Zeg ons toch alsjeblieft wat we moeten doen

Tijdens de oorlog zaten 14 duizend leerlingen op joodse scholen. 'Ineens was ik niet meer een gewoon persoon.' Vandaag wordt een herinneringsteken geplaatst bij het voormalig Joods Lyceum in Amsterdam....

'DE politieke dreiging werd in de loop van 1941 hoe langer hoe tastbaarder. Angst voor deportatie en de toekomst groeide binnen gezin en vriendenkring. De lessen waren voor mij geen last maar een verademing, een betoverde tuin, waar angst geen toegang had.' Zo beschreef Gerhard Durlacher in Strepen aan de Hemel zijn ervaringen op zijn oorlogsschool. Durlacher zat, net zoals 14 duizend andere kinderen, vanaf 1941 op een joodse school. De geschiedenis van het joods onderwijs in de oorlog is nauwelijks beschreven. Tot de zomer van 1941 bezochten de meesten een gewone - meestal openbare - school. Een kleine minderheid ging naar religieuze joodse scholen.

Na het ontslag van de joodse ambtenaren volgde de segregatie van de joodse jeugd. De Duitsers duldden niet langer dat joodse en niet-joodse kinderen contact hadden. Niet tijdens het schoolzwemmen en zeker niet in de schoolbanken. In een paar maanden kwam een gigantische operatie op gang: alle joodse leerlingen moesten naar aparte scholen. Dat was een enorme verhuizing. In ruim dertig steden werden meer dan honderd aparte scholen opgericht, van kleuterschool tot lyceum. De meeste waren in Amsterdam.

De overheid protesteerde; zo'n kolossale verhuizing was onmogelijk. Maar toen de bezetter duidelijk maakte dat er niet aan het besluit viel te tornen, zetten de ambtenaren hun schouders onders het karwei. Dat kostte veel overuren, maar dat hadden ze er voor over. In geen enkel archief is iets terug te vinden van twijfel of aarzeling.

Toen bleek dat de Duitsers er bezwaar tegen hadden dat twee scholen, een joodse en een niet-joodse, één voordeur deelden, werd ook die opdracht stipt uitgevoerd, opdat alle joodse leeringen na de zomervakantie naar aparte scholen konden. De plannen werden pas in de vakantie echt bekend. Veel kinderen konden geen afscheid nemen van hun oude klas en hun oude vrienden.

Miep Gompes was 11 toen de oorlog uitbrak. 'Voor die tijd was joods zijn iets heel gewoons. Daar werd geen aandacht aan besteed. Thuis vierden we Sinterklaas en oud en nieuw, verder niets.' In mei 1940 kwam de omslag. Gompes: 'Ik herinner me nog dat ik naar het huis van de buren keek. Die zijn ook joods, dacht ik. Dat was voor het eerst dat ik me dat realiseerde.'

De meeste joodse kinderen kwamen uit geassimileerde families en ontdekten in de loop van het eerste oorlogsjaar tot hun verbijstering hoe belangrijk hun achtergrond werd. 'Van een ruim perspectief werd je teruggebracht tot iets wat je kennelijk was,' zegt Gompes. 'Ineens was ik niet meer een gewoon persoon.' Hoe vreselijk het voor de meeste kinderen ook was dat ze hun eigen school moesten verlaten, op hun nieuwe scholen deelden zowel de leerlingen als leraren dat 'anders' zijn. Ze zaten allemaal in hetzelfde schuitje. 'School was een soort niemandsland', vertelt Gompes. 'Daar voelden we ons normaal en geaccepteerd.'

Het eerste schooljaar verliep rustig. Leraren en directies deden hun uiterste best om zo goed les te geven. De leerlingen mochten beslist niet achterop raken. Er werden proefwerken afgenomen, de leerlingen speelden toneel en maakten een schoolkrant. De historicus Presser, die les gaf op het Joods Lyceum in Amsterdam, beschrijft in de Ondergang 'zijn' lyceum. 'Het meest merkwaardige van die school was zijn volstrékte normaalheid binnen een áfgrond van abnormaalheid: alles ging gewoon door. . .'

Over het joodse onderwijs in de oorlog is weinig geschreven. Alleen het Joods Lyceum, waarop enkele bekende leerkrachten en leerlingen zaten, wordt weleens genoemd. Het voormalige gebouw van het lyceum, aan de Stadstimmertuin, is nog steeds in gebruik: nu voor de opleiding voor Mode en Uiterlijke Verzorging.

TOT verbazing van oud-leerling Elly Blanes 'schieten de laatste jaren de oorlogsmonumenten als paddestoelen uit de grond', maar is er geen enkele herinnering aan die honderd joodse scholen. Zij nam het initiatief voor een herinneringsteken bij haar eigen middelbare school. Het werk van de kunstenaar Ralph Prins - ook een oud-leerling - wordt vandaag onthuld. Blanes: 'Het kostbaarste wat iemand kan bezitten zijn goede herinneringen.'

Aan het eind van het eerste schooljaar werd de bewegingsvrijheid van joodse kinderen steeds verder ingeperkt: ze mochten niet naar Artis, niet roeien, niet zwemmen, niet met de tram, geen ijs kopen, niet fietsen, zelfs wandelen werd gevaarlijk omdat ze konden worden opgepakt bij een razzia. Het enige 'normale' was de school. De kinderpsychiater David de Levita, oud-leerling van het Joods lyceum, herinnert zich hoe intensief het contact met zijn klasgenoten was. 'In normale tijden heb je ook een leven buiten school. Dat hadden wij niet, wij waren één groep. Naarmate er minder kinderen overbleven, werd de groep hechter. Het was je hele leven. Ik heb die klas als iets volslagen onmisbaars beleefd.'

ER is een groot verschil tussen de twee jaren dat de joodse scholen bestonden. Het eerste jaar ('41-'42) stond in het teken van de opbouw. Het tweede jaar ('42-'43) was het jaar van de afbraak. Aan het begin van het schooljaar zaten 14 duizend leerlingen op school, aan het eind krap duizend. Dat het tweede schooljaar het jaar van de ontmanteling was, weten we achteraf. Toen beseften de leraren en leerlingen dat hun situatie steeds hachelijker werd, maar hoe erg, kon niemand toen nog bevroeden.

Steeds meer leerlingen en leraren werden gedeporteerd of doken onder. 'Toen de deportaties begonnen, werd de dreiging werkelijkheid', zegt Gompes. 'Je zat in het net.' Steeds meer leraren kregen een oproep voor de werkkampen. Leerlingen bespraken met elkaar en met de leraren wat ze moesten doen: gaan of onderduiken? Presser beschrijft in de Ondergang wat er gebeurde toen op 3 juli 1942 in de Hollandse Schouwburg de diploma's aan de eindexamenkandidaten werden uitgereikt.

'Na de gebruikelijke toespraak van de rector, de heer Elte, kreeg een meisje uit de hoogste klas verlof de dames en heren leraren om raad te vragen. Zij en haar zusje, ook op school, hadden een oproep ontvangen een paar dagen later naar Duitsland te gaan. Welnu: wat moesten ze doen? Daar stond het meisje, 17 jaar en met een einddiploma vol achten en negens, helemaal onbeschermd, maar rechtop voor de groene tafel, waar de leraren zaten. De historicus die dit zovele jaren later allemaal opschrijft, is het alsof hij haar nog ziet staan, een lief intelligent kind, door en door fatsoenlijk; hij hoort nog haar vraag, om nimmer te vergeten: ''Dames en heren, zegt U ons toch alsjeblieft, wat we doen moeten.'' Een enkele onzer reageerde onmiddellijk. (. . .) Niemand kon ze werkelijk helpen - en zo gingen zij in de dood.'

Toch ging het gewone schoolleven zoveel mogelijk door. Tijdens diezelfde uitreiking waren er optredens van leerlingen. In april 1943 voerden de leerlingen van het Joods Lyceum zelfs nog een toneelstuk op. Er werd heftig gedebatteerd: moesten op de kostuums ook sterren? Uiteindelijk besloten ze dat Willy Pos, de leraar die ze begeleidde, wel een ster moest dragen, maar dat de kostuums sterloos konden blijven. De Levita vergelijkt de kinderen met frontsoldaten. 'Je keek niet om, je keek niet wie er viel. Je moest gewoon door.'

In 1998 kreeg Gompes subsidie om de geschiedenis van haar school te beschrijven. De historica Dienke Hondius schrijft het boek over het Joods Lyceum dat volgend jaar verschijnt. Hondius: 'Het is jammer dat wij over één school schrijven, maar dat is al zoveel werk. Ik hoop dat anderen ons voorbeeld zullen volgen. Er is nooit aandacht aan besteed, ook niet op de scholen waar de joodse leerlingen vertrokken. Op het Barlaeus-gymnasium in Amsterdam, bijvoorbeeld, verlieten 65 leerlingen de school. Zomaar, zonder dat er zelfs maar afscheid van ze werd genomen. Ik werd opgebeld door een leraar die nu wil gaan onderzoeken wat er is gebeurd. Dat is goed. Leerlingen van nu kunnen uitzoeken waar de leerlingen van toen woonden, of ze nog leven, of iemand ze zich nog herinnert. Zo breng je de geschiedenis dichtbij. Uit ons onderzoek blijkt dat van de bijna 480 leerlingen ruim de helft is omgekomen. Van de overlevenden zijn er nog 120 in leven.'

Gompes en Blanes, die beiden willen dat de herinnering aan hun school blijft leven, zijn beducht voor het noemen van de naam van de bekendste leerling: Anne Frank. Ook zij zat, samen met haar zus Margot, op het Joods Lyceum. Een van de bekendste foto's van Anne, met haar armen gekruist in een bank, is gemaakt door de schoolfotograaf toen zij in de eerste klas van het lyceum zat. 'Ik ben zo bang dat het straks alleen over Anne gaat', zegt Gompes. 'Natuurlijk zat Anne op school, ze zat zelfs bij mij in de klas. Maar laten we het niet over haar hebben. Al die andere kinderen zijn net zo belangrijk. Er zijn zelfs kinderen waar niemand meer iets over weet. Als we niet oppassen, vallen wij straks ook weer onder die deken van adoratie voor dat dagboek.'

EEN groot deel van het archief van W. Elte, de rector van het Joods Lyceum, is bewaard gebleven. Daarin zit onder andere een briefje van Otto Frank, de vader van Anne. In 1947 stuurde hij dat plus een exemplaar van de eerste druk van het dagboek aan de oud-rector. 'Toen ik U in Maastricht sprak wist ik nog niets over het lot van mijn kinderen. Nu stuur ik U bijgaand boekje ter herinnering aan Margot en Anne, die beiden zo graag het Joods Lyceum bezochten.

'Ofschoon door een kind geschreven heb ik de indruk, dat wij allen uit dit boekje nog iets kunnen leren. Het is buitengewoon zeldzaam dat wij iets van het zieleleven van een kind op deze leeftijd leren kennen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.