Zeg me, wat het donker is

Als je als voornaam Adam krijgt, hoeft het lot zijn kaarten niet te schudden. Je zult alles moeten gaan benoemen....

KEES FENS

Een decemberroos, een verlangen

in de zwarte tuin, dat knelt,

op de bomen roest, en dikke rook

alsof iemands eenzaamheid brandde.

De laatste regel is natuurlijk de sterkste, en roos en tuin en boom worden er eenzaam door. De erop volgende strofe is zeer verrassend:

Op mijn wandeling gisteren moest ik weer

aan het vliegveld van Amsterdam denken -

aan die gangen zonder woningen,

wachtkamers vol mensendromen,

door ongeluk bezoedeld.

Voor de Nederlander is 'het vliegveld van Amsterdam' ongewoon; het ligt ver weg, je zou het diep in het buitenland, tegenover een buitenlander, zo noemen. Voor de dichter is dat vliegveld een herinnering, waarschijnlijk een verre.

Tijd en ruimte houden of hielden het op afstand, maar ineens bij het zien van die tuin op een wandeling, denkt hij aan dat vliegveld, dat hier, mede onder invloed van de voorgaande strofe, het karakter van totale verlatenheid krijgt, van dood ook. Dood is de tuin, een begraafplaats het vliegveld, zoals de vierde strofe (de derde sla ik over) schitterend zegt:

Je begrafenis had hier kunnen plaatsvinden -

zoveel onoplettendheid, een rennende menigte,

een goede plek om afwezig te zijn.

De 'je' is de moeder van de dichter; ze kwam eens in een zomerjurk uit het oosten op het vliegveld van Amsterdam aan en vertrok vandaar ook weer. Aan haar nagedachtenis is het gedicht opgedragen. Zij is afwezig. De kerstroos heeft met haar te maken, noem haar kerstroos, noem haar ook, als elders in het gedicht, 'zoete sinaasappel', noem haar 'kerstmis', want daar hebben roos en sinaasappel ook mee te maken. En de leegte van haar afwezigheid krijgt in tuin en vliegveld gestalte.

Ik sla weer enkele strofen over. Hoe ik de voorlaatste in het geheel van het gedicht moet inpassen, weet ik zo gauw niet, maar ze is wel zeer aangrijpend:

De oude pastoor zal je naam verdraaien.

De trein zal stoppen in een bos.

Met de dageraad zal er sneeuw vallen

op het vliegveld van Amsterdam.

En dan sluit het gedicht zo af:

Waar ben je?

Daar waar de herinnering begraven is.

Daar waar de herinnering groeit.

Daar waar de roos, sinaasappel en sneeuw begraven zijn.

Daar waar de as groeit.

De dichter heet Adam Zagajewski. Hij is een Pool. Al in de jaren tachtig - hij is geboren in 1945 - werd hij als de belangrijkste Poolse dichter van zijn generatie beschouwd. Er werd van zijn poëzie - zeven bundels tussen 1972 en 1994 - noch van zijn essays iets in het Nederlands vertaald. Op 9 november houdt hij in Tilburg de vijfde Nexus-lezing, georganiseerd door het hoog-culturele tijdschrift met dezelfde naam. Ter gelegenheid daarvan koos en vertaalde Gerard Rasch 24 gedichten uit Zagajewski's werk; ze werden onder de titel Wat zingt, is wat zwijgt door het Nexus Instituut uitgegeven. Ik kende zijn naam, maar wat is een naam! Alleen al het hier wat uitvoerig behandelde gedicht - het heet 'Het vliegveld van Amsterdam' en komt uit Zagajewski's laatst verschenen bundel - kan mij van de grootheid van zijn dichterschap overtuigen. Of het moet het gedicht 'Schilders van Holland' zijn. De eerste regel luidt: 'Tinnen kommen zwanger en zwaar van metaal'. En dan volgen allemaal regelkorte omschrijvingen van alledaagse onderwerpen uit onze zeventiende-eeuwse genreschilderkunst, soms niet zonder commentaar: 'De tafelkleden ruiken naar stijfsel en moraal'. Het laatste gedeelte met een aantal zeer sterke regels luidt zo:

Zij hielden van wonen. Woonden overal,

in de houten leuning van een stoel

en in een straal melk smal als de Beringstraat.

De deur stond wijd open, een welgezinde wind,

de bezems rustten na gedane arbeid.

De huizen ontbloot. De schilderkunst van een land

dat geen geheime politie heeft gekend.

Alleen op het gezicht van de jonge Rembrandt

verscheen een vroegtijdige schaduw. Waarom?

Zeg me, schilders van Holland, wat gebeurt er,

wanneer de appel geschild is, de zijde dof geworden,

wanneer de kleuren koud zijn.

Zeg me, wat het donker is.

De vraag is retorisch, want de schilders zijn dood. De dichter bemint onze vrijheid, maar vindt onze dagelijksheid oppervlakkig. Er is geen donker, geen geheim. Meer oosterse of Slavische vragen kunnen de Nederlander niet worden gesteld. Maar de tevredenheid kende de doem en ook de angst, en dat was het donker waartegen in de kale kerken luid werd gegalmd. Wat gebeurt er als de appel is geschild? Dan gaan wij Nederlanders naar Schiphol, zou ik haast antwoorden.

De gedichten in het kleine boekje wordt steeds inniger en ingekeerder en het laatste woord van de bundel is 'zwijgt'. De stilte die alles defintief lijkt te benoemen, moet de ware poëzie zijn. Wat zingt, is wat zwijgt is verkrijgbaar bij het Nexus Instituut, tegen wat Adriaan Morriën lang geleden omschreef als de 'kokette' prijs van * 59,50.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden