'Zeg Trude, de Führer wil dat ik tulpen ga planten'

Arthur Seyss-Inquart, vanaf mei 1940 de sterke man van Nederland, was honderd procent loyaal aan zijn idool ‘Het is voor ons, als thans levende Duitsers, ons grote geluk dat we de uitvoerders van de wil van de Führer, en daarmee van de geschiedenis mogen zijn.’..

Op 18 mei 1940 belde Arthur Seyss-Inquart, de Oostenrijker die twee jaar eerder Adolf Hitler uiterst behulpzaam was geweest bij de invoeging van beider vaderland in het Groot Germaanse Rijk, naar zijn vrouw. Hij sprak in code: ‘Zeg Trude, de Führer wil dat ik tulpen ga planten.’

Elf dagen later stond Seyss-Inquart al in de Ridderzaal in Den Haag, in uniform. Hij hield er zijn inaugurele rede, als de nieuwe sterke man van Nederland. Rijkscommissaris was zijn titel, stadhouder van Hitler in Nederland. En hij maakte er geen geheim van dat hij honderd procent loyaal zou zijn en blijven aan zijn idool. Hij had zijn best gedaan dat in zijn speech zo mooi mogelijk onder woorden te brengen, en dat leidde tot deze fameuze zin: ‘Het is voor ons, als thans levende Duitsers, ons grote geluk dat we de uitvoerders van de wil van de Führer, en daarmee van de geschiedenis mogen zijn.’

Het was de wil van de Führer, zo had Seyss-Inquart op 17 mei rechtstreeks te horen gekregen, om Nederland integraal deel van het Derde Rijk te laten worden. Nederland moest genazificeerd worden, en Seyss-Inquart koos daartoe vooralsnog voor de geleidelijke weg: liever goedschiks dan kwaadschiks.

Seyss-Inquart had in 1938 het vertrouwen van zijn Führer verworven. Hij speelde de hoofdrol in de Anschluss, in 1938. De ambitieuze zoon van een Tsjechische leraar klassieke talen was opgeklommen tot minister van Binnenlandse Zaken in Oostenrijk. Toen de regering onder veel rumoer ten val kwam, schoof Seyss-Inquart, door naar de post van premier. Zijn eerste daad was de hulp inroepen van nazi-Duitsland bij het handhaven van recht en orde. Het desbetreffende telegram lag al enige tijd klaar, de Duitse legers waren al onderweg, en binnen een dag maakte Adolf Hitler een glorieuze entree in Wenen. Organiseren, dat kon Seyss-Inquart als de beste.

De beloning voor deze fluwelen staatsgreep kreeg Seyss-Inquart in etappes. Eerst was er een post in het kabinet van Hitler, hij werd rijksminister, maar dat was een erebaantje (met auto met chauffeur): dat kabinet kwam nooit bij elkaar. Vervolgens werd hij enige tijd in Krakau geparkeerd. In mei 1940 volgde dan de hoofdprijs: Nederland.

Snel dingen regelen, dat was zijn grote talent. Hij had het binnen enkele weken voor elkaar dat de voorlichtingsafdeling van de Duitse ambassade, onder leiding van Willy Janke, de propaganda van zijn rijkscommissariaat ter hand nam. Dat gebeurde snel en doeltreffend en met een in Nederland toen nog onbekende hypermoderne aanpak. Begin oktober krijgen de bioscoopbezoekers te zien hoe je zoiets doet.

Er zijn dan op het Centraal Station van Rotterdam een paar honderd kinderen teruggekomen van een paar weken Oostenrijk – daar mochten de slachtoffertjes van het bombardement van 14 mei op krachten komen. Ze worden verwelkomd door Arthur Seyss-Inquart, en het Polygoon Journaal is erbij en maakt een lang verslag, met de rijkscommissaris in de hoofdrol. Hij vraagt de kinderen hoe ze het gehad hebben, of ze veel gespeeld hebben en of ze er nu nieuwe vriendjes bij hebben. De geluidskwaliteit is opvallend goed: er is een microfoon op statief geplaatst waarachter de rijkscommissaris zijn spontane gesprekjes houdt. Daarna is te zien hoe de kinderen door hun ouders worden geknuffeld en dan volgt het vertrek van Seyss-Inquart. Hij is opeens in een open auto gaan stáán en zwaait naar de toegestroomde menigte. Zo is een Nederlandse politicus of bestuurder nog nooit te zien geweest: de propagandamachine is al direct op gang gekomen. Nederland, zo luidt de boodschap, wordt bestuurd door een goedlachse, gemoedelijke oom.

Geen feestganger
Het zou niet lukken om dat imago er bij de Nederlandse bevolking stevig in te hameren. Seyss-Inquart was een formele, stijve man, een steile jurist, geen feestganger. En hij had een fysieke handicap, die moeilijk buiten beeld te houden was. Hij liep mank, als gevolg van een ongeval bij een tocht door de bergen. In zijn uniform, waarin hij geregeld op het bioscoopscherm te zien is, ziet dat er wat meelijwekkend uit, - mank en geuniformeerd passen slecht bij elkaar. Toch droeg hij zijn uniformen geregeld. Er zijn er zowaar twee bewaard gebleven, in het Legermuseum in Delft. Ze zijn een jaar of acht geleden aan het museum aangeboden uit de nalatenschap van een Nederlandse militair. Die had ze lang geleden cadeau gekregen van een Engelse officier, die Seyss-Inquart aan het eind van de oorlog had mogen arresteren. De naamsetiketten zitten er nog in, in de binnenborstzak genaaid, de naam is er met onuitwisbare inkt op geschreven. Het ene is van de SS, het andere van Buitenlandse Zaken, ze zijn gemaakt door een kleermaker uit de Tauentzienstrasse in Berlijn.

Seyss-Inquart nam in Nederland zijn intrek in het landgoed Clingendael, tussen Den Haag en Wassenaar. Er was ’s winters gelegenheid te schaatsen op de vijvers, en ook om Seyss-Inquarts favoriete wintersport te beoefenen, het ‘Eisschiessen,’ een soort jeu de boules op het ijs, dat in Oostenrijkse dorpen nog altijd in zwang is. In de zomer ging zijn voorkeur uit naar tennis – er lag een baan op het landgoed. Er is een privéfilm van de familie waarop Seyss-Inquart een dubbel vormt met Heinrich Himmler, de Reichführer SS, met als tegenstander onder anderen de meedogenloze politiechef in Nederland, Hanns Rauter. Een legendarische partij: daar stonden drie mannen op de baan die nog maar enkele jaren van hun doodvonnis wegens oorlogsmisdaden verwijderd waren.

Er was ook volop gelegenheid voor diners in het statige Clingendael, maar die hadden in hogere Duitse kringen geen goede naam. Bij het eten kon er niet meer af dan één glas wijn per persoon, dat was ver onder het daggemiddelde van de topnazi’s hier. Het menu was ook al schraal. Eén keer vlees opdienen was de regel, groenten en aardappelen twee keer. Het dessert bood de keuze uit pudding en fruit. De crème de la crème van de Duitse bezettingsmacht was daar niet tevreden mee.

Seyss-Inquarts biograaf Neuman weet te melden dat enige hoge gasten uit Berlijn kort na hun vertrek uit Clingendael in de binnenstad van Den Haag opnieuw aan het dineren waren geslagen; toen de kok van de Rijkscommissaris dat later te horen kreeg stortte zijn wereld ongeveer in.

Seyss-Inquart hield kantoor in een pand aan het Plein, vlak bij de Tweede Kamer. Hij had het daar niet gemakkelijk. Hij moest voortdurend optornen tegen die andere machtige groep in het Duitse Rijk, de SS. Hanns Albin Rauter, de hoogste man van de politie, was op papier zijn ondergeschikte, maar liet zich in de praktijk alleen door Himmler sturen en trok zich van de rijkscommissaris weinig aan.

Zeker niet als Seyss-Inquart onbereikbaar was, wat met de beperkte communicatiemiddelen nogal eens vooorkwam. Of het toeval is of niet, op de beslissende momenten kon Rauter zijn gang gaan. Toen in 1941 in Amsterdam de Februaristaking uitbrak was Seyss-Inquart niet in het land. Rauter nam de leiding en dirigeerde troepen naar Amsterdam, eerst marechaussee, daarna een regiment SS-Totenkopf-Infanterie, en later ook nog een Polizeibatallion uit Assen.

Ze kregen volmacht om alle vormen van geweld te gebruiken om de staking te breken. Twee jaar later brak er een veel grotere staking uit, de april-/meistaking, uit protest tegen het wegvoeren van alle Nederlandse mannen die in 1940 als dienstplichtige gemobiliseerd waren geweest. Ook toen zat Seyss-Inquart elders, hij had een afspraak met Goering, Himmler en Hitler op de Obersalzberg, in Hitlers Berghof. Rauter wilde onmiddellijk in het hele land het standrecht afkondigen (dat zou betekenen dat iedere verdachte direct kon worden neergeschoten), maar daar had hij toestemming van Seyss-Inquart voor nodig. Hij kon hem niet bereiken, en besloot het standrecht alleen in te voeren in de provincies waar gestaakt werd. Pas drie dagen later gold deze ‘license to kill’ in het hele land – de maatregel kostte ongeveer 175 mensen het leven.

Seyss-Inquart streefde in het begin naar geleidelijke nazificatie, en probeerde alles na te laten dat onrust onder de bevolking zou veroorzaken. Aanvankelijk liep dat naar wens, na twee maanden schreef hij in een rapport aan Hitler dat het nog maar een kwestie van tijd was eer het Nederlandse volk ‘voor een nauwe verbinding met het Rijk kan worden gewonnen.’

Maar dat viel tegen. Kort na de aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941 sprak Seyss-Inquart een massameeting toe op het IJsclubterrein in Amsterdam, tegenwoordig het Museumplein. Daar kondigde hij aan dat Nederland grondig gereorganiseerd moest worden. Alles wat de nieuwe ideeën in de weg zou staan, zou worden opgeruimd – vanaf dat moment sloeg de rasopportunist Seyss-Inquart de weg van de radicaliteit in.

Hij staakte zijn pogingen de Nederlandse productiecapaciteit op peil te houden, hij werkte mee aan de massale afvoer van arbeidskrachten naar Duitsland. Hij werkte voluit mee aan de deportatie van de Joden. Zoals alle topnazi’s ontkende hij voor zijn rechters in Neurenberg dat hij wist wat er met de gedeporteerde Joden zou gebeuren. Dat is buitengewoon onwaarschijnlijk, hij hoopte met die ontkenning een doodvonnis te ontlopen. Hij was een uitgesproken antisemiet, hij heeft in een openbare redevoering gezegd dat hij de Joden niet als onderdeel van het Nederlandse volk beschouwde. Aan de psycholoog in de gevangenis van Neurenberg vertrouwde hij toe dat hij zich met het lot van de Joden niet bezighield, hij had te veel andere dingen aan zijn hoofd.

Op 8 mei 1945 werd Arthus Seyss-Inquart in Nederland gearresteerd, hij zat vast in het Twentse Delden. Het Tribunaal van Neurenberg achtte hem bijna anderhalf jaar later schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid. Het vonnis luidde: dood door de strop. Op 16 oktober 1946 werd dat vonnis voltrokken, zijn lichaam werd verbrand, de as werd verstrooid in de rivier de Isar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden