Zelfbenoemd erfgenaam

Helene Kröller-Müller verzamelde Van Goghs alsof ze verliefd was. Stroopte de wereld af met het vermogen van haar man, en was er als de kippen bij wanneer de erfgenamen van de schilder weer eens iets aan de markt prijsgaven....

Niemand kon om haar heen en niemand kon tegen haar op. Helene Kröller-Müller verzamelde het werk van Vincent van Gogh met een ongetemde passie. Tussen 1908 en 1922 stroopte ze Europa af. Ze kocht bij kunsthandels in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk, op veilingen en van particulieren. Soms deed ze dat zelf, vaker liet ze het bieden over aan haar leermeester H.P. Bremmer, die ze daartoe een dag in de week in dienst had genomen.

Ze kon het doen, ze beschikte over de middelen. Zo blijkt uit haar aankoopdagboek dat ze in april 1912 in Parijs op vier verschillende adressen achtereenvolgens een, acht, zeven en vier werken van Vincent van Gogh kocht, in mei drie stuks op een veiling in Amsterdam, in augustus drie bij een kunsthandel in Berlijn en in november nog eens twee bij kunsthandels in Amsterdam en Den Haag - 28 stuks in totaal voor meer dan 130 duizend gulden.

Foto's uit die jaren tonen een rijzige, uiterst smaakvol geklede vrouw. Op de ene foto draagt ze een getailleerd pakje met lange rok boven een witte blouse met een gesteven kraagje, het jasje gesloten met een corsage, het opgestoken kapsel weggestopt onder een joyeuze hoed. Op de andere zie je haar in amazonezit te paard, een schimmel, de rug volmaakt gerecht, een smetteloos gesteven rok elegant over de benen gedrapeerd, op haar hoofd een hoge glanzend zwarte rijhoed. Wat vooral opvalt, is die gedecideerde blik.

De Kröller-Müllers beschikten in hun gloriejaren over oneindige geldstromen. Hij haalde het vermogen binnen; zij gaf het uit. Hij wilde een landgoed met jachtslot; zij hield zich bezig met de keuze van architect en begeleiding van het ontwerp. Zij wilde een collectie en een museum voor moderne kunst; hij fourneerde het kapitaal en stelde een deel van zijn kantoren aan de Lange Voorhout in Den Haag ter beschikking. Dat was voor publiek toegankelijk op maandag en vrijdag tussen 10 en 16 uur op vertoon van een toegangsbewijs dat schriftelijk moest worden aangevraagd bij de eigenaresse. 'We lopen nu', zei hij soms spottend als hij iemand begeleidde van zijn kantoor naar haar museum, 'van de debet- naar de creditzijde.'

Helene Müller was, toen ze Anton Kröller ontmoette, de dochter van een ondernemer in Düsseldorf die een scheepvaartonderneming leidde met een filiaal in Rotterdam. De directeur van de Rotterdamse tak was Antons oudste broer, die hem, toen hij oud genoeg was, naar Düsseldorf stuurde om het vak te leren. Het paar bleek voor elkaar bestemd: een paar jaar later, in 1888, trouwden ze.

Binnen een jaar na hun huwelijk stierven Antons broer en schoonvader. Hij werd plotsklaps enig directeur van de onderneming, bleek er geknipt voor, en stuwde Wm. H. Müller & Co in korte tijd op tot een groot internationaal concern. Hij had belangen in bevrachting en scheepvaart, graan- en ertshandel en eigen ijzermijnen in Noord-Afrika, Zuid-Amerika en Zweden. Het concern maakte hem puissant rijk. Grote winsten in de Eerste Wereldoorlog voegden daar nog een schepje aan toe.

Zij kon doen wat ze wilde en bracht de grootste particuliere Van Gogh-verzameling ter wereld bijeen, die alleen nog wordt overtroffen door die van het Van Gogh Museum zelf, waarvan de basis wordt gevormd door de collectie van Jo van Gogh-Bonger, de weduwe van Vincents broer Theo en moeder van Vincent Willem. Helene Kröller-Müller verzamelde, zouden we nu zeggen, alsof ze verliefd was - een gelovige geraakt door het licht, zelfbenoemd beheerder van de erfenis van haar aanbedene.

Terwijl zij de halve wereld afstroopte, verkocht die andere weduwe, bij stukjes en beetjes, af en toe wat uit de familie-nalatenschap om de opvoeding en studie van haar zoon te bekostigen. Uit haar aankopendagboek weten we nu dat Helene daar vaak, getipt door de kunsthandel, als eerste bij was om toe te slaan. Het kon niet op. Ze verzamelde veel meer dan alleen Van Gogh, oudere kunst ook en alle stromingen die elkaar rond de vorige eeuwwisseling opvolgden, van de School van Barbizon, impressionisme en neo-impressionisme, symbolisme, art nouveau en kubisme tot de eerste abstracte kunst. Maar haar Van Goghs vormen de kern van de collectie en dat deel van haar verzameling groeide uit tot een kleine tweehonderd tekeningen en 87 schilderijen.

Nu, bij de 150ste verjaardag van Vincent van Gogh, herdenkt het Van Gogh Museum in Amsterdam de schilder met twee tentoonstellingen, en kijkt het Kröller-Müller Museum terug met een studie naar de passie van Helene voor Van Gogh in een tentoonstelling waarin de werken in chronologie van haar aankopen worden getoond, met het kasboek ernaast, vergezeld van een onderzoek naar de herkomst van de schilderijen.

Het leven van Vincent van Gogh is al een legende, het verhaal van de omzwervingen van zijn werken is dat ook. De studie van het museum brengt meer duidelijkheid in die omzwervingen. Vooral de werken uit de verzameling van Kröller-Müller kwamen overal en nergens vandaan. Over de herkomst van de collectie van het Van Gogh Museum bestaat nauwelijks twijfel, die was altijd in de familie gebleven.

Helene Kröller-Müller (1869-1939) toonde haar verzameling vanaf 1913 in haar museum. Bij Jo lagen ze, tot haar overlijden in 1925, opgeslagen op de zolder van haar bovenwoning in Amsterdam. Helene liet haar Van Goghs graag reizen, ze wilde de wereld laten zien hoe belangrijk zij als collectioneur was, en leende haar veroveringen met tientallen tegelijk uit voor tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Altijd in grotere aantallen dan Jo van Gogh-Bonger, alsof ze de grootste wilde zijn, de echte nalatenschap wilde overtroeven.

De studie leest als een fascinerende nek-aan-nek-race om aandacht en erkenning. Oorspronkelijk zullen ze de wereld hebben willen overtuigen van het genie van Vincent van Gogh, het was ook een clash van twee collecties. In 1912, op een grote tentoonstelling in Keulen, waren van de 108 schilderijen van Van Gogh er 11 afkomstig van Jo, Helene was vertegenwoordigd met 25 schilderijen en 13 tekeningen. In 1927 organiseerde ze een tournee van haar verzameling door Zwitserland en België, het jaar erop vervolgd door een reis langs vier musea in Duitsland. Op de grote Amerikaanse Van Goghtournee langs negen musea, in 1935-'36, was ze met 30 schilderijen en 35 tekeningen de grootste bruikleengever; uit de collectie van Vincent Willem, die zijn moeder als beheerder was opgevolgd, kwamen slechts 12 schilderijen en 6 tekeningen.

De erfgenaam-neef kon het op den duur niet meer aan en gaf zijn collectie in de jaren dertig in bruikleen aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. In 1963 volgde de overdracht aan de Vincent van Gogh Stichting, die de collectie in permanente bruikleen gaf aan de staat op voorwaarde dat er een apart museum voor zou komen, het huidige Van Gogh Museum.

Haar museum aan de Lange Voorhout werd Helene Kröller-Müller al spoedig te klein. Ze wilde een nieuw gebouw in Wassenaar, door de Berlijnse architect Peter Behrens te bouwen. Toen ze bij het zien van de maquette twijfelde, liet haar altijd attente Anton een maquette op ware grootte bouwen, van hout en beschilderd zeildoek, verrijdbaar op rails, zodat ze haar gedroomde palazzo op verschillende plekken op het terrein in ogenschouw kon nemen. Met Behrens ging ze uiteindelijk niet in zee, op advies van Bremmer koos ze bouwmeester H.P. Berlage. Haar man nam hem voor tien jaar in dienst, hij mocht nog uitsluitend voor firma en familie bouwen. Zij verlegde haar aandacht van Wassenaar naar de Veluwe. Beetje bij beetje, kleine boeren uitkopend, kocht zij in een paar jaar tijd de hele Hoge Veluwe op.

Berlage bouwde er het pompeuze jachtslot St. Hubertus, waarvoor hij - behalve de geweerkast van meneer en het tafelzilver van mevrouw - alles ontwierp: van de meubels, verlichting, de patronen van de stoffering, servies en tafellinnen, tot aan uiterst moderne snufjes als een centrale stofzuigvoorziening in alle vertrekken. Het was de bedoeling dat hij daar ook een museum zou bouwen, maar Berlage had genoeg van haar dwingende bemoeienissen en verbrak het contract.

Helene was er niet rouwig om en engageerde de Belgische architect Henry van de Velde. 'Van de Velde bouwt muziek', zei ze, 'Berlage dwingt je muren op.' De bouw van het museum begon in de jaren twintig, maar werd bijna direct stopgezet, evenals haar kunstaankopen. De crisis van Wall Street sleurde ook Wm. H. Müller & Co de diepte in. Het geld was op. Uit angst hun bezittingen bij een stuurloze val van het concern te verliezen, werden park en collectie aan het rijk overgedragen, met de conditie dat er binnen vijf jaar een museum voor werd gebouwd. Het kwam er ten slotte, niet in de oorspronkelijke vorm, maar als een bescheiden tijdelijke voorziening. Het staat er nog, als de oude kern van het huidige museum.

In de jaren dat zij onder leiding van Bremmer, een invloedrijk kenner van de moderne kunst die reputaties kon maken en breken en vele verzamelaars adviseerde, begon te verzamelen, was er nog van alles van Vincent van Gogh te koop. Hij moet tijdens zijn leven ongeveer de helft van zijn werk her en der hebben achtergelaten op plaatsen waar hij had gewoond, weggegeven in ruil voor onderdak, verzorging en schilderspullen of geruild met andere kunstenaars. Die verspreide partijen doken na zijn dood geleidelijk op. Toen de waarde van zijn werk eenmaal tot de markt doordrong, hield iedereen er zich mee bezig. Een Parijse kunsthandel had zelfs een mannetje in Arles gestationeerd, die bij de plaatselijke herbergier, postbode en buren hengelde of er bij hen misschien nog iets van Van Gogh was achtergebleven.

In het terugzoeken naar de herkomst, de eerste eigenaar, worden in de studie een aantal van de allervroegste Van Gogh-verzamelingen gereconstrueerd, die van Albert Aurier, de eerste criticus die nog bij diens leven over Vincent van Gogh schreef en daarvoor, uit dank, van hem een schilderij cadeau kreeg; die van de gebroeders Schuffenecker, de prins van Wagram, en van de Nederlandse collectioneurs Cornelis Hoogendijk, L.C. Enthoven en H. P. Bremmer zelf.

Een paar oude legendes komen weer boven, dat Enthoven bijvoorbeeld, een rijke industrieel uit Den Haag die de jonge Van Gogh financieel steunde in ruil voor werk, later niets meer met hem te maken wilde hebben en al het werk dat de schilder hem uit Frankrijk opstuurde, in pakken vol opgerolde schilderijen, ongeopend in een mand op zolder bewaarde. Na zijn dood kwamen die jonge Van Goghs uit de jaren van de vriendschap op de veiling, maar die mand met het Franse werk werd, met nog wat andere zoldertroep, op het erf verbrand. Het wordt onwaarschijnlijk geacht, is de boodschap, maar ook, voorzichtig, je kunt nooit weten.

Uit al die collecties kocht Helene Kröller-Müller. De geschiedenis van die verspreid geraakte werken is nu gereconstrueerd, de weg die ze volgden, wie van wie kocht en wie dat dan weer van wie had - een fascinerend verhaal. Het is aan haar te danken, door haar schenking aan de staat, dat aan dat eeuwig van hand tot hand gaan een eind is gekomen en er in Nederland nog een tweede openbare collectie kwam.

De rivaliteit tussen de twee dames is de twee musea nog lang nagedragen. Het Van Gogh Museum zou dan wel de grootste verzameling hebben, maar het mooiste werk zou in Kröller-Müller hangen. Van strijd is geen sprake meer. Ze werken, zeggen ze nu, al heel lang 'plezierig samen'. In het oproepen van die rivaliteit in deze tentoonstelling kon Helene's huidige directeur, Evert van Straaten, het toch niet laten nog een plaagstootje uit te delen naar het Van Gogh Museum. Hij zegt in zijn inleiding dat het 'wellicht een goed idee is die artistieke weging nog eens uit te voeren'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden