YEN EURO DOLLAR

UIT HET HUWELIJK VAN AIRCO EN ROLTRAP IS EEN MONSTER GEBOREN. Architect Rem Koolhaas en zijn Amerikaanse denktank zien het shopping center als een VAN DE BUITENWERELD afgesloten gebouw, ALS JUNKSPACE WAARIN JE DENKT DAT JE vrij bent, maar ONDERTUSSEN NAAR DE KASSA wordt geleid....

tekst ron kaal

In het magische jaar 2000 opende in New York een winkel met de naam The Apartment. De twee verdiepeingen lijken minder op een winkel dan op een ruime woning met alles wat daarbij hoort: tafel en stoelen, keuken en bed, vaas en asbak, tijdschrift en schilderij. In alles biedt de winkel de illusie van een woning, op één detail na: de huisraad is te koop. Hier verandert winkelen in theater; de winkel is het toneel, de spullen zijn de rekwisieten en de klant is zowel acteur als toeschouwer. Hij bevindt zich in een wereld waarin alles authentiek is, behalve zijn eigen aanwezigheid. Hij doet alsof hij de bewoner is, maar hij is niets dan een potentiële koper.

Winkelen, leert de ervaring, is aantrekkelijker voor de consument en profijtelijker voor de winkelier als het niet op winkelen lijkt. The Apartment is niet alleen een nieuw winkelconcept, het is ook een metafoor voor de stand van zaken. De winkel als wereld; de wereld als winkel.

'Twee winkelloze dagen en het volk is niet te houden', kopte een krant daags na kerst. Je zou denken dat iedereen meer dan genoeg had gewinkeld in de decembermaand, het tegendeel bleek het geval. Na dagen gedwongen binnenzitten wilde de familie eropuit. De benen strekken op de meubelboulevard, uitwaaien in de airco, genieten van licht en lucht in het artificiële paradijs dat warenhuis heet. Let wel, dit is niet het winkelen van nut en nodig; dit is het winkelen van leuk en extra. Funshoppen, het winkelen als vrije tijdsbesteding, is het ideale uitje voor het hele gezin op de vrije dag.

De bekoring en verslaving van dit nieuwe winkelen is al eens beschreven in een roman van de schrijver Paul Rudnick, I'll Take It. 'Bloomingdale's', schreef hij over het Ame ri kaanse warenhuis, 'is de puurste belichaming van het winkelen; Bloomingdale's begrijpt winkelen. Tiffany's gaat over status en het kenmerkende hemelsblauwe doosje. Macy's betekent niets dan hoeveelheid. Alleen Bloo ming dale's beseft dat in de moderne wereld mensen echt niets meer nodig hebben. Wat ze nodig hebben is winkelen.'

Steeds meer locaties veranderen ongemerkt in winkels. In het museum is de museum winkel de plaats waar de 'kunst' (reproducties en design) kan worden gekocht. Het pretpark is minder park dan winkelcentrum, bij elke attractie is van alles te koop en tussendoor is het goed rusten in restaurant of café. Zelfs de luchthaven is een mini-stad geworden, voorzien van alle gemakken: restaurants en bars, bankfilialen en modewinkels, supermarkten en slijterijen, kiosken en kappers. Hier kan de reiziger dag en nacht vertoeven zonder de buitenwereld ook maar een moment te missen. De moderne mens is van top tot teen op shoppen ingesteld - und sonst gar nichts.

Winkelen is niet louter een frivole bezigheid; het is een activiteit met ingrijpende gevolgen voor de economie, de architectuur en het vermaak. Merk waar dig genoeg is hieraan weinig serieuze aandacht besteed, terwijl de stad rond het jaar 2000 niet begrepen kan worden zonder het begrip shopping daarbij te betrekken. Dit verzuim is nu goedgemaakt door architect, schrijver en docent Rem Koolhaas en zijn klas (meer een denktank) aan de Harvard Design School. In het vuistdikke The Harvard Design School Guide to Shopping wordt de ontwikkeling van het winkelen van alle kanten bestudeerd in essays, analyses en terugblikken.

Hoewel Koolhaas niet de enige auteur is van dit boek (zelfs niet de belangrijkste), is hij duidelijk de inspirator van het project. De kiem ligt bij het professoraat dat hem in 1995 door Harvard werd aangeboden en dat hij slechts accepteerde onder de voorwaarde dat hij geen architectuur hoefde te doceren. In plaats daarvan zou zijn klasje jaarlijks een project ter hand nemen, waarbij de (internationale) studenten als de experts zouden fungeren. De klas van Koolhaas is een laboratorium voor experimenten waarvan ook de architect profiteert.

In Project on the City I, zoals de ondertitel luidt, wordt uitvoerig aandacht besteed aan de mensen, technieken, ideologieën en uitvindingen die de stad opnieuw hebben gedefinieerd. Sluipenderwijs is alles van karakter veranderd - het stadshart en de voorstad, de straten en de winkels, maar ook vliegvelden, treinstations en musea. Zelfs scholen, kerken en ziekenhuizen worden in toenemende mate gevormd door de technieken en ruimte-opvattingen van het winkelen.

In de afgelopen eeuw zijn weinig winkelgebouwen ontworpen door beroemde architecten. Als die zich er al mee bezighielden, dan als spel, waarbij oude typen een nieuwe naam kregen: winkel werd boutique. De reuzen van de winkelarchitectuur zijn onbezongen helden als Daniel Burnham, de ontwikkelaar van het warenhuisconcept, Victor Gruen, de bedenker van de shopping mall, en Jon Jerde, gespecialiseerd in 'ervaringen': overgangsgebieden van verkoop en vermaak, zoals die hun beslag hebben gekregen in theaters, casino's en pretparken. Hun ambitie ging vaak verder dan de eisen van hun opdrachtgevers. Gruen was in laatste instantie niet geïnteresseerd in winkelen. De shopping mall was voor hem niets anders dan een voertuig voor zijn werkelijke bedoelingen: het herontwerpen van de moderne stad.

Kenmerkend voor Koolhaas is de manier waarop hij technische inventies tot paradigma bestempelt. In zijn eerste boek, Delirious New York, werd de wolkenkrabber geboren uit het het huwelijk van lift en staalskelet. In de Shopping Guide is het de combinatie van airconditioning en roltrap die de transformatie van glazen winkel tot geblindeerde doos mogelijk heeft gemaakt.

De shopping mall is waterdicht, overdekt en geklimatiseerd. Een kunstmatige omgeving die geen buitenwereld nodig heeft. Integen deel, de buitenwereld wordt als de vijand getypeerd: onguur, gevaarlijk en concurrent van alle opgetaste waar. In het geblindeerde paradijs zijn de condities optimaal; er is (kunst-)licht en (gefilterde) lucht, de temperatuur is constant en aangenaam, er klinkt muziek, verkeer ontbreekt en de straten gaan drempelloos over in winkels. Aan doorkijkjes en pleinen is gedacht, inclusief parkbanken en fonteinen, bomen en groenvoorzieningen.

De winkelplaats heeft zich onder steeds grotere controle ontwikkeld tot steeds grotere autonomie, van de bazaar via de arcade naar de mall. De winkel is een wereld geworden, waarin allerlei activiteiten naadloos in elkaar overlopen. In Las Vegas hebben de casino's het uiterlijk van een stad (New York, New York, Paris-Las Vegas, Venetian) en het karakter van een hotel, een theater en een museum ineen. Alleen de typologie is die van de kassa, een verdienmachine.

In zijn collage-achtige opzet doet The Harvard Design School Gui de to Shopping denken aan het fragmentarische en onvoltooide Arca den Project van Walter Benjamin (1892-1940). De arcaden waren een negentiende-eeuwse uitvinding, voorlopers van het warenhuis, een labyrint van glasoverdekte binnenstraten met aan weerszijden winkels. Maar de arcaden waren, in de ogen van Benjamin, meer dan een winkelcomplex; ze waren de behuizing van de massa.

'Straten', schreef hij, 'zijn de verblijfplaatsen van de massa. De massa is een eeuwig onrustig, eeuwig geagiteerd wezen dat - in de ruimte tussen de gevels - net zo veel ervaart, leert, begrijpt en ontdekt als individuen doen binnen de privacy van hun eigen vier muren. Voor de massa zijn de glanzend geëmailleerde reclameborden net zulke goede muurversiering, zo niet betere, als het olieverfschilderij in de bourgeoissalon; muren met hun opschriften van "Niet aanplakken" vormen haar schrijftafel, kiosken haar bibliotheken, brievenbussen haar bronzen busten, banken haar slaapkamermeubilair, en het café-terras vormt het balkon vanwaar ze neerkijkt op het huishouden.'

Het Arcaden Project van Benjamin was meer een literaire onderneming dan Kool haas' Shop ping Project, maar de ambitie was niet wezenlijk verschillend. Voor Ben ja min waren de arcaden een meta foor, een hulpmiddel om 'een materialistische filosofie van de negentiende eeuw' te kunnen schrijven. Voor Koolhaas is shopping meer realiteit dan metafoor, maar ook een kunstgreep om de filosofie van onze tijd mee te beschrijven.

Benjamin zag de flaneur als de ideale gebruiker van de arcaden. Een wandelaar zonder haast of doel; een passant die indrukken opdoet, fragmenten sprokkelt die in zijn geheugen met eerdere indrukken worden verbonden tot verhalen. De flaneur leest de stad, hij maakt 'studies'. In de wereld van mall en pretpark is de flaneur ver dwe nen en de dagjesmens gekomen. Hij maakt geen studies; hij wordt bestudeerd tot meerdere eer en glorie van de kassa. Hij doet geen indrukken op; hij krijgt ze kant-en-klaar aangeboden. Kijken is vervangen door kopen; het lezen van de stad door het consumeren ervan.

Benjamin schreef over de stad als een droom, in termen van Zeit raum (ruimtetijd) en Zeit-traum (droomtijd). Koolhaas schrijft over de stad in termen van Spacejunk en Junkspace, van afval en overblijfsel. Het perspectief is er niet vrolijker op geworden.

Junkspace is het enige hoofdstuk dat door Koolhaas is geschreven, een sombere, Céline-achtige litanie over de architectuur van dit moment. 'Als Spacejunk het menselijke afval is dat het universum vervuilt, dan is Junkspace het restant dat de mensheid op de planeet achterlaat. Het gebouwde product van de modernisering is niet moderne architectuur, maar Junkspace, (-) de fall-out daarvan.'

Het huwelijk van roltrap en airco heeft een monster gebaard: het eindeloze gebouw, hermetisch afgesloten van de buitenwereld, het gebouw zonder dag en nacht, waar de tijd stilstaat. In Junkspace weet je niet waar je bent, waarheen je gaat, waar je was. In Junkspace denk je dat je vrij bent, maar je wordt geleid. Hoe onduidelijker het parcours, hoe excentrischer de wegen, hoe beter de plattegrond verborgen blijft, hoe efficiënter men aan de ervaring wordt blootgesteld, hoe onvermijdelijker de transactie is.

'Junkspace is politiek: het is afhankelijk van het elimineren van de kritische vermogens uit naam van comfort en plezier.' Het is alles wat uitgerekt en aangeharkt is. Het is de ruimte als vakantie; oude glorie geïnjecteerd met nieuw elan waardoor de kassa harder gaat rinkelen: Bar ce lona versmolten met de Olympische Spe len, Bil bao met het Gug gen heim, 42nd Street met Disney. Junkspace is een staat van permanente verandering en verbouwing, waar op slag van middernacht - als de koets in een pompoen - Taiwanese Gothic kan veranderen in Nigerian Sixties of Norwegian Cha let. Junkspace is ruimte die aan één wet gehoorzaamt, die van yen, euro en dollar: YE$.

Wie zou denken dat Koolhaas daarmee de huidige ontwikkelingen afwijst, heeft niet veel van de architect begrepen. Als schrijver laat hij zich graag meeslepen door zijn retoriek, als architect is hij niet ideologisch, maar pragmatisch. 'De architect is compleet passief', zei hij, 'omdat zijn intelligentie alleen in gang wordt gesteld door eisen die hij niet zelf initieert.' De architect reageert alleen maar op een probleemstelling. De stand van zaken is gegeven; het enige waarover hij controle heeft is de manier waarop hij zijn opdracht uitvoert. 'Ar chitect worden', zei hij, 'impliceert überhaupt al een mate van karakterloosheid. Je bent overgeleverd, dus je accepteert a priori altijd een combinatie van opdringen en wijken. Dat vind ik nou juist het interessante van het vak.'

In een eerder boek, S, M, L, XL, een architectonisch credo waarin hij zich rekenschap geeft van wat hij heeft gebouwd en wat hij had willen bouwen, is ook een alfabetische lijst opgenomen van begrippen die in zijn denken blijkbaar een rol spelen. Achter shop ping staat: 'Shopping is een bezigheid die bestaat uit even voorspelbare als vage activiteiten, waarbij, net als in de bioscoop, wat we gaan zien, wat we keer op keer opnieuw ervaren, onze eigen verlangens zijn.'

Voor Koolhaas is architectuur verwant aan scenarioschrijven (een eerdere professie); de architect script de ruimte: architectuur dient activiteiten te genereren. Hoe concreet de constructie ook is, het is in essentie een abstractie: een virtuele weg die bepaalde ervaringen insluit en andere onmogelijk maakt. Geen beter voorbeeld van een gescripte ruimte dan die van shopping mall, casino of pretpark. Wat dat betreft is Koolhaas zijn uitgangspunt verbazingwekkend trouw gebleven. Al in Delirious New York, zijn retroactief manifest voor de metropool, schreef hij: 'De metropool is een verslavende machine, waaruit geen ontsnapping mogelijk is, tenzij ze die ook biedt.'

De stad van nu is een winkel, een labyrint met maar één uitgang, een deur met een muntslot. Ontvluchten is alleen mogelijk als we iets kopen, iets betalen. Samengevat in de heldere slogan van Schiphol: See. Buy. Fly.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden