de strijd op drie fronten, te land, ter zee en in de lucht, en van de conflicten die de wereld verscheuren. Het Joods Museum in Berlijn ziet eruit als een donderende bliksemschicht, die pas tot zwijgen komt in de Void en in de Holocausttoren waar de eenzaamheid en verlatenheid op je neerdalen.

Terwijl ze stilmaken, roepen zijn gebouwen hetzelfde effect op als Frank Gehry's uitgelaten Guggenheimmuseum in Bilbao. Libeskind wordt gevraagd, omdat hij het onzegbare in architectuur kan vertalen, en omdat die architectuur zo spraakmakend en het onzegbare zo sprekend is dat de mensen er en masse op af komen.

Toen hij in 1989 de internationale prijsvraag voor uitbreiding van het Jüdisches Museum in Berlijn won, had hij nog nooit wat gebouwd. Hij was beroemd als analyticus en theoreticus. Hij was een papieren architect, die over de hele wereld doceerde en lezingen gaf en zijn ideeën uitwerkte in tekeningen, maquettes en geschriften. Een 'architect's architect', die met Frank Gehry, Peter Eisenman, Zaha Hadid, Rem Koolhaas, Bernard Tschumi en Coop Himmelblau tot de deconstructivisten werd gerekend.

Zijn ontwerp voor het Joods Museum vestigde in één klap zijn naam als uitvoerend architect: een gebouw, vormgegeven als een splinter van de verwoesting die over de joodse bevolking van Europa was getrokken én tegelijk een ongekend voorbeeld van nieuwe architectuur. Dat was het knappe, het geniale, het wonder. Libeskind riep de wereld op van de joodse gemeenschap van de stad, die met zijn kunstenaars en geleerden Berlijn een gezicht van cultuur had gegeven dat in de nazi-terreur voorgoed verloren was gegaan, in een gebouw dat de stad van nu een nieuw gezicht gaf - een symbool van bezinning en verwerking.

'Het is een moeilijk project', zei hij, 'moeilijk voor Duitsers en nog moeilijker voor joden. Veel joden wilden dat het gebouw joods zou zijn. Zelfs jonge Israëlische architecten die aan de prijsvraag deelnamen, maakten tekeningen gebaseerd op traditionele synagoges. Zoals ik het zag kon het museum geen specifiek joods project zijn. Het moest een seculiere onderneming zijn; het zou Berlijn met zijn verleden en heden samenbrengen, en joden met Duitsland verzoenen en Duitsland met de joden.' En: 'Als je door het museum loopt, zul je kinetisch, zo niet intellectueel, het gevoel van verstrooiing en ontwrichting ervaren dat de joden zelf voelden. Dat is belangrijk, want het is geen museum van een gewone sociale geschiedenis, maar een museum van een ontzettend abnormale geschiedenis. Het onderwerp vraagt om een abnormaal antwoord van de architect.'

Hij was 43, sprak geen Duits, wel jiddisch. 'Dat hielp, maar de mensen keken me wel een beetje gek aan.' Hij had de prijsvraag gewonnen, maar het was onzeker of het gebouw er ooit zou komen. De ervaring leert dat het overgrote deel van winnende ontwerpen (95 procent) nooit wordt uitgevoerd. Hij vestigde zich met zijn gezin in Berlijn en begon er zijn bureau. Eerst alleen met zijn vrouw, nu uitgegroeid tot een studio met een welgevulde orderportefeuille en 130 man in dienst. Tien jaar kostte het hem om alle problemen te overwinnen. Het Joods Museum ontmoette politieke tegenstand, bezuinigingen en een onverzettelijke bureaucratie.

Niemand verwachtte op een gegeven moment nog dat het zou worden gebouwd. Berlijn zat na de val van de Muur zonder geld. Het project werd zelfs een keer officieel afgeblazen. Het was alleen aan zijn onverzettelijkheid en zijn vermogen tussen al die problemen door te laveren te danken dat het er kwam. Hij schetste de ervaring later in een grafiek van dalende cijfers: 'zevenmaal verandering van regering, zesmaal wijzigde het museum van naam, vijf senatoren van cultuur kwamen en gingen en vier museumdirecteuren, drie bedrijven voor de ramen, twee kanten van de Muur, een éénwording, nul spijt'.

De kracht van zijn uitgevoerde ontwerpen en die onverzettelijkheid zullen hebben meegespeeld bij de uitverkiezing om op Ground Zero in New York het geschonden gezicht van Manhattan te herstellen. Misschien speelde nog meer mee, zijn levensgeschiedenis bijvoorbeeld. Daniel Libeskind werd in 1946 geboren in het Poolse Lodz. Zijn ouders waren in 1939 uit Polen gevlucht voor de invallende Duitsers en ontkwamen naar Rusland. Ze kenden elkaar toen nog niet. Zijn vader kwam uit Lodz, zijn moeder uit Warschau. In Rusland werden ze direct door de Sovjets gearresteerd en geïnterneerd. Zijn vader in een kamp aan de Wolga, zijn moeder in Siberië. Pas in 1943, toen er onder druk van de westerse geallieerden een akkoord werd gesloten tussen Stalin en de Poolse regering-in-ballingschap in Londen, kwamen de gevluchte Polen vrij. Ze werden aan hun lot overgelaten, trokken zwervend door het land, op weg naar de vrije wereld. Zijn ouders belandden ten slotte in Kirgizië, aan de grens met China, waar ze elkaar leerden kennen. Na de oorlog keerden ze naar Polen terug. De reis duurde negen maanden. De dag na hun aankomst werd hij geboren. 'Als dat geen goed teken is', zei hij later.

In interviews heeft hij dat leven geschetst, hoe zijn ouders de draad steeds opnieuw moesten oppakken. 'Voor de oorlog woonden er drieënhalf miljoen joden in Polen. Dat is een enorme bevolkingsgroep, dat is een literatuur, een taal, liederen en verhalen. En als je terugkomt, is er niemand meer, geeneen, niets.' Zijn familie verdween in de Holocaust, grootouders, ooms, tantes, neven, nichten, ze waren allemaal vermoord. In het naoorlogse Polen dat zijn ouders thuis troffen, laaiden onder de communisten de pogroms weer op. In 1957 emigreerden ze naar Israël, twee jaar later naar Amerika. Hij was dertien, een emigrantenkind dat Amerika voor het eerst zag vanaf de reling van het schip, ook nog de Constitution geheten, in het Vrijheidsbeeld en de skyline van New York. 'Nooit zal ik', zei hij, 'dat gezicht vergeten - en waar het voor staat.'

De oorlog had de jeugd van zijn ouders gebroken. Ze moesten - in Lodz, in Israël, in Amerika - steeds weer opnieuw beginnen. Zij vond haar weg in de Bronx in een eigen naaiatelier, hij werkte in een textielfabriek. Hun jonge Daniel had zich in Lodz al ontwikkeld tot een wonderkind, een virtuoos op de accordeon. Eigenlijk hadden ze voor hem een piano willen kopen, maar dat kon in Lodz niet voor de buren. Dat deed een jood niet, daar werd je op aangekeken en op afgerekend. Hij kreeg later muziekbeurzen in Israël en in New York en speelde nog in de Carnegie Hall, tot die andere hartstocht, de architectuur, het ten slotte van de muziek won.

Libeskind studeerde architectuur aan de Cooper Union in New York en de universiteit van Essex in Engeland, werd Amerikaans staatsburger, en ontwikkelde zich op zijn vakgebied tot wat Aaron Betsky, nu directeur van het Nederlands Architectuurinstituut, toen noemde: 'Een van de invloedrijkste denkers en docenten in de architectuur van de laatste 25 jaar.' Hij trouwde met Nina Lewis, die later in Berlijn ook zijn partner zou worden op zijn bureau.

Zijn wereld veranderde volkomen toen hij de prijsvraag in Berlijn won. Ik denk dat hij in de opdracht voor het Joods Museum dat hele leven - van hem, zijn ouders en zijn verloren familie - terugvond. Er is al eens eerder op gewezen (The Jerusalem Post) dat het gebouw leest als zijn biografie. 'Ik heb altijd gevoeld', zei hij, 'dat dit museum zowel de toekomst moest vertegenwoordigen als het verleden. Geschiedenis is niet iets eindigs, maar een proces.'

Zijn gebouwen zeggen iets, je loopt er niet zomaar langs. 'Gebouwen zijn geen statische objecten, eenmaal gebouwd en af', zei hij vorig jaar. 'Ze moeten op de beleving van mensen ingaan, ze moeten het hart en de lichamen van de mensen beroeren. En dat doen ze. Ze staan er niet als grafstenen, ze zenden impulsen uit, scheppen sferen.'

Zijn gebouwen kosten geen vermogens. Hij kan werken met restricties in de budgetten en kan tegenstand overwinnen. Hij liet het in Berlijn zien, maar bij al zijn andere ontwerpen speelde dat. Zijn uitbreiding van het Victoria & Albert Museum in Londen - een stapeling van kubistische vormen, dertig meter hoog in vier verdiepingen - die uit de Victoriaanse gevelrij spat, wacht al jaren op financiering en kreeg in The Times een vernietigend commentaar. Het was 'een ramp voor het V & A in het bijzonder en voor de mensheid in het algemeen', 'een aanval op vijf eeuwen beschaving' en 'een wandeling met de duivel in de woestijn'.

Als het Joods Museum van Berlijn zijn biografie is, dan is zijn ontwerp voor Ground Zero deel 2, een logisch vervolg. Hij is niet bang voor het grote gebaar. Op zijn website toont hij zijn voorstel voor een nieuwe skyline. Het is een blik vooruit én een blik terug in zijn biografie. We kijken de toekomst in, maar vanaf het standpunt waar hij als jongetje van dertien de Nieuwe Wereld voor het eerst zag, een schip op de Hudson. Op de voorgrond staat het Vrijheidsbeeld, in de verte, even imponerend, beheerst zijn Antenna Tower het silhouet, het zal het hoogste gebouw van de wereld zijn.

Ook dit ontwerp, Memorial Foundations geheten, zit vol symbolen en metaforen. De hoogte van de spits, 1776 voet, verwijst naar het jaar van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. In de hoogste verdiepingen komen enkel tuinen, de Gardens of the World. In zijn plan voor Ground Zero wordt de plek waar de Twin Towers stonden vrijgelaten en in de krater waar de brand nog maanden nawoedde, wordt, diep in de grond, een stilteplek geschapen, de Ground Zero Memorial waarvoor later nog een internationale prijsvraag zal worden uitgeschreven.

Er komen twee openbare ruimten in Libeskinds plan, een Park of Heroes, met paden die de routes volgen van de brandweerlieden, en de Wedge of Light, een wig van licht in de omliggende bebouwing, die elk jaar op 11 september het zonlicht-zonder-schaduw op de rampplek laat vallen, precies van 08.46 uur toen het eerste vliegtuig toesloeg tot 10.28 uur toen de tweede toren instortte, als 'een eeuwig eerbetoon aan onbaatzuchtigheid en moed'.

Rond die heilige plekken en de nieuwe toren is een complex van kleinere wolkenkrabbers bedacht, niet hoger dan zeventig verdiepingen, die gebouwd moeten worden door verschillende architecten. 'Zoals heel New York is gebouwd', zegt hij. In de schetsen en tekeningen, de impressies van zijn maquette, zie je de kracht terug, die hij ook in Berlijn liet zien, van een onmogelijk antwoord op een onmogelijk te verwoorden emotie.

Er is meer. Het is, zegt hij, niet alleen een blik in het verleden, maar ook in de toekomst. 'Ik wil geen kathedraal bouwen, maar een World Trade Center.' Hij kent het klappen van de zweep. Er zit ruimte in zijn ontwerp voor overleg en voor samenwerking en compromis. De kleine wolkenkrabbers, de ruimte voor wonen en ontspannen, winkelen en theater kunnen ook door anderen worden ontworpen en kan, als het financieel zo uitkomt, ook in fasen worden uitgevoerd. Hij maakt zich op om dezelfde tactiek toe te passen als in dat tienjarig proces in Berlijn: ter plekke zijn om samen met zijn vrouw het proces continu te sturen en te beïnvloeden. In mei verhuizen ze naar New York, in september volgt de staf van zijn bureau.

Het kan wel een jaar of tien, vijftien duren voor het er is, als het er komt in deze contouren. Libeskind is er nog lang niet. Er zijn vele partijen bij Ground Zero betrokken. De opdrachtgever is de Lower Manhatten Development Corporation. De grond is van de Port Authority, waarin de gouverneurs van New York en New Jersey het voor het zeggen hebben. De Twin Towers waren gepacht, voor 99 jaar, door de projectontwikkelaar Larry Silverstein, die in geen van de inzendingen voor de prijsvraag iets zag. Allemaal hebben ze een mening en een stem.

Libeskind heeft bewezen dat hij de onverzettelijkheid, het geduld en de diplomatie heeft om zulke problemen te overwinnen. In 1995 won hij de prijsvraag voor het Felix-Nussbaum-Haus in Osnabrück, maar de beslissing tot uitvoering lag bij de gemeenteraad. Bij de prijsuitreiking zei de burgemeester plompverloren: 'Dit zal niet gebeuren, meneer Libeskind, bij mijn leven niet.'

'Wedden?', zei zijn vrouw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden