Ze zouden toch teruggaan?

Dertig jaar geleden wierf Nederland voor het eerst arbeiders in Marokko. Als vee werden de mannen gekeurd. Hadden ze spierkracht en een gaaf gebit, dan maakten ze een kans....

Zijn zwager die altijd naar de Benelux op vakantie ging, vertelde hem over Nederland. Hoe mooi dat land was, hoe veilig, hoe rustig, democratisch ook. En over het volk dat zo behulpzaam was. Het klonk als het ideale land waar Bouchaib Saadane meer van wilde weten. De pas 20-jarige chef van een bedrijf dat sinaasappelen exporteerde, ging op zoek naar boeken, zag de folders vol plaatjes van bloemen. 'Ik dacht dat het een schilderij was. Ik moest daar heen. Het was zin voor avontuur die mij dreef. Ik was in Marokko geboren maar wilde er niet sterven.'

Nu, dertig jaar later, bevinden de pioniers en hun nageslacht zich vooral in de oude stadswijken. Een deel van de kinderen heeft een plaats in de Nederlandse samenleving veroverd, een andere groep worstelt in de onderste regionen. De hindernisrace op weg naar een gelijkwaardige positie is nog in volle gang.

In 1970 kwam een delegatie naar de stad van Saadane om mensen te selecteren, en hij meldde zich aan. Al sinds 1968 trokken Nederlandse personeelsfunctionarissen samen met het Nederlandse immigratiebureau in Marokko door het noorden van dat land. Ze waren op zoek naar goedkope en gemotiveerde laag- en ongeschoolde arbeidskrachten voor de mijnen in Limburg, de tuinders in het Westland, de textiel en de zware industrie.

De Nederlanders kregen alle medewerking van de Marokkaanse overheid. Die was blij dat een aantal van de drie miljoen werklozen - op een bevolking van achttien miljoen - elders geld kon gaan verdienen. Marokkanen die in het buitenland werkten, leverden tenminste wat op. Harde buitenlandse valuta die ze naar familie opstuurden. Geld waar Marokko ernstig om verlegen zat sinds de Franse bezetter en het grootste deel van de joodse gemeenschap, onder wie nogal wat vermogende zakenlieden, het land hadden verlaten.

Beide landen zagen in de boeren van het Rifgebergte in Noord-Marokko de ideale kandidaten voor vertrek naar Nederland. De Marokkaanse overheid, omdat het een groep betrof die al eeuwenlang een bron van onrust was - de bergbewoners erkenden geen gezag van buiten. De Nederlandse overheid viel voor de Berbers vanwege hun traditie om lang van huis te werken. Uit gebrek aan goede landbouwgrond verhuurden ze zich immers al generaties lang als seizoenarbeiders elders in Marokko en in Algerije, waar ze bekend stonden als harde werkers.

Gerard Reitsma was een van de personeelsfunctionarissen die 'ze uit Marokko kwamen halen'. Hij werkte voor Ford in Amsterdam, een bedrijf dat in die tijd tachtig nieuwe arbeidskrachten per maand nodig had. 'In Nederland vonden we niemand meer. De Hollandse kandidaten kwamen wel naar voorlichtingsavonden die we overal organiseerden, maar zo gauw het bier en de koffie op waren, en we tot zaken wilden komen, liepen de zalen leeg.'

De nog groene personeelsfunctionaris toog naar Spanje, naar Turkije en naar Marokko. 'We hadden maar één opdracht. Zorgen dat de fabriek vol kwam. We kwamen altijd voor porties van dertig tot vijftig arbeiders, maar soms zaten er wel vijftienhonderd mannen op ons te wachten. We hadden het voor het uitkiezen. We zochten kleine, stevige, gespierde mannen met een goed gebit. Mannen die, als het even kon, al een technische opleiding hadden.

'Je voelde je een beetje een veekoopman. Al vraag ik me af of zij dat ook zo ervoeren. Zij hadden maar één doel: de ellende en de armoede ontvluchten om op termijn met in Nederland verdiend geld een eigen bedrijf in Marokko te beginnen.'

In ijltempo passeren in die dagen de kandidaten de tafeltjes van de selectiefunctionarissen. In een AVRO-documentaire uit 1969 heeft ambtenaar Jongejan van Sociale Zaken geen tijd te verliezen tijdens de ondervraging:

- Frans? Spreek je Frans?

- Ja.

- Hoeveel jaren school?

- Acht.

- Die accepteren we niet. Volgende.

- Frans, lezen en schrijven?

- Ja.

- Snel weg, naar de tuin. Volgende.

- Pas accepté, nog één snel, snel.

'Wat u hier doet, lijkt op slavenhandel, meneer Jongejan', zegt de AVRO-verslaggever. Jongejan: 'Dat is in het geheel niet waar. Het positieve is dat ik mensen aanneem. Ik moet het snel spelen. Ik zoek tien man voor een steenfabriek, en twintig voor een vleesfabriek, een nabestelling na de vierentwintig van vorige week.'

In de voorselectie werden te slimme of mogelijk activistische personen niet gekozen. 'Ik wist dat je er gemoedelijk uit moest zien', zegt Mohammed El Wakidi. Een vriend had hem verteld over Nederland. Die correspondeerde met een Nederlands meisje dat graag contact wilde met mensen uit ontwikkelingslanden. 'Zijn verhalen maakten mij nieuwsgierig. De negatieve praatjes die we op school over Europa hoorden deden daar niets aan af.' Zo kwam hij, net als al die anderen, in de lange rij te staan in afwachting van de medische keuring en de vaardigheidstesten.

Een klassieke test was de proef met het geelgroene bord. Gadegeslagen door een Nederlander met stopwatch moesten de kandidaatarbeiders zo snel mogelijk de moeren van het gele deel van het bord halen om ze op de groene bouten te draaien. Bouchaib Saadane kreeg een andere test. Hij moest komkommers en tomaten herkennen en benoemen. Naar hem later in Nederland bleek, omdat hij in dienst zou treden van een groenteteler in Pijnacker.

Maar tot op het laatste moment wist hij niet voor wie en onder welke condities hij ging werken in Nederland. Alles was voor hem geregeld. Een paspoort, een ticket naar Nederland, een visum. Alleen het contract met een Nederlandse werkgever ontbrak nog. Pas op de luchthaven in Casablanca kreeg hij het te zien.

'Ik had toen maar één doel: wegwezen. Ik tekende ongezien en stapte op het vliegtuig. Pas in de lucht las ik het contract. Dat lukte niet. Het bedrag was aangegeven in vreemde valuta. Maar ik dacht: ''Mij kan niks gebeuren. Ik weet alles. Ik ben van deze tijd. Geen probleem.''.'

De eerste tegenvaller in dat paradijselijke Nederland kreeg hij al op Schiphol te verwerken, toen hij de taal hoorde. 'Ik begreep er niks van. Ik had nog op de kaart gekeken. Het land lag zo dicht bij Frankrijk. De hoofdtaal moest toch wel Frans zijn.

'De taal was zonder meer het grootste probleem, maar de om zes uur geserveerde stampot, de overvolle en dure pensions met veel te weinig sanitair en de problemen bij het zoeken naar een goede plek om te bidden, veraangenaamden het verblijf ook niet.'

Reitsma: 'Er onstonden spanningen tussen gastarbeiders uit verschillende landen die in onze fabriek werkten. Het ziekteverzuim explodeerde. Als ik toen had geweten wat we zouden aanrichten, hadden we het anders gedaan. We behandelden die mannen met een ongelooflijke oppervlakkigheid. We hadden absoluut geen idee wat voor overschakeling hun komst naar Nederland voor hen en ook voor onze Nederlandse chefs betekende. De eenvoudigste dingen bleken niet meer normaal te zijn. Er kwamen meldingen dat de toiletten smerig werden in de fabriek. Na enig onderzoek werd duidelijk dat sommigen op de pot klommen om hun behoefte te doen zoals ze dat gewend waren: staand. Maar dat vereiste nog al wat vaardigheden bij het mikken.'

Dergelijke praktische problemen werden, zij het traag, opgelost. Maar verder dacht niemand aan zoiets als integratie. Nederlanders niet en ook de Marokkanen niet.

De veronderstelde tijdelijkheid van hun verblijf in Nederland bracht Marokkanen ertoe van baan te veranderen als hun werkgever een tientje inhield op hun salaris voor het pensioen. Want hoezo pensioen? Zij gingen toch terug? Je kon dat geld beter sparen om straks een bedrijf te beginnen in Marokko. Burgerschap was iets voor Hollanders.

Voor de Nederlandse werkgevers was het enige dat telde dat het werk kon doorgaan. De gastarbeiders Nederlands leren, was overbodig, omdat overal tolken waren en omdat Marokkanen in ploegen met landgenoten werden ingedeeld. Werkgevers regelden alles, waardoor er ook geen prikkeling was om het land en zijn cultuur te leren kennen. Saadane: 'Je hoefde geen beroep te leren. Marokkanen kregen werk, onderdak, eten, vergunningen. Wie op vakantie wilde, werd met de bus naar Schiphol gebracht. Deze betutteling heeft negatieve invloed gehad op de eerste generatie. Toen het slechter ging met de economie, begon het te kraken. Mensen hadden nooit iets geleerd. Ze hadden zich moe gewerkt. Te moe om nog wat te leren.'

Volgens drs. P. De Mas van het Instituut voor Migratie en Etnische studies van de Universiteit van Amsterdam werden de Marokkanen en de Nederlandse overheid steeds weer verrast door autonome ontwikkelingen waar ze zelf nauwelijks grip op hadden.

Neem de oliecrisis van 1973. Die had tot gevolg dat Nederland geen arbeidskrachten uit het buitenland meer nodig had. Er kwam een einde aan de officiële werving van Marokkanen. Voor de in Nederland werkende gastarbeiders brak een eerste periode van onzekerheid aan. Wie zijn baan opzegde om tijdelijk terug te gaan naar Marokko, wist niet meer of hij opnieuw in Nederland werk zou vinden. Maar er was nog niet genoeg geld verdiend om in eigen land het geplande bedrijf te beginnen. Er zat weinig anders op dan langer in Nederland te blijven. De gedachte dat dat zonder gezin moest, was ondraaglijk.

De Nederlandse wet bood allang de mogelijkheid tot gezinshereniging. En Marokkanen grepen die aan. In slechts tien jaar tijd steeg hun aantal in Nederland van dertigduizend naar honderdduizend in 1983. De Marokkanen noch de Nederlandse overheid hadden ooit die bedoeling gehad.

Ook de komst van hun gezinnen bracht de eerste generatie gastarbeiders niet aan het twijfelen over hun uiteindelijke terugkeer. De vaders verlangden van hun zonen dat ze een praktische opleiding volgden. Eenmaal terug in Marokko konden ze dan helpen bij het opzetten van een bedrijf.

Maar de meeste jongeren kwamen op het verkeerde moment. Zij hadden de pech dat juist tijdens hun komst de economie opnieuw stagneerde. De mijnen waren al gesloten en begin jaren tachtig verdwenen veel meer fabrieken waar laaggeschoolde arbeiders nodig waren. De textiel- en de leerindustrie verplaatste zich naar lagelonenlanden. De Marokkanen werden werkloos of belandden in de WAO. De mogelijkheid geld te sparen voor terugkeer naar Marokko nam verder af.

Ook de ontwikkelingen in Marokko boden begin jaren tachtig minder perspectief. De belangrijke inkomsten uit de fosfaatexport namen af, de EEG legde importbeperkingen op en het IMF schreef drastische bezuinigingen voor. De regering verhoogde daarop de prijzen van elementaire levensbehoeften.

Het leidde tot voedselprotesten in Marokko, die hard werden neergeslagen. Vrijwel iedere Marokkaan in Nederland had wel een familielid dat was opgepakt, gewond was geraakt of neergeschoten. Hoe zouden de naar Nederland uitgeweken arbeiders in Marokko moeten leven als het land nog steeds geen kans zag de eigen bevolking een menswaardig bestaan te bieden?

Met de komst van de gezinnen werd duidelijk dat de Marokkanen nog lang zouden blijven. Er onstond behoefte aan een eigen plek in de samenleving. In de tien jaar na de oliecrisis verhuisden de Marokkanen van pensions naar goedkope grote huurhuizen.

Opnieuw zonder dat iemand daar rekening mee had gehouden, ontstonden er 'achterstandswijken' waar grote groepen buitenlanders bij elkaar woonden. Marokkanen werden zichtbaar voor de Nederlandse bevolking. Er kwamen winkeltjes, islamitische scholen en het aantal moskeeën groeide sterk.

Mohammed Aroug (68) was de eerste Marokkaan die een huiskamermoskee in Utrecht begon. Hij had aanzien in die eerste jaren, omdat hij de Koran had bestudeerd en hadji was. Op zijn 35ste had hij zijn baan als handelaar in Marokko opgegeven om een lange reis te maken. Hij liet zijn gezin achter en ging per trein in 1966 via Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Italië verder naar het oosten tot India aan toe. Toen terug naar Mekka voor de pelgrimage. Vervolgens via Istanbul naar zijn broer in België en naar wat vrienden in Nederland. Die vroegen of hij wilde werken, en zo begon hij als metaalarbeider. Hij bleef. De Nederlanders waren aardig en Allah zag dat het goed was.

Spoedig ging hij ook voor in gebed, omdat niemand anders de kennis had om dat te doen. 'De arbeiders uit het Rifgebergte waren moslim, maar konden niet vertellen wat dat inhield. Ze praktiseerden het alleen.'

Begin jaren tachtig groeide de belangstelling voor de islam. Ontslagen Marokkanen van de eerste generatie hadden de tijd en de leeftijd om meer naar de moskee te gaan. Het bleek een van de weinige plaatsen waar zij mensen konden ontmoeten, nu velen door hun werkloosheid het contact met collega's hadden verloren.

Maar, zo constateert onderzoeker dr. F. Kemper, die ontmoetingen in de moskee zijn oppervlakkig. Uit zijn onderzoek naar de religiositeit onder de eerste generatie Marokkaanse mannen, dat in 1997 verscheen, blijkt dat velen zich tot gebed beperken en daarna vertrekken om ruzie met mannen van andere familieverbanden te voorkomen. Ze onderhouden in de eerste plaats banden met familie in de geboortedorpen.

Terwijl de vaders niet echt konden of wilden aarden, groeiden de kinderen in Nederland op. Mohammed Aroug zag het gebeuren. Hij waarschuwde zijn landgenoten regelmatig. Hij constateerde in de jaren tachtig, toen de gezinnen zich herenigden, dat veel vaders zich bleven richten op een terugkeer naar Marokko en de aanschaf van een huis daar. 'Ik heb vaders van wie de zonen ontspoorden er op aangesproken, maar weinigen luisterden. Ze waren bang arm te worden. Vaders hadden meer aandacht voor geld verdienen dan voor hun kinderen. Dat was niet juist. Want kinderen die afgestudeerd zijn en een goede positie hebben, dat is pas rijkdom.'

Toen veel landgenoten geïsoleerd raakten en in moeilijke omstandigheden probeerden te overleven, was Bouchaib Saadane een bekend man geworden bij NedCar in Born, de enige autofabriek van Nederland. Hij had zich opgewerkt tot secretaris van de ondernemingsraad, en werd in 1988 aangezocht voorzitter te worden.

Waarom lukte hem wél wat de meeste van zijn generatiegenoten niet lukte?

De vreemde Nederlandse taal, de koude melk en boterhammen met jam pasten niet in het beeld dat hij in Marokko van Nederland had gefantaseerd. Maar hij trof een prettige baas die direct taalboeken voor hem kocht. Hij had het geluk dat hij zonder tolk met Nederlanders in een kas werkte. En hij besloot niet in een pension maar op kamers te gaan wonen, omdat hij de Nederlandse taal en cultuur anders nooit zou leren kennen. In drie maanden kon hij al opdrachten begrijpen. Na zes maanden regelde hij voor zichzelf een baan bij NedCar. Hij begon aan de lopende band. Toen de oliecrisis uitbrak, was hij tolk bij NedCar en bestudeerde hij de sociale wetgeving om die aan zijn landgenoten uit te leggen. In 1979 werd hij gevraagd voor de ondernemingsraad. In 1988 werd hij voorzitter.

'Ik heb altijd gedacht: wat een Nederlander kan, kan ik ook. Maar de meesten van ons hebben last van faalangst. Ze willen snel resultaat zien, en als dat niet lukt, zijn ze ontevreden. Ik zeg: wees niet bang om fouten te maken of uitgelachen te worden. Stel je open.'

De meesten deden dat niet. Ze waren seizoenarbeiders die tegen wil en dank pionier werden in een hun vreemde samenleving waar ze aanvankelijk niet hadden willen blijven. Is dan de eerste generatie Marokkanen - een enkeling als Sadaane uitgezonderd - louter een verloren generatie? Hebben de onafhankelijke Berbers, die eertijds over Marokko en Algerije uitzwierven op zoek naar werk, tevergeefs hun beste krachten gegeven in Hengelo of Tiel?

De Mas meent dat ze vergeleken met hun familie in Marokko geslaagd zijn, want ze hebben hun kinderen de kans gegeven op een betere toekomst in het welvarende Europa. 'Ze hebben daarvoor zelf een zware prijs betaald: een slechte gezondheid en een geïsoleerde positie in de Nederlandse samenleving. Ze hebben zich opgeofferd voor hun kinderen.' Wat blijft, is die terugkeer naar Marokko...

Aroug: 'Alles is goed, we hebben lekker eten, het is hier rustig. Misschien dat een enkeling nog teruggaat. Maar waarschijnlijk pas in zijn kist.'

Bas Mesters

Henk Müller

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden