'Ze kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn'

De grens tussen Grodno in Wit-Rusland en Bialystok in Polen is niet zo maar een grens. Ze markeert de kloof tussen het arm gebleven en het rijk geworden Oost-Europa....

'JE MOET HIER in de zomer komen.'

We wandelen met een groepje studenten door het centrum, langs stakerige parkjes en plantsoenen en geloven ze op hun woord. 'Het is ónze stad. Het is de plaats waar we geboren zijn', zegt Elena, en ze meent het als ze zegt dat dit Grodno de mooiste en schoonste stad van Wit-Rusland is. Door de moddersneeuw slissen auto's voorbij van merken die alleen in de voormalige Sovjet-Unie hebben bestaan. Ze hebben dezelfde kleur als alles hier: varianten van grijs tot grauw. Maar de studenten staan stil bij een paar kale winterbomen en verheugen zich bij het vooruitzicht van groene bladeren. Zij zien een stad van kleurige houten huizen, paleizen uit de tsarentijd en uit vooroorlogs Polen - waar bezoekers vooral Lenin zien, en kantoorkolossen uit later tijd.

Zij hebben lol terwijl er in Grodno niets te beleven valt. Cafés bestaan niet - gedronken wordt er slechts in restaurants als Belostok, waar je ook kunt dansen als je boven de vijfendertig bent en nog altijd vrijgezel. En de paar discotheken die er - natuurlijk - toch zijn, zijn te duur voor een student.

De nieuwste en grootste, Stopline, is op een doordeweekse avond halfleeg. Jongens dansen er voor de gezelligheid met jongens, en twee bloot geklede meisjes achter een hekje doen voor hoe het moet. Stopline wordt bewaakt door drie bejaarde dochters van Stalin die spugen en onverstaanbare verwensingen sissen bij het zien van twee 'fascisten' uit het Westen, en als die ook nog een foto maken met een fotocamera, rusten de hellevegen niet voordat de politie de spionnen heeft meegenomen naar het bureau (agenten zijn er in de discotheek genoeg, met en zonder machinepistolen, zoals overal in Grodno, en ze doen niets liever dan je meenemen naar het bureau).

'Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Het zijn oude mensen en ze zijn bang alles te verliezen waarvoor ze ooit geleefd hebben. Ze schreeuwen altijd. Ze hebben een moeilijk leven. Ze zijn alles kwijt. Ze kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn.' Iedereen zegt het, en iedereen zegt het voortdurend, zelfs de studenten. Iedereen heeft zelf wel een oma die zo is: feeksen die geen feeksen zijn maar oude, arme, weerloze mensen die bang zijn voor verandering.

'Je kunt het ze niet kwalijk nemen.' Wit-Russen lopen over van begrip. En ze zijn zelf de eersten om te erkennen dat dat zo is, en dat ze nu eenmaal een zachtaardig volk zijn. In hun land hoef je niet op een revolutie te wachten. 'We willen niet dat er doden vallen.'

Ook de studenten ondergaan het lot gelaten: 'Loekasjenko zal nog vijf jaar president blijven. In die tijd zal het hier niet beter worden.' In het beste geval kunnen ze naar Polen, om daar in Krakau of Warschau te studeren. Wie kan aantonen dat hij Poolse (voor)ouders heeft - wat in Grodno voor de meesten niet zo moeilijk is - komt in aanmerking voor een beurs van honderd dollar per maand, twee Wit-Russische maandsalarissen. Aleksander (19): 'Ik weet dat het egoïstisch is, maar ik ga toch maar naar Warschau.'

Aan de andere kant van de grens, in het voormalige hoofdkantoor van de communistische partij in Bialystok, heerst dezer dagen een lichte vorm van opwinding. Er zijn verkiezingen voor het 'studentenzelfbestuur' van de faculteit letteren - die na het verdwijnen van de communisten in hun hoofdkwartier is ondergebracht. Leden van het zittende zelfbestuur en de sympathiserende leraar Latijn (tevens handelaar in Herbalife-producten) lopen druk af en aan om de stemming te peilen. Alleen Magda Rozskowska blijft rustig. Zij weet zeker dat ze herkozen wordt, want ze kent veel mensen en hoort hoe er over haar wordt gedacht. Ze is ook lid van het studentenparlement en heeft daarom een spreekverbod, blijkt. 'Ik mag niet met massamedia praten', zegt ze, 'althans niet over de rector.' Waarna ze alles vertelt over de rector, Adam Jamroz, die een communist is en een vriend van de vorige premier Cimoszewicz, ook een communist die hier in de buurt van Bialystok een huis heeft. Cimoszewicz heeft Jamroz nog net voordat hij de verkiezingen verloor aan dat baantje geholpen. Magda hoopt dat de universiteitssenaat in mei de moed zal hebben hem af te zetten. 'Jamroz is een echte apparatsjik. Niemand mag hem.'

Ze vertelt hoe de rector 40 procent heeft opgeëist van het geld dat het studentenzelfbestuur met T-shirtverkoop en disco-avonden verdient. Hoe hij kapitalen heeft uitgegeven aan de inrichting van zijn eigen kantoor, terwijl hij de studenten hier laat zitten met de meubels van de oude communisten - de communistische ster siert nog menige zaal in het gebouw.

'We wilden wel demonstreren', zegt Magda, 'maar de rector kan je eruit schoppen, hè?' Vanachter een stapel flessen in het studentenkantoortje komt een spandoek te voorschijn, uit 1990 toen studenten nog wel de straat op gingen. Maar zo snel als het reliek wordt uitgepakt wordt het ook weer teruggeborgen, een gore walm van beschimmeld bier en vuile asbakken achterlatend.

'Het nieuwe studentenparlement gaat binnenkort met hem onderhandelen', troost Magda zich, en beent dan snel naar een college filologie.

In het oosten, in Grodno, droomt Elena van Amerika waar ze net enkele maanden heeft mogen studeren. Daar zou ze willen leven. Het was er zo schoon, zo rustig. En nergens was politie. In Grodno wordt thuis de telefoon afgeluisterd, zijn overal ogen en oren en spreekt ze liever in een leeg klaslokaal dan in een volle hal. 'Maak je aantekeningen? Die kunnen ze lezen.'

Ze lezen alles. Ook de brieven die haar vriend haar schreef toen ze in Amerika was. De KGB had ze allemaal onderschept en hem toen opgepakt vanwege ongepaste grappen over Loekasjenko. 'Verander je mijn naam alsjeblieft?' zegt Elena, die dus niet Elena heet.

Een visum voor Amerika zal ze nooit krijgen, vermoedt ze. Maar in Grodno blijven is niet zo heel erg, als je voorzichtig bent. Grodno blijft een mooie stad. Wat wel erg is, is dat ze volgend jaar zal worden uitgezonden om les te geven. Zoals alle studenten is ook Elena namelijk verplicht na haar afstuderen twee jaar les te geven op het platteland, en daar ziet zij vreselijk tegenop: 'Dan ben ik 23, 24', pruilt ze, 'net op een leeftijd dat je een man wil gaan zoeken, trouwen en kinderen krijgen. En uitgerekend dan sturen ze je naar wie weet wat voor een ver en achterlijk dorp. Moet ik daar dan een man vinden? In een dorp?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden