Zelfs op het kerkhof is het onveilig

In Bangui, de hoofdstad van de Centraal Afrikaanse Republiek, staan christenen en moslims elkaar naar het leven. De stad dreigt in anarchie weg te zakken. Velen proberen te vluchten.

BANGUI - De chauffeur wil niet mee. Hij parkeert zijn auto langs de kant van de weg, laat ons uitstappen en te voet verdergaan. Hij wijst naar de wegversperring van een pantserwagen en een vrachtauto, opgezet door Franse militairen. 'Als ik daar voorbij ga', zegt hij, 'kom ik niet meer levend terug.'


De chauffeur, Patrick Mbakoudu, is een christen. Op de plek waar hij zijn auto heeft weggezet, aan de rand van de hoofdstad Bangui, zijn straatverkopers druk in de weer. Ook zij zijn christenen, zo weet hij sinds kort. Hun geluiden van alledaagse kleine handel gonzen door de brede straat. Het lijkt zo normaal. Het is volkomen vreemd.


De Franse militairen staan hier om te voorkomen dat mensen die tot voor kort als medeburgers zo vertrouwd met elkaar omgingen, elkaar te lijf gaan en in alle wreedheid vermoorden. Achter de zwaarbewapende wegversperring wonen namelijk moslims. Nog maar enkele duizenden. Zij op hun beurt zijn al even bang voor het geweld van de christelijke landgenoten die hen omsingelen als andersom.


'Elke dag valt in de enclave van de moslims wel een granaat', vertelt een Franse militair. 'De mensen daar willen weg, maar ze zitten klem zolang er voor hen geen transport is. Vaak rukken de christenen van de andere kant hier vroeg in de ochtend op. Wapens dragen ze meestal niet bij zich. Maar ze komen met velen en laten merken hoe bedreigend ze kunnen zijn.'


Achter de wegversperring, in de wijk 'PK 12', is een niemandsland van ongeveer honderd meter weg. Het asfalt is geblakerd; hier zijn eerder autobanden in brand gestoken. Tussen het zwerfvuil ligt menselijk haar. Het is mogelijk uit een ver land geïmporteerd. Bedoeld voor een pruik van een trotse Afrikaanse vrouw.


Onbedoeld wekt het vrouwenhaar associaties op met Todesfuge, het huiveringwekkende gedicht van Paul Celan over de holocaust: 'Dein aschenes Haar, Sulamith.' Nee, in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) dreigt geen holocaust. Maar in een klimaat van haat gebeurt iets dat er op uiterst grimmige wijze tegenaan schuurt.


Religieuze tegenstellingen tussen de meerderheid van christenen en animisten enerzijds en de circa 15 procent van de bevolking die moslim is anderzijds, speelden in het recente verleden geen rol in CAR. Dat werd anders toen, voor het eerst sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk, moslimrebellen uit het noorden vorig jaar de macht grepen in het zuidelijke, overwegend christelijke Bangui. De zogeheten Séléka-rebellen onttrokken zich al snel aan het gezag van hun leiders en gingen op veel plaatsen in het land plunderend en moordend tekeer.


Als reactie hierop werden christelijke milities, de Anti-Balaka, actief. Nu de Séléka in elk geval uit Bangui grotendeels zijn verdreven, nemen de christenmilities in de hoofdstad het heft in eigen hand. Vredesmilitairen uit Frankrijk en van de Afrikaanse Unie hebben vaak het nakijken.


'CAR gold natuurlijk al jaren als een mislukte staat', zegt Martine Flokstra, het hoofd van Artsen zonder Grenzen in het land. 'In de hoofdstad leek de zaak nog enigszins te functioneren, maar verder was het toch vooral het Wilde Westen. Maar nu dreigt ook Bangui zelf in anarchie weg te zakken en lijkt CAR de ultieme mislukte staat te worden. Het is bijzonder heftig allemaal.'


Aan de andere kant van de Franse wegblokkade zit Ali Tom. Hij is 20 jaar en geboren en getogen in CAR, al zijn z'n ouders afkomstig uit het buurland Tsjaad. Nu probeert hij, zoals vele tienduizenden andere moslims, naar Tsjaad te vluchten. 'Maar wat moet ik daar? Ik ken er niemand, kan er niet werken en zal er geen leven hebben. Dit hier was mijn wereld, hier voetbalden we samen, christenen en moslims in hetzelfde elftal. Maar het vertrouwen dat we in elkaar hadden, is nu helemaal weg.'


De man naast Ali heeft een machete om de schouder. Elders op straat, waar veel mensen zijn, maar het onnatuurlijk stil is, wemelt het van de mannen met messen, pijlen en bogen en kapmessen. De machetes doen denken aan het Rwanda van 1994. Het besef van haat, uitsluiting en bedreiging brengt herinneringen aan het voormalige Joegoslavië en aan de etnische zuiveringen die daar plaatsvonden.


Buiten bij de moskee langs de straat staan mannen opgesteld voor het middaggebed. Voor hen staan de spullen opgetast van mensen die hopen te kunnen vluchten. Het is het schamele huisraad van mannen en vrouwen die in eigen land niet meer welkom zijn. De lege gele bidon van Moussa. Het paarse plastic stoeltje van Mariam. Het zelfgemaakte autootje van Hamadou, dat kleine jochie. En het halfverscheurde schuimrubber - ooit was het een matras - van Ousmane.


Even verderop is een nieuw, provisorisch kerkhof, met vijf versgedolven graven. 'Zelfs hier is het onveilig', zegt Ali. 'Als ze ons hier zien, kunnen ze ons aanvallen.'


Aan de overkant klinkt het geluid van een schreeuwend kind. En dan opnieuw heerst er stilte. Een tintelende stilte. Op de rand van paniek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden