Zes nominaties, geen wanklanken DE BOOKER PRIZE WORDT VOOR DE DERTIGSTE KEER TOEGEKEND

WE SCHRIJVEN 1963. Ian Fleming, de schepper van James Bond, is fysiek aan het aftakelen en laat zich na een spelletje golf tegenover een vriend ontvallen dat hij nog een jaar te leven heeft....

Agatha Christie, Georgette Heyer, Harold Pinter en andere auteurs die een beduidend deel van hun inkomsten in de Britse schatkist zien verdwijnen, volgen. Booker, vanouds een typisch koloniaal bedrijf, krijgt zowaar iets chics.

Mede om te onderstrepen dat veel activiteiten naar het Britse moederland zijn overgebracht, besluit het concern eind jaren zestig de literaire associatie te versterken door een prijs in het leven te roepen. Naar het voorbeeld van de Franse Prix Goncourt ontstaat de Booker Prize. In 1969 wordt hij voor het eerst uitgereikt, aan P.H. Newby voor zijn roman Something to Answer. Niet langer is de Somerset Maugham Award, die de gelauwerde als het meezit duizend extra verkochte exemplaren oplevert, de meest invloedrijke prijs in het Verenigd Koninkrijk.

Door met een shortlist te werken, waaruit een aantal weken later de winnaar wordt gekozen, appelleert de Booker Prize-organisatie aan een competitiegevoel, dat extra publicteit genereert. Kort na Newby's bekroning komt zijn boek op de bestsellerlijst van de Londense Evening Standard. Het is de eerste keer dat een Britse roman de toptien haalt vanwege de toekenning van een prijs.

Door de schandalen en schandaaltjes (boos weglopende juryleden, ondankbare winnaars, nog ondankbaarder verliezers en vooral veel schimpende commentatoren), plus de prominente aandacht die de tv schenkt aan de uitreiking (live op Channel 4), verwerft de prijs in de jaren tachtig zo'n belangrijke status dat Le Figaro de Prix Goncourt de 'Franse Booker' noemt - waarmee de cirkel rond is. In de studie Consuming Fictions (1996) bevestigt Richard Todd dat de Booker Prize ongemeen belangrijk is geworden, zowel in cultureel als in economisch opzicht.

Dinsdag wordt in Londen de winnaar van de dertigste jaargang bekendgemaakt. Ter gelegenheid daarvan heeft Booker plc een niet in het gewone handelsverkeer verkrijgbaar boekje uitgegeven, Booker 30 getiteld, waarin veel van het hierboven vermelde is terug te vinden. De bijdragen, van onder anderen voormalig Booker-topman Sir Michael H. Caine, secretaris van de prijs Martyn Goff, uitgever Tom Maschler, ex-jurylid Alastair Niven, tv-presentator Melvyn Bragg en Booker-winnaar Graham Swift, maken eens temeer duidelijk hoe belangrijk publiciteit is en hoe triviaal vaak de aanleiding daartoe is.

Het boekje zelf heeft ook al tot enige commotie geleid. Martyn Goff, aanwezig bij alle juryvergaderingen sinds 1973, laat zich erin ontvallen dat juryvoorzitter Fay Weldon geen beslissing durfde te nemen toen in 1983 de stemmen staakten toen de keuze ging tussen Salman Rushdie en J.M. Coetzee. 'Maar Martyn, je schijnt niet te begrijpen dat ik thuis nooit beslissingen neem; dat doet mijn man', zou Weldon hebben geroepen. Om vervolgens tot driemaal toe haar keuze te veranderen. Fay Weldon heeft Goffs versie van de gebeurtenissen tegengesproken: de verwijzing naar haar man was 'ironisch bedoeld'. 'Ik had moeten zeggen: dit is maar een grapje, hoor Martyn.'

Los van deze wanklank uit het verleden, is de aanloop tot de dertigste toekenning van de prijs opmerkelijk rustig verlopen. Natuurlijk waren er de gebruikelijke commentaren over ten onrechte ontbrekende auteurs - William Trevor, William Boyd, Alan Hollinghurst, de debutanten Giles Foden en Shani Mootoo - en over het geringe aantal vrouwen op de shortlist. Van onbegrijpelijke omissies was geen sprake, luidde de teneur. Wie weet dat in het verleden bijvoorbeeld alle grote romans van Martin Amis (Money, London Fields, The Information) door Booker-jury's zijn genegeerd, kan moeilijk volhouden dat de jury van dit jaar seniel is omdat Barbara Trapido niet is genomineerd.

De shortlist van 1998 is dan ook een evenwichtige mix van bekend en onbekend, aankomend en gevestigd, verwacht en onverwacht: Master Georgie van Beryl Bainbridge, England, England van Julian Barnes, The Industry of Souls van Martin Booth, Breakfast on Pluto van Patrick McCabe, Amsterdam van Ian McEwan en The Restraint of Beasts van Magnus Mills. Het enige opmerkelijke is de afwezigheid van zogeheten 'Gemenebest-auteurs', die net als Britse en Ierse schrijvers voor de prijs in aanmerking komen. De Booker-jury's hebben altijd veel waardering getoond voor Engelsschrijvende auteurs uit het voormalige imperium en liefst tien van hen hebben de prijs in de wacht gesleept, onder wie de winnaar van afgelopen jaar, Arundhati Roy. Sinds 1970 hebben steeds ook 'Commonwealth authors' op de shortlist gestaan.

De lieveling van journalistiek Groot-Brittannië was dit jaar Magnus Mills, een 44-jarige buschauffeur die druk doende was zijn passagiers van Oxford Circus naar Streatham in Zuid-Londen te rijden, toen zijn nominatie bekend werd. Zelfs het uurloon van deze evidente outsider (5,03 pond) en zijn buslijnen (137 en 159) haalden het nieuws. The Restraint of Beasts (Flamingo; * 39,80), veelal pas gerecenseerd nadat de nominaties bekend werden, gaat over twee Schotse arbeiders, Tam en Richie, die met hun Engelse voorman naar Engeland worden gestuurd om daar een hekwerk te plaatsen. Hoewel de twee Schotten de hoofdpersonen zijn, vertelt de voorman het verhaal. Zijn sobere taalgebruik is vrijwel gespeend van bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, zijn humor droog en duister. De geest van James Kelman waart over de pagina's zonder dat sprake is van epigonisme; minder dialect, minder 'fucks' en 'cunts' ook, maar meer doden.

De andere grote outsider is The Industry of Souls (Dewi Lewis; * 31,75) van Martin Booth, die in 1986 een bestseller had met de roman Hiroshima Joe. Hoofdpersoon is de 80-jarige Alexander Bayliss, een Engelsman die, veroordeeld wegens spionage, twintig jaar dwangarbeid heeft verricht in een Russische kolenmijn. Als hij in de jaren zeventig vrijkomt, blijft hij in een Russisch dorpje wonen, bij de familie van een bevriende mededwangarbeider. Een belangrijk deel van het boek bestaat uit herinneringen aan zijn tijd als 'overlever' en uit bespiegelingen over de vraag wat iemands thuis is. Dat laatste aspect komt in een bepaald daglicht te staan als in Groot-Brittannië bekend wordt dat hij nog leeft en hij voor de keuze komt te staan al dan niet naar 'huis' terug te keren.

Na in 1992 te zijn genomineerd voor zijn inmiddels verfilmde debuut The Butcher Boy, bezet Patrick McCabe opnieuw een plaats bij de 'laatste zes'. Breakfast on Pluto (Picador; * 46,90) verhaalt van Patrick 'Pussy' Braden, kind van een priester en diens huishoudster. Hij groeit op bij een alcoholistische pleegmoeder die de kost verdient met het 'opvoeden' van vondelingen. Als hij ouder is, trekt hij naar het beruchte Londen van de Seventies, waar hij zich in leven houdt als travestiete prostitué en geconfronteerd wordt met 'Clockwork Orange-gangs, skinheads en hippy-dealers'. Hij komt in aanraking met het IRA-geweld en zint op wraak jegens zijn vader. De roman is doortrokken van dikwijls gruwelijk geweld, cynisme en zwarte humor.

Met haar historische roman Master Georgie (Duckworth; * 46,90) nadert Beryl Bainbridge het record van Iris Murdoch. Murdoch sleepte in de loop der jaren zes Booker-nominaties in de wacht (en zag in 1978 haar vierde, voor The Sea, The Sea, verzilverd). Bainbridge staat nu op vijf, en heeft, omdat ze nog nimmer won, inmiddels de reputatie van 'Booker bridesmaid'. In Master Georgie reist chirurg George Hardy vlak voor het uitbreken van de oorlog af naar de Krim. Hij doet dat in het gezelschap van de geoloog dr. Potter en Myrtle, een weesmeisje dat in de family Hardy is opgegroeid en een onverbrekelijke band heeft met George. Er zijn drie vertellers: Potter, Myrtle en de fotograaf Pompey Jones. Master Georgie zelf zwijgt: zijn persoon wordt geschetst via de observaties (en misverstanden) van de anderen.

De boeken van de andere twee genomineerde auteurs, ongetwijfeld de meest getalenteerden van het gezelschap, werden al eerder in Cicero besproken. In Ian McEwans Amsterdam (Cape; * 37,70) komen vier mannen elkaar tegen bij de crematie van Molly. Ze hebben gemeen dat ze allemaal haar minnaar zijn geweest. Amsterdam, McEwans derde Booker-nominatie, vertelt hoe het verder gaat met het viertal.

England, England (Cape; * 44,40) van Julian Barnes, is een bespiegeling over het verschijnsel authenticiteit aan de hand van een toekomstbeeld van Engeland. Het is de tweede maal dat Barnes een nominatie verwerft.

Hoewel noch Amsterdam noch England, England hoogtepunten zijn in de oeuvres van McEwan en Barnes, zouden hun boeken door de stilistische vaardigheid, verbeelding, intellectuele diepgang en vertellersbrille verdedigbare bekroningen zijn. De bookmakers hebben McEwan inmiddels uitgeroepen tot favoriet. Maar wie de smaak van de individuele juryleden op een rijtje zet, komt tot andere conclusies. Hoogleraar Valentine Cunningham heeft dit voorjaar het vakmanschap van McEwan, Barnes en Bainbridge geprezen, en ook schrijfster Penelope Fitzgerald heeft een uitgesproken literaire smaak, maar zij zitten in een jury met populisten als de journalisten Miriam Gross en Nigella Lawson, en onder voorzitterschap van oud-minister van Buitenlandse Zaken Douglas Hurd, een ouderwetse Dick Francis-fan.

Dat wordt dus een compromis-kandidaat. Geen highbrow-schrijvers als McEwan en Barnes, geen 'extremisten' als McCabe en Mills en ook geen Booth, want dat is een al te grote outsider. Vijfmaal blijkt dus scheepsrecht voor Beryl Bainbridge.

Hans Bouman

De boeken van de zes genomineerden worden geïmporteerd door Nilsson & Lamm.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden