Yakmelk en antibiotica

In de bergdorpen van Helambu bepalen rituelen en tradities het ritme van het leven. Wil Thijssen en fotograaf Bart Mühl trekken door een streek zonder toeristen, in de schaduw van de Himalaya....

Wil Thijssen en Bart Mühl

H ij wijst naar de daken op de heuvels aan de overzijde van de vallei. ‘Golfplaat’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Golfplaten daken zijn hier een teken van welstand. Het betekent dat de eigenaar zijn dochter voor veel geld aan ronselaars van Indiase bordelen heeft verkocht.’

Suman, een Nepalees, en zijn Zwitserse echtgenote Franziska hebben zich aangesloten bij onze trekking door Nepal. Hij laat de mooie en de lelijke kanten van zijn geboorteland zien, waaruit hij in 1999 vertrok om bij zijn vrouw in Zwitserland te gaan wonen. Suman neemt ons mee in de huizen van dorpsbewoners, waar we gedroogd vlees eten, yakmelk drinken en ons warmen aan het houtvuur waarop water wordt gekookt.

Hier, in de houten keuken van een huis in Kutumsang, onder een gevlochten bladerdak, zit een prachtige meid van een jaar of zeven. Ze kijkt ons lachend aan met grote bruine ogen. ‘Pocahontas’, noemt de fotograaf deze meisjes – indianendochters.

‘Indiërs geloven dat een geslachtsziekte geneest als ze met een maagd naar bed gaan’, zegt Suman. ‘Een mooie dochter wordt vaak al verkocht voordat ze gaat menstrueren.’

Het meisje zingt en deelt aardewerken kommen uit, waaruit we kleefrijst eten met onze handen. Jaarlijks worden zo’n vijf- tot zevenduizend meisjes voor ‘werk’ aan Indiërs meegegeven. Velen sterven aan aids. Wie ontsnapt, is vaak ziek en niet meer welkom bij haar familie. Schiet voorlichting in deze afgelegen dorpen tekort, vragen wij. Kunnen de lokale overheden ouders niet waarschuwen dat hun dochters als prostituee worden tewerkgesteld?

‘De vaders weten heel goed wat er met hun dochters gebeurt’, antwoordt Suman. ‘En de lokale overheden hebben de allergrootste daken van golfplaat.’

Soms schaamt hij zich voor zijn land, zoals hij zich ook schaamt voor de bijgelovige rituelen van de sherpa’s die onze tenten en bagage al dagen meesjouwen, berg op, berg af. Ze plukken bloemen en leggen die in boomholtes (Suman gooit de bloemen er geërgerd weer uit), buigen voor de dikste bomen, sprenkelen drinkwater over eeuwenoude, verrotte stronken en dansen ritmisch rond de plekken waar dode dorpsgenoten zijn verbrand.

Hier in Helambu, de streek boven de vallei van Kathmandu, is Nepal nog traditioneel. Hier komen weinig toeristen. De meesten gaan naar het natuurpark Chitwan in het zuiden, naar Langtang, de streek aan de voet van de Himalaya, of hoger, naar de Annapurna met zijn talloze guesthouses of naar het basiskamp van de Everest, om thuis te kunnen vertellen dat ze op de hoogste berg ter wereld zijn geweest. Coca-Cola-trails worden ze genoemd, de populaire trekkings waar toeristen elk voor- en najaar in file marcheren, in namaak-bergmerkkleding die ze na veel afdingen voor een spotprijs in Kathmandu hebben gekocht.

In Helambu komen we drie weken lang geen toeristen tegen. ’s Morgens loopt onze groep door dichte mist, ’s middags staat de zon hoog aan de hemel en gluren de toppen van de Himalaya door de begroeiing. De groep – zes trekkers, tien sherpa’s – wandelt over smalle bergpaden, klimt over rotsen, steekt wiebelige touwbruggen over en springt van steen naar steen over de Malemchi-rivier.

In de bergwouden snijden de sherpa’s takken weg en plukken ze bloedzuigers van onze schoenen. Een kok kookt elke avond dhalbat, rijst met vlees, groenten en kikkererwten. Zijn kookgerei is over de manden van drie dragers verdeeld. We komen langs stoepa’s en tempels en slapen in tenten of op de houten vloeren in de huizen waar Suman hartelijk wordt uitgenodigd. We wassen ons met koud water, rechtstreeks uit de bron. Hier vragen de kinderen niet om ‘one dollar please’, hier krijgen we bloemen, zukuti – gedroogd buffelvlees – en een respectvolle groet.

Helambu is arm en groen. En, zo blijkt als we dieper de bergen in trekken, het is ook de streek waar de opstandige maoïsten tijdens de burgeroorlog (1996-2006, ruim 12 duizend doden) het wreedst hebben huisgehouden. Dat blijkt in Malemchigoan en Tarkeghyang, twee bergdorpen waar vrijwel alle inwoners blijken verjaagd en hun huizen zijn verwoest. De kapotte ramen zijn met plastic afgeplakt tegen de wind, op de schuren wapperen rode vlaggen met de hamer en de sikkel. Op de paden en geplaveide straatjes loopt hooguit een verdwaalde buffel of geit.

Soms worden toeristen langs deze route nog door maoïsten tegengehouden. . Tegen betaling mogen ze doorlopen. Het gaat relatief gezien niet eens om hoge bedragen, een paar tientjes, in euro’s omgerekend. Maar dat hoor je steeds minder, sinds de maoïsten in de regering zijn gekozen en de koning dit voorjaar is afgezet. Het negatief reisadvies is in ieder geval ingetrokken.

‘Het was de revolutionairen er nooit om te doen de toeristen te verjagen, want zij zijn de voornaamste inkomstenbron van het land’, zegt Suman. ‘Die overvallen verliepen redelijk vreedzaam. Maar de bewoners van deze streek hebben het overduidelijk niet makkelijk gehad.’

Onze gidsen hebben het niet gemakkelijk. De eerste, Karma, heeft een oogontsteking, het pus druipt al dagen in slijmerige slierten over zijn gezicht. Zijn neef Pasang wordt op dag drie van de trekking getroffen door boze geesten en een nare droom. Pasang is doodsbang en wij begrijpen niet waarvoor.

Halverwege de tocht roept hij de hulp in van een gebedsgenezer uit het dorpje Chisapani. Een kale, oude, rimpelige man gooit rijst over Pasangs hoofd en schouders, wrijft gras fijn tot sap over diens polsen en spreekt bezweringen uit, maar aan het eind van het liedje moet de jongen toch met spoed achter op een brommer terug naar Kathmandu, om bij een tempel vergeving en genezing te vragen. ‘Anders zal hij sterven’, zegt Karma, die zijn neef naar de hoofdstad vergezelt.

Suman, de Zwitserse Nepalees, regelt in het bergdorp twee jongens van een jaar of zestien die met alle liefde voor acht dollar per dag de weg in de bergen willen wijzen. De jongens lopen hand in hand en vallen ’s avonds tegen elkaar bij het haardvuur in slaap – alleen mannen mogen elkaar publiekelijk genegenheid tonen in dit land.

We wennen aan de hete, vochtige dagen en koude nachten, maar het uitzicht went nooit. In alle dorpen hangen gekleurde gebedsvlaggetjes bij stoepa’s, waar boeddha’s naast Vishnu en Shiva staan. Vrouwen wassen felgekleurde kleding bij de dorpspomp, buffels baden in de natte rijstvelden en kinderen wandelen giechelend in schooluniformen over de steile bergpaden, soms urenlang, naar hun school.

Bij Tharepati loopt de route via een kloof steil naar beneden. Over de kolkende rivier bungelt een hoge hangbrug van touw en houten latjes. De brug leidt naar Mangengoth, een echte negorij die door maoïsten wordt bestierd. De eigenares bakt pannenkoeken en verkoopt gebreide mutsen en sjaals.

Op dag vijf worden we overvallen door het grootste gevaar dat een bezoeker hier loopt: de fotograaf heeft een voedselinfectie opgelopen.

Juist hij, de voorzichtigste van ons allemaal. Hij krijgt koorts en wordt met de dag zieker. Zijn voeten zitten vol bloedzuigers, maar hij merkt het niet eens. Met katoenen bundeltjes zout trekken we de slijmerige wormen eraf. Morgen gaat het beter, belooft hij. ‘Ik voel het.’

De volgende dag kan hij geen stap meer zetten. De sherpa’s slepen hem naar het dal, houden een auto aan en brengen hem naar het ziekenhuis in Kathmandu. De plotselinge overgang is groot. Auto’s en vrachtwagens rijden er zes rijen dik toeterend door de straten, voetgangers en fietsers beschermen hun longen met zakdoeken tegen de uitlaatgassen.

In het ziekenhuis krijgen toeristen voorrang, constateren we beschaamd. Een arts schudt handen, neemt temperatuur op, luistert door een stethoscoop en schrijft pillen voor.

‘Westerlingen moeten nooit zonder antibiotica de bergen in gaan’, waarschuwt hij met opgeheven vinger. ‘Hiermee moet het snel overgaan’ – mits we tegen tyfus zijn ingeënt, voegt hij er voor de zekerheid aan toe. Van de rekening zou elke wachtende hier zich rot schrikken, maar na een rekensommetje blijkt dat het ziekenhuisconsult en vijf strips antibiotica nog geen vier euro hebben gekost.

Het helpt. Nog diezelfde avond vluchten we de stad uit. Weg van de stinkende auto’s, weg van de herrie, weg van de uitgestoken armen die vragen om ‘one dollar please’, terug naar de mystiek en de stilte in de bergen van Helambu.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden