Zelf Martin Bril worden

Altijd columnist willen worden? Geregeld verzucht dat u oneindig veel scherper en puntiger formuleert dan al die stukjesschrijvers?...

‘De column is dood’. De staatssecretaris van Cultuur Aad Nuis zei het zelf, in 1985 bij een lezing in De Balie. De kranten- en tijdschriftkolommen overziend, zag hij ‘een eindeloos veld van doorgeschoten sla in de najaarsregen’, oftewel: ‘Een en al gekwebbel en gebabbel, met hier en daar een aardig aperçu’tje of een niet al te opzichtig afgekeken maniertje, maar hoofdzakelijk toch een gênante mengeling aan woordjeskunst en kippendrift.’

Nuis doelde weliswaar op het genre van de ‘literaire column’, maar ook dan valt nu, ruim twee decennia later, te constateren hoever de bewindsman ernaast zat. Het wemelt in de media van de columns en cursiefjes, columnisten zetten de toon in het debat, wethouders zijn eraan ten onder gegaan.

De column is niet dood, wel is er een columnist vermoord.

Hoe kon de staatssecretaris van Cultuur zich zo vergissen? Columnist Max Pam wist het later wel te verklaren: Nuis had begin jaren tachtig aangeklopt bij de hoofdredactie van NRC Handelsblad om een wekelijkse column te mogen schrijven, en kreeg na enige tijd te horen dat het niet doorging. Max Pam daarover fijntjes in Hollands Maandblad: ‘Het mocht niet van ene W.F. Hermans. Bovendien vonden ze Nuis bij de krant gewoon niet goed genoeg. Daarna werd de column doodverklaard.’

Het genre bestaat al sinds de achttiende eeuw. Maar de column vond in Nederland pas echt vruchtbare grond in de jaren zestig van de vorige eeuw. Pershistoricus Huub Wijfjes beschrijft in zijn werk Journalistiek in Nederland 1850-2000, hoe de column als ‘vrijplaats voor scherpe meningen en bijtende satire’ in de verdrukking was geraakt in de jaren van de verzuiling, toen het vooral zwaarwichtige commentaren waren die de kolommen vulden.

Opmars column

Pas in de jaren zestig en zeventig begon de column aan een ware opmars. Journalisten kregen, aldus Wijfjes, pas echt een (letterlijk) gezicht doordat zij zich steeds meer in openbare debatten mengden op persoonlijke titel. De meest uitgesprokenen onder hen kregen rubrieken en optredens op de televisie, in dag- en weekbladen ontwikkelden journalisten als Jan Blokker (de Volkskrant), Hugo Brandt Corstius en Renate Rubinstein (Vrij Nederland), Jacques Gans en Leo Derksen (De Telegraaf), Nico Scheepmaker (GPD) en Jerôme Heldring en Henk Hofland (Algemeen Handelsblad) hun eigen stijl.

Die stijl had vergaande maatschappelijke gevolgen: in zijn oude leerboek over journalistiek schreef Piet Heil in 1979 dat het ‘naar schatting niet veel meer dan vijftien jaar geleden zal zijn dat een woord als ‘beroerd’ in krantenkolommen verboden taal was. Evenals ‘ouwehoeren’. Van nog aanzienlijk recentere datum is de acceptatie van woorden als ‘gelul’, ‘gezeik’, ‘lazeren’, enzovoort. Persoonlijke columns zijn vaak de infiltratiekanalen.’

Het columnisme tierde welig, maar kon niet iedereen bekoren, schrijft historicus Wijfjes: ‘Eind jaren zeventig al was het geweeklaag niet van de lucht over ‘het columnistendom’ dat met leuk opgeschreven meninkjes de nieuwsfeiten naar de achtergrond aan het duwen was.’

Veel heeft dat niet geholpen: grote maatschappelijke affaires speelden zich de afgelopen decennia niet alleen meer af rond journalistieke onthullingen van nieuwswaarde, maar rond columns.

De klap na de weigering van minister van Cultuur Elco Brinkman om de PC Hooftprijs uit te reiken aan columnist Stoker (Hugo Brandt Corstius, die minister Ruding had vergeleken met Adolf Eichmann) galmde in 1984 tijdenlang door de kolommen van alle media.

Kwetsen

De columnist had volgens Brinkman ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’. Later zei hij: ‘Dat is geen satire, dat is letterlijk het pistool op de borst’. De prijs veranderde van een staatsprijs naar een die werd uitgereikt door een stichting; in 1987 ontving de columnist hem alsnog.

Vers in het geheugen ligt nog het als column gepresenteerde verslagje van Parool-columniste Heleen van Royen, waarin ze schreef wat de Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk haar had verteld over coke en hoeren. Het kostte de volksvertegenwoordiger zijn loopbaan en reputatie.

En de datum 2 november staat sinds twee jaar genoteerd als zwarte dag in de Nederlandse columnistiek – wie durft nog te reppen over de dood van de column?

Het genre bloeit heden ten dage volop, en is inmiddels zo goed als vogelvrij: (bijna) iedereen mag het. Van de diëtiste en docent maatschappijleer in de gratis treinkranten tot de soapster, televisiepresentator of sportcommentator die in menig krant of tijdschrift vrijelijk mag delibereren over de kuiten van Van Persie of pukkelige pubers – het heet allemaal column.

Hun evenknieën bij serieuzere media debiteren graag zwaarwichtiger meningen over de AOW-plannen van Wouter Bos, ‘het nieuwe absolutisme’ of ‘de valkuil van het culturisme’ op de opiniepagina’s, maar zelfs zij ontkomen va tijd tot tijd niet aan huiselijke besognes rondom de gestorven poes – de spreekwoordelijke variant van een schrijversdipje, die ironisch genoeg nog opmerkelijk vaak in de kolommen valt terug te vinden.

Tegenwoordig lijkt iedereen schrijver: literaire uitgevers zuchten al jaren onder de last die zo’n miljoen amateurschrijvers hen vrijwel dagelijks bezorgen met hun ongevraagd opgestuurde manuscripten. Het inmiddels ingeburgerde weblog lijkt voor de ‘columnisten’ onder hen een uitkomst: het afgelopen jaar steeg het aantal gebruikers van 250 duizend naar 600 duizend, zo bleek uit onderzoek. Hun huisvlijt betreft doorgaans hoogst particuliere dagboekachtige aantekeningen over het dagelijks leven van dertigjarige singles of gescheiden moeders, maar er bestaan ook pretentieuzere varianten met onderwerpen van fietsen tot homoseksualiteit, voetbal en het koninklijk huis.

Elke krant of elk tijdschrift heeft tegenwoordig talloze hoekjes, soms zelfs tientallen per aflevering, waarin een terzijde wordt geplaatst door een met portret afgedrukte auteur. Zelfs op radio en televisie lijkt het genre in opmars: waar we het voorheen hielden bij ‘De wereld volgens mr GBJ Hilterman’ en de wekelijkse kanttekingen van Midas Dekkers in het natuurprogramma Vroege Vogels, komen we de gesproken column nu tegen in sportprogramma’s als Holland Sport (VPRO-tv) en Langs de lijn (Radio 1), in het politieke praatprogramma Buitenhof en het media-programma De leugen regeert.

Puntgaaf geschreven

In het beste geval is de column puntgaaf geschreven. Zelden is hij langer dan zo’n 700, 800 woorden, liefst korter, en altijd moet hij de lezer vlot bij de kladden grijpen; door stijl, door visie, door standpunt, door eruditie of humor, of misschien wel de combinatie van dat alles. Geklaag over de kwaliteit is van alle tijden. ‘Het zou de kwaliteit van het publieke debat enorm ten goede komen, wanneer in Nederland een intellectueel uitdagender columnistiek tot ontwikkeling zou komen.

Waarom hebben wij geen columnisten als Thomas Friedman?’, schreef Paul Cliteur in deze krant. Niet veel later pakte hij als Buitenhof-columnist zijn biezen wegens het klimaat van onfatsoen dat volgens hem was gerezen in Nederland.

Of hij gelijk had, laten we in het midden. Liever dagen we de lezer uit. Vandaar dat het idee rees voor een prijsvraag (zie kader) waarvoor we bij dezen de aftrap verrichten: kruip in de huid van een de meest prominente columnisten van de Volkskrant, Martin Bril, meester van het genre dat je als ‘terloopse observaties’ zou kunnen omschrijven.

Nieuw is het idee niet helemaal: in oktober 1976 organiseerde het Amsterdamse dagblad Het Parool een Kronkel-wedstrijd: lezers mochten hun eigen Simon Carmiggelt-column insturen. Maar liefst 1993 aspirant-schrijvers gaven daar gehoor aan, zo herinnert zich journalist Henk van Gelder, die de wedstrijd als jongeling coördineerde. De eerste week werd gevuld met pastiches van bekende columnisten als Kees van Kooten, Rinus Ferdinandusse, Henk Spaan, Nico Scheepmaker en Renate Rubinstein (hetgeen het begin inluidde van de jarenlange buitenechtelijke romance die ontstond tussen haar en Carmiggelt). Henk Spaan werd de beste imitator bevonden. De tweede week werd gevuld met bijdragen van lezers, van wie een substantieel deel de opdracht overigens niet had begrepen, aldus Van Gelder.

Helemaal zonder risico’s is het niet, een wedstrijd met lezersbijdragen. In het huidige ‘knip & plak-tijdperk’ is een plagiaatje zo gemaakt (maar ook zo te herleiden), maar ook andere gevaren liggen op de loer. Zo mocht ooit het weekblad Vrij Nederland ervaren, toen het voor z’n jaarlijkse zomernummer lezers had gevraagd een bijdrage te sturen over het thema ‘Ruzie met de baas’. Winnaar werd een toen nog onbekende inzendster, die schreef over het gedoe waarmee ze op haar werk moest vertrekken. Later bleek het een pseudoniem van Lisette Lewin, die had beschreven wat haar was overkomen in het gedoe rond haar gedwongen vertrek als redactrice bij VN.

Enfin, zouden we bijna zeggen. Het woord is aan de lezer.

De wedstrijd

In een land met zo’n miljoen aspirantschrijvers moet een evenknie van Martin Bril te vinden zijn. Oproep: schrijf uw eigen imitatie-Martin Bril -column, met gebruik van zoveel mogelijk stijlkenmerken van de meester zelf. Stuur hem op en maak kans op plaatsing in de Volkskrant, op de vaste plek van Bril , elke werkdag op De Voorkant. De beste inzendingen worden afgedrukt tussen 24 juli en 20 augustus 2006.

Inzendingen worden beoordeeld door een jury. Daarin zitten Martin Bril zelf, columnist en literatuurrecensent Max Pam, Wilma de Rek (chef Vervolg/de Voorkant/Media) en Jean-Pierre Geelen (mediaredacteur de Volkskrant). De jury beloont de drie allerbeste inzendingen niet alleen met plaatsing, maar tevens met een zonnebril.

Inzendingen, maximaal 500 woorden, Klik op deze link om uw bijdrage te mailen

Martin Bril (Martijn Beekman / de Volkskrant) Beeld Beekman, Martijn
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.