Zeven jaar en een boek op water en brood

DE EENZAAMHEID zoeken op de ongebaande wegen van de zee, - zo omschrijft Adamnán, de biograaf van de grote Ierse monnik Columbanus, het ideaal van de totale 'losmaking' dat aan het kloosterleven inherent is....

Een van de uitgezwermden was, zoals men weet, Willibrordus. In het hoofdstuk 'De missioneringsmethode van Willibrordus' in zijn studie Willibrords missie schrijft A.G. Weiler ook een paragraaf over 'biecht en boete'. Daar brengt hij ook de zogenaamde 'boeteboeken' ter sprake. 'Libri poenentiales' heten ze officieel. Ze behoorden, met voornamelijk liturgische boeken, tot de standaarduitrusting van de missionaris. Het waren geen 'biechtspiegels', maar als het ware catalogi van zonden, met de daaraan verbonden straf door de priester, na het belijden van de zonde, op te leggen. Een der bekendste is het Poenitentiale Theodori, naar Theodorus, die aartsbisschop van Canterbury was. De ontstaansgeschiedenis van het boek is nogal ingewikkeld. Weiler behandelt het beknopt. Theodorus schreef in een toen al in de Ierse en Angelsaksische wereld bestaande traditie. Misschien zijn niet de soms zeer zware boeten het boeiendst aan de boeteboeken; de 'organisatie' van het kwaad is veel interessanter. Die organisatie kan een uitstekend beeld geven van wat vanuit de kerk als kwaad werd beschouwd, licht of zwaar. Het kwaad krijgt zijn culturele context; een maatschappij en haar gebruiken kunnen in het boeteboek zichtbaar worden.

De oorsprong van het boeteboek moet in de Ierse kloosters worden gezocht. Het was oorspronkelijk voor monastiek gebruik: zondebewustzijn is de eerste stap naar heiligheid, boete de tweede. De opzet van de boeken werd algemener, ze gingen reiken tot buiten de kloostermuren. De seksuele moraal in het huwelijk kreeg bijvoorbeeld een uitgebreide plaats. Achter de mogelijke zonden kreeg het christelijk huwelijksideaal gestalte. De Ierse christenen mogen in een gekerstende maatschappij hebben geleefd, de heidense gebruiken van eens wisten zich te handhaven; terugval erin was altijd mogelijk. Veel van de zonden brengen die heidense gebruiken in beeld. Ook daarom vormen die boeteboeken kostbaar materiaal (natuurlijk ook hierom: de zonden zeggen meer over een samenleving dan de deugden, welke boeiende lectuur de Ierse heiligenlevens ook zijn).

Al werden de boeteboeken tot laat in de middeleeuwen gebruikt, zij het steeds minder druk, een officiële kerkelijke juridische status hebben ze nooit gekregen en dat wil dus ook zeggen: geen algemene geldigheid vanuit Rome vastgelegd. De boeteboeken waren vooral praktische boeken, lijkt het, met een plaats- en tijdgebonden karakter. Ook in Rome zelf weren ze waarschijnlijk al vroeg in gebruik. Ze moeten zijn ontstaan vanuit een poging 'het kwaad' of 'de zonde' in onderdelen te ordenen. In de Griekse kerk is men daarmee begonnen. De eerste ordenaar in het westen is Joannes Cassianus, die leefde van 360-435. Deze religieuze 'zwerver' - hij leefde in kloosters in Egypte en Palestina en kwam via Constantinopel en Rome naar zuid-Frankrijk, waar hij twee kloosters stichtte - is de schepper van een klooster-spiritualiteit, gericht op de eenheid met God. Daarvoor is ascese nodig en een afsterven van de acht hoofdzonden: vraatzucht, ontucht, hebzucht, toorn, neerslachtigheid, lusteloosheid, ijdelheid en hoogmoed. Hij ontvouwde de waaier van het kwaad. Gregorius de Grote volgde hem. Maar natuurlijk vereiste deze hoofdindeling nadere specificaties. En zo ontstond een vrij groot zondenregister, dat duidelijk voor de zielzorger was bedoeld. En waarnaar zonder twijfel de penitent zich in zijn belijdenis ging richten.

ZONDEBEKENTENIS en oplegging van boete zijn heel oud. De gestrengheid van de oudste gewoonte is nu nog moeilijk denkbaar. Ieder kon maar één keer tot boete worden veroordeeld. Dat betekende ook, dat de zonde maar één keer kon worden vergeven. Eén doopsel (de eerste grote vergeving), één boete, stelde Ambrosius van Milaan. De boete en vergeving werden zo het tweede doopsel. De zondevrijheid die de eenmalige boete eiste, bracht met zich de praktijk van het uitstel: men stelde zijn schuldbekentenis uit tot op het sterfbed. En zo werd de dood het tweede doopsel, want vernuftige symboliek is de kerk nooit vreemd geweest. Pas later treedt er een vermildering op, hoewel: de boeten op sommige zonden waren, blijkens de boeteboeken, zo zwaar, dat men er welhaast levenslang aan was gebonden: zeveneneenhalf jaar op water en brood bijvoorbeeld. In hoeverre de straf niet de grootste bekoring tot nieuwe zonden was, weet ik niet. Men nam het kwaad in elk geval zeer ernstig; de wegwuivende hand van de biechtvader was nog verborgen in het kerkelijk gewaad.

Die zeveneneenhalf jaar moesten worden gevolgd door de handoplegging door de bisschop. Alleen de hoogste kerkelijke autoriteit kan kennelijk de zonde vergeven. De zware straf staat op het drinken van bloed en urine, een kwaad dat naar heidense prtaktijken verwijst, waar die consumpties een magisch karakter kunnen hebben gehad. Op het eten van vlees van een dood dier, dat aasvlees is, staat een boete van tweeënveertig dagen op water en brood. Met name de 'vleselijke' zonden worden sterk gedifferentieerd in de voedselvoorschriften die de boeteboeken ook geven. Willekeurig zijn ze nooit; ze zijn bepaald door een gedachtensysteem. Maar ook door een pastorale zorg: er zijn in veel gevallen verzachtende omstandigheden, die de bedrijver van het kwaad aan boete kunnen doen ontkomen.

Achter de voorschriften ligt een ordeningsprincipe: de wereld moet naar de christelijke denkbeelden worden gevormd. Heidense gebruiken of verwijzingen daarnaar moeten worden uitgebannen. De voorschriften hebben als doel kerstening van de maatschappij en van het individu. De voedselvoorschriften hebben vooral betrekking op dierlijk voedsel: de fauna is rijker aan mogelijkheden tot zonde dan de flora, die bloedloos is. Bloed had een heilig, bijna goddelijk karakter.

OVER DIE voedselvoorschriften in met name Ierse boeteboeken schreef de jurist J.D.M. de Waard zijn dissertatie. Als bijna alle proefschriften wordt ook deze studie gekenmerkt door verenging, die academisch aanvaardbaar kan zijn, maar die het boek bij officiële publikatie en dus gerichtheid op een grotere lezerskring schraal maken. De auteur heeft uiteraard een groot aantal boeteboeken intensief op voedselvoorschriften bestudeerd. Hij voorziet die studie van een algemene inleiding over zonde en boete in de westerse en oosterse kerk. Maar die blijft toch vrij opppervlakkig en bij gebrek aan diepgaande kennis nogal abstract, een abstractie die voor de hele studie kenmerkend is; typerend is dat nagenoeg niets uit de boeteboeken wordt vertaald. (Dat de auteur in een lange inleiding zijn eigen boek samenvat, is een academische mos, die mores moet worden geleerd). Hij schrijft uitvoerig over de geschiedenis van de boeteboeken. Maar, en dat is mijn grootste bezwaar, over de inhoud daarvan komt men nauwelijks iets te weten. Wie de studie zonder enige nadere kennis leest, krijgt de indruk dat de boeteboeken grotendeels handboeken voor een heiligmakend dieet zijn. Het is op zijn minst curieus dat men de over de algemene inhoud van het boeteboek, toch het hoofdvoorwerp van de studie niets of nauwelijks iets te weten komt. En dat is ook hierom zo jammer: het betreft een zo boeiende soort geschriften. Welke plaats de voedselvoorschriften in het geheel innemen, wordt nergens duidelijk. De auteur houdt zich precies aan zijn onderwerp,- en dat is wat ik met 'verenging' bedoel. Maar door die precisie doet hij zijn onderwerp juist te kort. Het krijgt geen context. Het blijft een water- en broodstudie.

Verenging in proefschriften heeft meestal herhaling als gevolg. Wat oneerbiedig gezegd: met de inleiding die een samenvatting is, de bladzijden conclusies die een samenvatting zijn, met de daar tussen liggende tekst, die erg veel herhalingen kent, vertelt de auteur zijn beperkte verhaal vele malen, alsof hij vreest bij enkelvoudige vermelding niet te worden geloofd.

De boeteboeken krijgen geen achtergrond en geen omkadering. Er wordt voor de verklaring van de verboden en hun vaak zware boeten herhaaldelijk verwezen naar de heidense praktijken en het gevaar voor de christenen weer in die praktijken terug te vallen, maar dat is bijna alles wat de voorschriften als achtergrondverklaring meekrijgen. Er had toch op zijn minst een beeld van de maatschappij waarin ze ontstonden, kunnen worden gegeven. Ik heb over het boeteboek van Theodorus meer geleerd uit de anderhalve pagina van Weiler dan uit deze studie. Het verschil is te verklaren: de studie van Weiler krijgt de wijdste context die een historicus van de middeleeuwen kan geven. De Waard is jurist; hij mist duidelijk een theologische en historische achtergrond en ook dat heeft het abstracte karakter van zijn studie als gevolg: hij kent de grote lijnen, maar moet de punten verzwijgen waartussen ze lopen. Waar hij achtergrond geeft, is die aan anderen ontleend en dus samenvattend en dus, alweer, abstraherend.

Natuurlijk heb ik mij verkeerd ingesteld: het gaat hier om een juridisch proefschrift. Dat kan veel van het karakter - en de schrijfwijze! - van de studie verklaren. Maar het onderwerp vraagt nu eenmaal een theologische en historische context, een heel grote cultuurkennis ook. Het is jammer dat een dergelijk interessant onderwerp nu zo versmald wordt gepresenteerd. De auteur laat de schrijvers van het boeteboek, de monniken, werken vanuit hun kennis en ervaring van buiten de kloostermuren. Ze kennen de wereld waaraan ze zich hebben onttrokken. Dat is een mooie gedachte, maar dan had toch een beeld van dat vroeg-middeleeuwse Ierland gegeven moeten worden. Welk schitterend materiaal geven, in alle eenvoud, Máire en Liam de Paor niet in hun Early Christian Ireland. Hetzelfde geldt voor Nora Chadwicks The Celts.

WIE WAT ER aan beeldende kunst, boeken, geschriften, uit die oude Ierse kerk is overgeleverd - en welk niveau werd daar niet bereikt - vergelijkt met de voedselvoorschriften als door De Waard gegeven, die mogelijkheden tot zware zonde, krijgt een treffend beeld van een wereld waarin de kloosters kennelijk de cultuur hebben die de wereld buiten nog altijd mist. Hoe heidens waren de middeleeuwen ook; het oude laat zich niet verdringen, zoals in een vroeger hier besproken reeks studies onder leiding van L. Milis gepubliceerd, De heidense middeleeuwen, werd aangetoond. En toch zullen de toestanden in de kloosters, al was Ierland ook het eiland der heiligen, niet overschat mogen worden; daarvoor was alleen al de populatie vaak te groot. Dat het Ierse kloosterleven tenslotte verdween voor de regelende orde van Bendictus, kan veelzeggend zijn.

De boeteboeken hebben door hun grote verspreiding, veel aan uniformiteit binnen de kerk bijgedragen. Maar in de hoge middeleeuwen kregen biecht en boete een een steeds meer privaat karakter. Het Concilie van Lataranen stelde vast dat elke gelovige één keer per jaar diende te biechten. De rechter werd de vader. En de boete werd een kleine straf, die alleen de naam van 'penitentie' hield. De biecht werd het triomfrijkste sacrament van de rooms-katholieke kerk. Vergeven en dan weer even alles vergeten! En dan weer biechten. De zonde werd begrepen. En dat was het einde.

J.M.D. de Waard, Voedselvoorschriften in boeteboeken; Motieven voor het hanteren van voedselvoorschriften in vroeg-middeleeuwse Ierse boeteboeken 500-1100; Erasmus Publishing, Rotterdam; prijs ¿ 49.50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden