'Ze hebben hem vermoord!'

Honderd jaar geleden, op 29 september 1902, overleed Emile Zola. De schrijver werd in Parijs gevonden aan het voeteneind van zijn bed....

'PARIJS', noteerde Emile Zola eind september 1902 aan het slot van zijn libretto voor Paris en amour, een opera van Alfred Bruneau, 'glinsterend Parijs'. Die sprankelende stad, schreef hij, 'gaf mij de liefde en ontnam mij ook mijn laatste ademstoot'.

Het waren de laatste woorden van de zieltogende Gilbert, een jonge beeldhouwer die heimelijk verliefd was op de sterdanseres Sylvanire en door haar andere minnaar - een graaf aan wie ze haar carrière had te danken - in een duel was verwond.

Die woorden waren ook de laatste 'literaire' regels van Zola, een bizarre voorspelling van zijn dood in de ochtend van 29 september, ten gevolge van verstikking door giftige uitwasemingen van een verstopte schoorsteenpijp in zijn Parijse huis.

Vier dagen eerder had hij nog een brief geschreven aan Bruneau, waarin hij zijn voorkeur uitsprak voor de titel Paris en amour, 'zoveel beter dan Sylvanire of Paris dévore' - een brief die de componist op de ochtend van Zola's overlijden ontving. De hele zomer had de schrijver in zijn buitenhuis in Médan nabij Parijs aan het libretto gewerkt, tussen zijn vele andere bezigheden, de voltooiing van zijn boek Vérité en zijn gedetailleerde schema voor het vervolg, Justice, de twee laatste delen van zijn Vier evangeliën.

Hij was op 27 september nog bij zijn maîtresse Jeanne Rozerot, de moeder van zijn twee kinderen Denise en Jacques, op zijn dagelijkse visite geweest, in het nabijgelegen buitenhuis van Verneuil, 'de geheime tuin van Zola', en was de dag daarop - op zondagmiddag - met zijn vrouw Alexandrine vanuit Médan, zoals elk jaar aan het eind van de zomer, weer naar hun appartement in de Parijse Rue de Bruxelles vertrokken. Hun knecht, Jules Delahalle, had er die zondagmorgen met wat papier, takkenbossen en kolen, het haardvuur gestookt, om de kille en vochtige kamers enigszins te verwarmen, maar had het vuur al snel gedoofd, omdat de schoorsteen blijkbaar niet trok. Hij zette die middag nog de ramen open. De briketten echter bleven smeulen.

In de nacht van zondag werden Zola en zijn vrouw onwel. De volgende ochtend werd de schrijver dood aangetroffen aan het voeteneind van hun bed, vergiftigd door de verraderlijke kolendamp. Zijn vrouw was nog in leven, maar buiten bewustzijn, en kon in het ziekenhuis worden gereanimeerd.

Was hij gestikt of, zoals de politie aanvankelijk rapporteerde, 'vergiftigd'? Zola 'had zelfmoord gepleegd', meldde het nieuwsagentschap Paris-Presse, 'een ordinair familiedrama', want er was een halfvol flesje ('vermoedelijk chloroform') in de kamer aangetroffen. Zijn dood was een fait-divers naturaliste, schreef een venijnige verslaggever van La Libre Parole, 'een weliswaar dramatisch maar alledaags ongeluk'.

Zijn vriend Bruneau las die ochtend de brief die Zola hem had geschreven en vernam aan het eind van de ochtend het droevige nieuws van zijn overlijden. De kroongetuige, zijn vrouw Alexandrine, aanvaardde het politierapport: koolstofmonoxidevergiftiging. Ze wilde een serene begrafenis, geen schandaal. Jeanne echter, die op verzoek van Alexandrine inderhaast was ingelicht, geloofde niet in een ongeval. 'Ze hebben hem vermoord!' Zijn dood was het noodlottige laatste hoofdstuk van de onverkwikkelijke affaire-Zola, de kwestie 'Dreyfus', die al jaren de Franse Republiek verdeelde in 'Dreyfusards' en 'anti-Dreyfusards'.

Sobere plaquettes op de gevel van het huis aan de Rue de Bruxelles en op de zijgevel van het grote buitenhuis in Médan herinneren nog aan die dagen. Zola was gestorven, niet vermoord. Al sinds 1903, een jaar na zijn dood, wordt nog elke eerste zondag van oktober een pèlerinage littéraire de Médan georganiseerd. Dit jaar, naar aanleiding van de centenaire van zijn overlijden, gaat ook president Jacques Chirac op bedevaart naar het huis van Zola in Médan. Alexandrine wilde uitdrukkelijk dat hij 'elk jaar wordt herdacht, op een literaire manier, niet als een vermoorde maar als een levende schrijver'. Voor haar was de affaire een 'gesloten boek'.

'Zola is door zijn goedheid gestorven', zegt de gids van het Musée Zola in Médan. 'Hij wilde die avond geen hulp van het personeel, iedereen was moe.' Toen hij en zijn vrouw die zondagnacht onwel waren geworden, zei hij: 'Morgen zijn we weer beter.' Het waren zijn allerlaatste woorden.

Nochtans was 'de dood door verstikking voor hem een obsessie', schrijft Jean Bedel in Zola assassiné, een onderzoek naar de nooit geheel opgehelderde omstandigheden van zijn plotse overlijden. In november 1858 was de toen 18-jarige Zola ziek geworden, een infectie aan de keel die hem de adem benam. Hij hijgde, had voortdurend koorts en verkeerde in een delirium. Zola ijlde, had vreselijke nachtmerries en vreesde in bed 'levend te worden begraven'. Verschillende keren maakte hij in zijn verhalen en romans allusies op de verstikkingsdood, het sterven door gebrek aan zuurstof: in Printemps - Journal d'un convalescent, in La Faute de l'abbé Mouret, een van de twintig delen van de romancyclus Les Rougon-Macquart, of in zijn novelle La Mort d'Olivier Bécaille.

Een bed was voor hem een soort doodskist. Hij was claustrofobisch. In zijn beroemde Germinal, een ander deel van Rougon-Macquart, vreest Etienne Lantier de verstikkingsdood in de kolenmijn en in het laatste deel, Docteur Pascal, beschreef Zola de doodsstrijd als gevolg van sluipende kolendampen. Tijdens een diner met Edmond de Goncourt, zegt Henri Mitterand in het pas verschenen derde deel van zijn monumentale levensbeschrijving van Emile Zola, verklaarde de schrijver 'nooit in het donker zijn bed te kunnen opzoeken zonder die akelige bijgedachte dat hij ging liggen in een doodskist'.

HIJ HAD wel meer van die fobieën en manieën, zoals blijkt uit een in 1896 verschenen Enquête médico-psychologique concernant Emile Zola van dokter Edouard Toulouse, die de schrijver gedetailleerd 'medisch' heeft geportretteerd. Zola, schreef Toulouse, 'was morbide en pathologisch'. Hij was ook bijgelovig. Als de opgetelde cijfers van het rangnummer van een koets een nefast resultaat opleverden, stapte hij nooit in. Meervouden van drie waren gunstig, later van het getal zeven. Hij opende, voor het slapengaan, nog zeven keer zijn oogleden om zich ervan te vergewissen of hij die nacht niet zou sterven. Hij beschreef zijn nachtmerries, zijn kleine waanzin, 'omdat hij de dood wilde temmen'.

In 1952, vijftig jaar na Zola's overlijden, schreef Jean Guignebert in Libération een hommage aan de auteur van het memorabele krantenpamflet J'Accuse. Drie maanden na het verschijnen van zijn artikel kreeg hij een brief van ene Pierre Hacquin, een gepensioneerd apotheker. De dood van Zola, wist Hacquin, 'was geen ongeluk, maar een politieke moord'. Daar had hij bewijzen voor. Iemand had hem ooit verteld 'hoe ze Zola hebben omgebracht'.

Jean Bedel, een toen nog jonge medewerker van Libération, kreeg de opdracht Hacquin te interviewen. In Sarcelles, waar hij toen in een apotheek werkte, had hij Henri Buronfosse ontmoet ('die naam', zegt Bedel, 'mocht pas na zijn dood worden genoemd'), die een kleine zaak leidde van schoorsteenvegers. Buronfosse ging om met extreem-rechtse types als Marcel Habert, de rechterhand van de nationalist en couppleger Paul Déroulède, en Jules Guérin, stichter van de Ligue antisémite. Op een avond, herinnerde Hacquin zich, 'vertelde Buronfosse hoe ze op het dak van het huis van Zola waren geklauterd, waar toen herstellingen werden uitgevoerd, en hoe ze de schoorsteen met roet en pleistergruis hadden dichtgemaakt'.

Hij had dit openhartig aan Hacquin verteld, met wie hij als forens vaak in de trein zat, 'omdat hij zijn einde voelde naderen'. Buronfosse bezweek enkele weken na zijn bekentenis op straat aan een hartaanval. Was het moord en was Buronfosse de moordenaar? In mei 1967 luidde de kop op de voorpagina van Magazine Littéraire: 'Zola a-t-il été assassiné?' Met een vraagteken. Vooral 'de perfide artikelen in de extreem-nationalistische kranten', schreef Jean-Claude Zylberstein in het blad, waren de oorzaken van zijn dood. Er waren nog veel twijfels over de moordthesis. Pas sinds april 1978 werd er, na een vierdelige tv-uitzending over Zola, steeds meer geloof gehecht aan de bekentenissen van Buronfosse. Een moordaanslag leek steeds waarschijnlijker dan een alledaags ongeval.

SOMMIGE politie-enquêteurs hadden in september 1902 al hun twijfels. Alles werd uitgezocht, door chemici en architecten. Tot twee keer toe werden gekooide cavia's en vogels in de sterfkamer voor de haard en aan het voeteneind van het bed gezet, en werd het vuur aangemaakt, om de graad van vergiftiging te kunnen vaststellen. De cavia's overleefden het experiment. De nog in juni 1902 gereinigde schoorsteen was schoon, de pijp moest dus moedwillig zijn dichtgemaakt, of 'door een of andere stommiteit' zijn dichtgeslibd.

De zaak werd 'geseponeerd'. Frankrijk wilde geen tweede affaire. Zola werd op een indrukwekkende manier op het Cimetière Montmartre begraven. Een delegatie van de gueules noires, de mijnwerkers die Zola in Germinal had vereeuwigd, volgde de rouwstoet. Maar de hatelijkheden hielden niet op. Tijdens zijn begrafenis nog riepen anti-Dreyfusards: 'Zola, dans la merde!' In 1908 werden zijn stoffelijke resten bijgezet in het Panthéon.

In zijn pamflet J'Accuse, dat op 13 januari 1898 in L'Aurore was gepubliceerd, had hij zich tot de president van de Republiek, Félix Faure, gericht. Hij nam het op voor de gedegradeerde en wegens vermeend hoogverraad voor het leven naar Duivelseiland (voor de kust van Frans-Guyana) verbannen kapitein Alfred Dreyfus. Al verschillende keren had Zola, weliswaar enkele jaren na het proces, op die gerechtelijke dwaling gewezen. Dreyfus was ten onrechte veroordeeld, alleen maar 'omdat hij een jood was', de enige jood 'die het ooit tot de drempel van de generale staf had gebracht'.

De affaire, die het Franse volk verdeelde, was een lange geschiedenis van schijnprocessen, meineed en valse getuigenissen, schriftvervalsingen, onverwachte bekentenissen, zelfmoord, schermutselingen tussen voor- en tegenstanders, duels, bom- en moordaanslagen, en van voortdurende bedreigingen aan het adres van de pas in 1906 gerehabiliteerde Dreyfus en van de tijdens een spectaculair proces veroordeelde Zola. De schrijver vluchtte, op aandringen van zijn vrienden, voor enige maanden naar Engeland. Onder druk van de publieke opinie werd zijn veroordeling door het Hof van Cassatie 'geannuleerd'.

Ce cochon de Zola was in de ogen van zijn tegenstanders een 'jodenvriend', een huichelachtige Italiaan (zijn grootvader Francesco Zolla was een Venetiaan), een verrader en een 'Judas'. Op 10 april 1898, na zijn veroordeling door het Cour d'assises de la Seine, werd Zola door soldaten met stenen bekogeld. Zijn vrouw Alexandrine en zijn personeel werden bedreigd. Op 2 augustus 1901 ontdekte de concierge van het huis aan de Rue de Bruxelles een, weliswaar krakkemikkige, bom in het portiek.

Op 12 mei 1978 verscheen in Le Quotidien de Paris een groepsfoto met Hacquin en een onherkenbaar gemaakte Buronfosse, onder de kop: 'Le Quotidien de Paris accuse: voici l'assassin de Zola!' Literatuurhistorici, zegt Bedel, verdiepten zich nu voor het eerst in de zaak Zola. In 1952 veroorzaakte de bekentenis van Buronfosse nog weinig commotie. Wetenschappers speurden naar meer gegevens over hem, maar troffen in de archieven weinig oorspronkelijke documenten aan. Veel was zoekgeraakt of verloren gegaan.

Alain Pagès van de Société littéraire des amis d'Emile Zola en Owen Morgan hebben met veel geduld het portret van de illustre inconnu gereconstrueerd. Henri Charles Buronfosse (1874-1928), schrijven ze in hun dit jaar verschenen Guide Emile Zola, was een 'onwettige' zoon van de naaister Blanche Séverine Buronfosse. Hij was naar alle waarschijnlijkheid militant lid van de Ligue des patriotes van Déroulède (de extreem-nationalistische schoorsteenveger was de trotse bezitter van Mata Hari's executiepaal), antisemiet en uitgesproken anti-Dreyfusard. Alles hebben Pagès en Morgan nagetrokken: zijn entreprise de fumisterie, het bedrijfje van Buronfosse, zijn relatie met Hacquin en met zijn politieke vrienden. In de gemeentelijke archieven van Saint-Quentin, waar hij is geboren, vonden ze een bijzonder document. Kort na 'de moord op Zola' koos hij een derde voornaam: Emile. Was het een trofee of was het een bekentenis? Waarom noemde Henri Buronfosse zich Emile?

Veel biografen, Frederick Brown, F.W.J.Hemmings of Henri Troyat hebben nauwelijks de moordthesis onderzocht en kenden zelfs niet eens de naam van Buronfosse. In Bonjour Monsieur Zola vermeldde Armand Lanoux in 1964 al zijn naam en zijn bekentenis. Ondanks alle twijfel - was het wel moord of een uit de hand gelopen afschrikking? Had hij medeplichtigen? Heeft het personeel hem geholpen? - geloven steeds meer historici en biografen dat Zola die septembernacht in 1902 is vermoord. Ook Henri Mitterand schrijft - zij het voorzichtig - in de epiloog van zijn biografie dat Zola 'zonder twijfel' is 'vermoord'.

In oktober verschijnt een themanummer van Magazine Littéraire over Zola met nieuwe gegevens over 'de moord' en in de Parijse Bibliothèque Nationale de France is vanaf eind oktober een expositie te zien over de schrijver. Op de komende pèlerinage zal naar alle waarschijnlijkheid voor het eerst meer over de vermoorde dan over de 'literaire' Emile Zola worden gesproken, dat is zeker, over politiek èn over Henri Buronfosse.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden