Zelfs fietsen, altijd het beste medicijn, hielp niet

 

Depressies worden vaak beschreven als een fysieke ervaring. Er kan soms ineens iets in je schieten, zeggen de mensen, wat niet mooi is. In woorden is alles weer lastig te vangen, maar ik stel me er altijd het omgekeerde effect bij voor van de 'binnenkomer' bij xtc-gebruik. Nu begint het, zegt het iets, of eigenlijk: nu begint het niet.

Daags na Kerst, over een krant gebogen, mocht ik ook iets binnen voelen komen. Dat het voorlopig blijvend was, begreep ik sneller dan dat ik kon achterhalen wat het was. Depressie is een groot woord, veel te groot, wel vroeg ik me de laatste maanden vaak af waarom alles zo ingewikkeld leek, zo veel en onleuk.

Zelfs fietsen, altijd voor alles het beste medicijn, hielp niet de klamme schrikachtigheid te verdrijven. Ik kwam nauwelijks meer vooruit, hanneste achter mezelf aan. Ik was alleen, maar hing evengoed aan een elastiek.

Een paar keer ging ik langs bij de maker. Er mankeerde iets aan mijn fiets, zei ik, er liep iets aan, alle energie ging erin verloren. Het was vooral hopen wat ik deed - wat aan de fiets lag, lag niet aan mij - want ik dacht ook wel even aan de lentedag dat ik als kind de voetbalschoenen van vorig seizoen terugbracht naar de winkel: 'Deze zijn gekrompen.'

De laatste weken zag ik de gemiddelden op het metertje aan het stuur weer wat oplopen, voorzichtig nog, zo langzaam als de winter uit het landschap trad. Na bochten zag ik mezelf ook weer uit het zadel komen, niet om verlies van snelheid te compenseren of zoiets, maar omdat ik er zin in had.

Zaterdagmiddag was de Strade Bianche op de Belgische tv, een van de eerste races van het voorjaar, over het witbestofte grind van Toscane. Ik hoorde de fietsen over de wegen gaan, de wind, de helikopter, het overgeïnteresseerde, Vlaamse commentaar. In het jaar van de fietser was de terugkeer van de koers allereerst een auditieve ervaring. Aan de geluiden hoorde je wat je al die wintermaanden had gemist.

De volgende ochtend maakte ik zelf ook een kleine tocht. Langs het Hoendiep ging het Groningen uit, even nog door het industriële dorp Hoogkerk, en daarna ging de wereld open. Ik zag horizonten, groen, breed, uitgestrekt, rijtjes populieren. Alles was lucht en land, met soms een boerderij; de paarden mochten al naar buiten.

Ik zag ook vogels. Ik hoorde ze. Overal. Ze sprongen op elkaar. Drie eksterparen in de wal, op een rij. Eenden die elkaar voorzichtig isoleerden in het riet. Meerkoeten, waterhoentjes, helemaal geil en in de war. Ik had nog nooit zo veel neukende vogels gezien. Het was mooi, het werd goed - wat erin kan, dacht ik, kon er dus ook weer uit. De natuur was een groot matras. Heel het voorjaar zoop en vree, behalve een fuut, vlak voor Zuidhorn. Ik moest het zelf ook nog maar eens netjes vragen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.