Zalig pijn lijden bij echte whiskymakers

Op whiskytocht door Schotland. Dát klinkt saai. Maar dat is het niet, als (twee van) de makers van Fokke & Sukke het doen. Zonder misselijk wordende vrouwen en kinderen.

Vertellen dat je naar Schotland gaat, lokt onvermijdelijk deze reactie uit: 'Oh, Schotland. Jaaa. Zó mooi. Prachtig!' Dan volgt een pauze van drie seconden en gaat het hoofd van de gesprekspartner een klein beetje schuin: 'Maar ja, dat weer, hè?'


Het is mij allemaal best. Schotland is namelijk niet gemaakt voor zonaanbidders. Schotland is gemaakt voor mannen: je kunt er op zalm vissen, raften, vogels kijken, jagen, golfen en whisky drinken. Het is een wonder dat er überhaupt nog vrouwen wonen.


Ik ging dit keer voor de whisky. Toen ik nog in de Lange Leidsedwarsstraat te Amsterdam woonde, frequenteerde ik het whiskycafé L&B in de Korte Leidsedwarsstraat. Barman Léon had daar honderden soorten whisky. Ik heb er een paar geproefd. Whisky doet pijn. En wie dat ontkent, liegt. Whisky brandt je strot uit. Maar je blijft ernaar terugkeren. Zoals naar sambal. Of naar een meppende echtgenoot.


Voor een geslaagde whiskyreis neme men een of meer vrienden, een coulant thuisfront en een lang weekend. Kan eigenlijk niet lang genoeg. In dit geval een weekend van donderdagochtend tot maandagavond. De moderne man heeft op vrijdag toch zijn papadag, dus je hoeft alleen de donderdag en de maandag vrij te nemen. Ik besloot de reis te maken met een tekenaar met een midlifecrisis. Dat levert goeie gesprekken en fraaie tekeningen op, maar zonder gaat het absoluut ook.


Ik had me eerst rijk gerekend, wat de voorpret geweldig ten goede kwam. Mijn eerste ingeving, met de eigen auto per nachtboot van IJmuiden naar Newcastle, kwam met hut en diner neer op 700 euro. Toen ontdekte ik dat ik met KLM (hoera, ik mocht dus meer dan 652 gram handbagage meenemen) voor 166 euro tussen Schiphol en Edinburgh heen en terug kon vliegen. Door niet met de boot te gaan had ik vreselijk veel geld bespaard; nu kon ik voor vijf dagen een Mercedes E-klasse huren op Edinburgh Airport. Bijkomend voordeel van autohuur is dat de klasse die je gereserveerd hebt altijd zojuist total loss is gereden. Je wordt dan geüpgraded, wat ik een van de hoogtepunten vind die je als reiziger kunnen overkomen. Wij echter werden gedowngraded, naar een Volvo V60 - omdat onze Mercedes total loss was gereden door een of andere midlifecrisiseikel die zo nodig een whiskytrail in een huurauto moest doen.


Het was stralend weer in Schotland, maar vertel dat alsjeblieft niet door. Omdat we het rustig aan gingen doen, reden we niet meteen naar Speyside, het gebied waarvandaan grofweg de helft van alle whisky uit Scotland komt. Ook onderweg was er genoeg te drinken. In het bijzonder in Pitlochry, op anderhalf uur rijden van Edinburgh. Lunchen deden we in Perth, tussen Edinburgh en Pitlochry. In Reid's Café (www.reidscafe.co.uk). Alles biologisch. En een prima plek om vrouwen op te pikken. We waren in elk geval van de vijftig gasten de enige mannen. Dat zal wel met de geweldige kwaliteit van de taartjes te maken hebben. Maar ik nam haggis, de beroemde Schotse schapenmaag gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout. Hij stelde niet teleur. Het gerecht werd stijlvol opgediend op een torentje van aardappel- en rapenpuree.


Bij Pitlochry lagen onze eerste twee distilleerderijen: Edradour (www.edradour.co.uk) en Blair Atholl (www.bells.co.uk). De wandeling naar het bezoekerscentrum van Blair Atholl leidt langs het warehouse waar de eikenhouten vaten liggen opgeslagen. De whiskygeur dreef ons de neus in en deed de vraag hoe een huurauto en een whiskyreis zich tot elkaar verhouden andermaal prangen. Voor 4 euro leidde John ons rond. Een iets te enthousiaste 60-plusser, die zo'n moppentrommel bleek dat we het whiskyvak maar met moeite onder de knie kregen. Te zien aan de staat van het onderhoud van deze en iedere andere distilleerderij die we zouden bezoeken, leek de economische crisis de whisky-industrie overigens niet te hebben bereikt. Alles glom en blonk ons tegemoet en er hingen gezellige plantenbakken met viooltjes aan de ramen van het stookhuis. Dat beeld bleek juist: de verkoop van single malt whisky groeit nog ieder jaar.


Peer met kont

We werden langs vaste onderdelen van iedere distilleerderij geleid: de moutvermaler (grist hopper), de mashtun: een reusachtig vat (doorsnede ruim 3 meter) waar warm water door de mout wordt geleid om er de suikers aan te onttrekken. Dit dan zoete water (wort) gaat naar de washback, een nog reusachtiger vat (6 meter hoog) waar er gist bij wordt gedaan. En na een tijdje heb je bier met 8 procent alcohol.


Dan moet het nog twee (soms drie) keer gedistilleerd worden. Dat moet in koperen ketels, die eruitzien als een peer met een dikke kont. Een en ander leidt tot een glashelder drankje van 70 procent alcohol (the new spirit). Dit proces gaat gepaard met een wirwar van ketels, buizen, condensators, ventielen die vooral getuigen van het onuitputtelijke vernuft dat mannen in de loop der eeuwen hebben gestoken in het zo snel mogelijk bezopen worden.


Dan gaat het drankje, enigszins aangelengd met water, in eikenhouten vaten. Die vaten gaan vervolgens rusten. Minstens drie jaar, anders mag het geen whisky heten. Sommige whisky bij Blair Atholl ligt al 44 jaar te rijpen. Het hoge Anton Pieck-gehalte van de whiskymakerij - de mashtun en de washbacks zijn vaak nog van hout, het koper is altijd glimmend gepoetst - leidde tot verwarring en achterdocht bij de tekenaar. Eerst dacht hij dat we in een museum waren, waar we zagen hoe vroeger whisky werd gemaakt. Toen hij doorkreeg dat hier gewoon werd gewerkt, vermoedde hij een geheime fabriek waar buiten het zicht van de toeristen het echte werk werd gedaan. De Heineken Experience en de fabrieken in Zoeterwoude. De whisky-industrie is gewoon een visueel aantrekkelijk bedrijf.


Nog aantrekkelijker dan Blair Atholl is Edradour, de kleinste distilleerderij van Schotland. Volgens verschillende websites (waaronder die van Edradour zelf) zwaait een zekere John Reid daar de scepter, maar die bleek inmiddels op staande voet ontslagen. Ik kwam ternauwernood binnen. Dit is de beste plek om een beeld te krijgen van het precieze proces. De 90 duizend liter whisky die Edradour jaarlijks produceert, komt nagenoeg uit één (lage) kamer.


Ook oogverblindend pittoresk is het Moulin hotel (www.moulinhotel.co.-uk) in Pitlochry. En vol, bleek bij aankomst. Ik had meteen spijt van de keus om op de bonnefooi te gaan. Het hotel staat er al ruim 300 jaar, en gelet op de balkhoogte van het prachtige pubgedeelte, is er sindsdien weinig veranderd. De teleurstelling droop kennelijk zo van onze gezichten dat ons werd gevraagd of we het erg vonden om geen wc of badkamer bij de kamer te hebben. Zo nee, dan hadden ze voor 60 pond nog een laatste kamer, met een eigen badkamer verderop in de gang. Tuurlijk! Vreemd hoe de hotelwetten kennelijk bepalen dat er op een badkamer van een hotel een bakje moet liggen met douche-gel en een douchekapje, ook als er helemaal geen douche is. Wél een groot bad op pootjes met van die grote victoriaanse kranen. Heerlijk. 's Ochtends Scottish breakfast natuurlijk, wat een English breakfast is, maar dan met haggis erbij. Hmmm.


Op naar Dufftown, de whiskyhoofdstad van Schotland. Omdat een beetje omrijden ons niet kon schelen, namen we de A93 en niet de A9. Een van de 'Great Drives' van Groot-Brittannië. Het is de hoogste weg van het eiland en leidde ons in Cairngorms National Park door de adembenemendste landschappen. De tekenaar kon kreten van enthousiasme niet onderdrukken. Twee uur lang het gevoel dat we in een autoreclame reden. Lekker veel bochten en hellingen van 20 procent. Geen snel-misselijke vrouwen of kinderen mee, gelukkig. Ze zouden ook zijn geschrokken van alle dode pluizige dieren langs de weg. Dat krijg je als je wegen gaat aanleggen in een land waar nog natuur bestaat.


Tripadvisor.com is een fijne site, de iens.nl voor de reiswereld, maar je zult maar Alan en Susan zijn, de eigenaars van Tannochbrae guesthouse in Dufftown. Mogelijk de beste uitvalsbasis voor een whiskyreis, maar slechts 15de op de Tripadvisor-ranglijst voor de stad. Enig onderzoek wees uit dat één gezelschap van twaalf eikels allemaal één ster hebben gegeven. Kennelijk ergens boos over. Wij steunen Alan, al was het maar omdat hij zevenhonderd whisky's op fles heeft in een barretje ter grootte van een eettafel. Standing room only. Wij dronken er onder meer een superlekkere Monkey Shoulder, een blend van Glenfiddich, Balvenie en Kininvie. Voor de kenners: Alan heeft ook een 30 jaar oude Brora staan, en een 21 jaar oude Port Ellen, dus creditkaart mee. Of verkoop een nier.


Hoepels en duigen

Het echte ambacht is tegenwoordig nagenoeg verbannen naar braderie en Koninginnedag. Maar niet in de whisky-industrie. Want de tekenaar en ik bezochten in Dufftown The Speyside Cooperage (www.speysidecooperage.-co.uk), een van de laatste kuiperijen die Schotland nog rijk is. En als ik niet terug naar Nederland had gemoeten, had ik nu nóg met m'n neus tegen de ruit gedrukt gestaan. Whisky ligt in eikenhouten vaten, er daar zijn er heel, heel veel van nodig. En wat fijn om iets te zien maken wat een robot niet sneller of beter kan. Zelfs het garnalenpellen heeft er godbetert aan moeten geloven, maar hier werken vijftien kuipers zich op stukloonbasis uit de naad, sjouwend met hoepels en duigen. Ze worden per vat betaald. Een goede kuiper verdient tweemaal modaal (de personeelsparkeerplaats van de kuiperij staat vol Audi's). Maar hij is wel kapot op z'n 50ste. Dan wordt-ie gids bij een whiskydistilleerderij.


Gids Claire bij Aberlour distillery (te Aberlour) krijgt de prijs voor de grappigste rondleiding, maar voor de distilleerderij hoef je het niet te doen. Wel werd alleen in deze distilleerderij mijn nieuwsgierigheid gestild naar hoe de new spirit smaakt vóórdat deze het vat in gaat. Het brandt als een gek.


Hoofdgids Bert Macor (een Nederlander die al 32 jaar in Schotland woont) nam ons op reis langs twee van de distilleerderijen van William Grant & Sons: The Balvenie, en The Glenfiddich. Dat is die single malt whisky waar de whiskysnob z'n neus voor ophaalt, omdat iedereen het kent. De whiskysnob drinkt liever iets dat klinkt als een kokkende kat. Bruichladdich, Tè Beach of Laphroaig.


Whatever, ik kan inmiddels rustig sterven. Bert bleek namelijk stripfanaat, en een groot fan van het werk van de tekenaar. Dit bracht hem ertoe in de hoek van Warehouse 8 een vat Glenfiddich te ontkurken dat was gevuld in 1958 en nog nooit op fles gegaan. Toen en daar liet ik alle snobisme varen. Ware ik een echte kenner, dan had ik nu 'pasgemaaide gierst', 'perziken op sap' en 'rubber autobandje' of zoiets als smaaktoets ingevuld. Maar ik heb gewoon nog nooit zo'n lekkere whisky geproefd. Mag ook wel: een fles van deze whisky zou meer dan 50 duizend euro kosten.


Dan moet je ophouden.


En snel terug naar huis.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden