Wrikken aan de waarheid

Meester van de droogkomische roman, lid van de Zweedse Academie. Onlangs stelde hij zijn fantasierijke Herinneringen op schrift. Een gesprek met Torgny Lindgren over de komma, God, zijn ouders en de Nobelprijs.

Torgny Lindgren. Beeld epa

Wat waar is en wat verzinsel moet je Torgny Lindgren niet vragen. De 74-jarige literaire nestor en lid van de Zweedse Academie onderhoudt zich al een leven lang met zijn verbeelding. Dat heeft tot een droogkomisch oeuvre geleid, bekroond met de Engelse National Book Award (1983), de Franse Prix Femina (1986) en de Zweedse Augustprijs (1995).


Geen wonder dat hij zich in zijn pas vertaalde Herinneringen vaak hardop afvraagt of hij de mooie verhalen daaruit eigenlijk wel heeft meegemaakt of toch niet heeft verzonnen. De ondertitel van zijn memoires luidt dan ook 'roman'. Houd hem ten goede.


Zonder andere boei dan de e-mails met reisadviezen van Torgny Lindgren ben ik naar Linköping gevlogen, om vandaar de trein te nemen naar Rimforsa. Als enige passagier word ik door de stilte van de streek Östergotland vervoerd, langs meren en over heuvels met kerkjes en graven die soms op reuzenmolshopen lijken, nog stammend uit de Vikingtijd.


Op het godverlaten treinstationnetje staat één lange man, uitgerust met baard en jagershoedje, die de armen spreidt en uitroept: 'There you are!' Of de reis zonder problemen verliep, vraagt Torgny Lindgren als we in zijn auto zitten, onderweg naar de oude pastorie (negen royale kamers) van Tjärstad, een vlek met veertig inwoners waar hij met zijn vrouw Stina woont.


Dankzij uw e-mails ging het prima, zeg ik. Lindgren trekt de wenkbrauwen op: 'E-mails van mij? Ik weet niet eens hoe je een computer moet aanzetten. Waarschijnlijk heeft u met mijn vrouw gecorrespondeerd. Stina verstuurt e-mails in mijn naam.'


Zo zijn we weer thuis, bij de man die graag mag wrikken aan onomstotelijkheden. Als jongeman was hij korte tijd journalist in Umeå, tot zijn superieuren merkten dat Lindgrens berichtgeving niet altijd betrouwbaar was. Zich beperken tot de waarheid en die dagelijks gespreid over onderscheiden secties in de krant aanbieden, dat lag hem niet. Hij ging schrijven, in 1965 debuteerde hij met poëzie, en ook schilderen. 'Maar dat laatste bleef amateurisme.'


In zijn romans en verhalen voert Lindgren dikwijls streekjournalisten op die door de doodse stilte van het Zweedse platteland welhaast worden gedwongen hun fantasie aan te spreken. Met soms grote gevolgen. De journalist in Het ultieme recept (vertaald in 2005) krijgt van zijn hoofdredacteur deze boze brief: 'De personen die u geboren hebt laten worden, verjaardagen hebt laten vieren, huwelijken hebt laten aangaan en in sommige gevallen ook hebt laten overlijden, hebben nooit op aarde geleefd. Bij nader inzien komt het mij wonderlijk voor, om niet te zeggen opmerkelijk, dat u zelf bestaat.'


Ontslagen. Vervolgens wacht de correspondent liefst vijftig jaar, want pas dan is de boze hoofdredacteur gestorven. Op zijn 107de vervolgt hij met herwonnen krachten het verhaal dat hij een halve eeuw eerder had moeten onderbreken, over een in Zweden rondtrekkend duo dat het geheim zoekt van de perfecte balkenbrijschotel.


Lindgren, onderuit op de bank, op zijn sokken. Bretels, pijpje, ogen die op twinkelen staan: 'Journalisten denken vaak dat zij de waarheid vertellen. Ze onderschatten, vrees ik, dat ze altijd een interpretatie presenteren. Het woord is nooit een exacte kopie van de werkelijkheid. Als je je dat realiseert, maakt het niet veel meer uit of je de feiten trouw blijft of ze naar je hand zet.'


De brand gaat in de pijp. 'De tijd bij de krant was niet nutteloos, hoor. Ik heb er bijvoorbeeld geleerd hoe belangrijk komma's zijn. Hoe zei mijn redactiechef het ook weer? De komma is de naaf van de geschreven tekst. Onze gedachten zijn niets dan arabesken rond de komma's.'


Een poëtische redactiechef had u me daar.

'Dat vond ik nou ook.' Grote grijns. Puf zegt de pijp.


'In mijn jeugd in het noordelijke Västerbotten hadden we een radio waar we het nieuws op hoorden. Verder geschiedde daar niets, afgezien van het dansen van de muggen en het dwarrelen van de sneeuw. Maar iedereen liep de hele dag te praten, mijn ouders en grootouders en ooms, en niemand bekommerde zich erom of die mooie verhalen echt waren gebeurd.'


Had u op uw 13de tuberculose, waardoor u naar een sanatorium moest?

'Dat is waar.'


En daar raakte u bevriend met een jongen die niet kon lezen, maar de hele Bijbel kende, alleen door naar de imponerende gravures van Bijbelillustrator Gustave Doré te kijken?

'Zo was het. Vijftig jaar later heb ik daar de roman De Bijbel van Doré over geschreven. Die jongen was heel intelligent, maar hij leed aan alexie; als hij naar een tekst keek, vlogen de letters als vliegen naar zijn gezicht. Lezen lukte niet. Maar hij was gezegend met zelfvertrouwen en optimisme.


'Hij kon de Bijbel niet lezen maar wel zien. De prenten brandden zich rechtstreeks bij hem naar binnen. Hij vertelt zijn verhaal door het in te spreken op een dictafoon. Dat is mijn roman, die gaat over de genade van de ongeletterdheid: hij voelt het leven zelf, ongefilterd, en hij is onbekend met de twijfel en het gemis waar veel boeken over bestaan.


'Alexie komt niet zo veel voor als de mildere variant die dyslexie heet. Onze hele koninklijke familie is dyslectisch, wist u dat? Koning Carl Gustav moet al zijn toespraken eerst compleet uit het hoofd leren, om ze daarna zogenaamd voor te lezen. Een evenwichtig en optimistisch man. Dat verbaast me niets.'


We drinken de thee en nuttigen de toast met kaas en marmelade die zijn vrouw Stina heeft neergezet, voordat ze in de werkkamer achter haar computer plaatsneemt en Torgny wordt. De schrijver zelf gebruikt pen en papier, zoals de woest beschreven multomapvellen bewijzen die naast de asbak liggen.


Is dat zijn nieuwe boek? 'Als het goed blijft gaan wel, ja. Het wordt een verhaal over een schilder, geen uitmuntende, maar een amateurschilder van landschappen en stillevens, zoals je die veel in provincies ziet. Zonder aanzien werken die mensen voort, met een toewijding die ik hoogacht. Altijd in de weer met kleur en canvas, dat is veel mooier dan de hele dag boven een vel wit papier gebogen zitten. Ze moeten doorgaan, die kunstenaars, al is er geen galeriehouder die hen ooit ontdekt. Die mensen luisteren naar hun binnenste.'


Een blik uit het venster, op de golvende weiden. In Lindgrens schitterende roman Norrlandse aquavit (vertaald in 2009) concludeert de predikant Olof Helmersson dat Gods natuur bestaat, ook als God dat eventueel niet zou doen. Net als Zijn wil, misschien.


Lang geleden heeft Helmersson als opwekkingsprediker een hele streek bekeerd, wel 416 zielen ('sommigen van hen twee keer'). Maar als hij na decennia ineens heeft besloten dat God toch niet bestaat en de evangeliën derhalve leugenachtig zijn, probeert hij met zijn resterende energie de bevolking spoorslags weer te ontkerstenen. Dat gaat hem minder gemakkelijk af.


In zijn Herinneringen schrijft Lindgren dat zijn ouders piëtistisch-luthers waren, tot zijn vader op zekere dag besloot dat God niet bestond.


Heeft hij die gebeurtenis later gebruikt voor de roman? 'I suppose so. Mijn vader was een heel gedreven ontkenner geworden, zeer plotseling, ik weet niet waardoor. Mijn moeder bleef in de kerk. En het mooie was: die twee kregen nooit ruzie. Mijn vader had besloten dat er geen feiten bestonden die het concept christendom konden steunen. Daar had hij gelijk in: met feiten kom je niet ver.


'Voor mijn moeder hoefde dat ook helemaal niet. Een jaar of elf was ik en ik hoorde mijn ouders dikwijls discussiëren. Ik zag daar, net als mijn moeder trouwens, de humor van in.


'Op haar sterfbed zei ze tegen me: 'Mijn hele leven ben ik vreemd volk geweest. Overal. Ik vond nooit een thuis.' Dat herken ik. Moeder vatte het leven op als een Geworfenheit, om met Heidegger te spreken: we zijn op aarde geworpen en blikken een leven lang verbaasd om ons heen. In zekere zin zijn we allemaal vreemdelingen. Altijd.


'Toch zie je veel mensen zich gedragen als rationalisten en realisten, van die mensen die de wereld en het leven overzichtelijk vinden. Dat maakt alles er voor mij nog eigenaardiger op.'


Vreemd volk, dat voelt Torgny Lindgren zich ook als hij iedere vrijdag in het Stockholmse beursgebouw aanschuift bij de illustere Zweedse Academie, het gezelschap van achttien geleerden (sinds 1991 bezet Lindgren stoel 9) dat elk jaar in oktober bekendmaakt aan wie de Nobelprijs voor de Literatuur wordt toegekend. Tevreden: 'Ik vertegenwoordig daar alle schrijvers die eigenlijk helemaal niet in de Zweedse Academie thuishoren.'


Lindgren kan de prijs nooit winnen. Dan zou hij eerst uit de Academie moeten en dat staan de regels niet toe. 'Je kunt er alleen uit door te overlijden. En dan kom je in de grote Academie hierboven terecht.'


Wekelijks vergadert de Academie, in een jaar komen er ruim tweehonderd potentiële kandidaten aan de orde. 'Wie allemaal, dat mag ik u niet zeggen. Ooit heb ik me versproken, door te zeggen dat ik Imre Kertész bewonderde. Een paar jaar later kreeg Kertész de Nobelprijs. Toen ben ik op de vingers getikt: zeg Lindgren, uitkijken jij, nooit meer een naam noemen.'


Maar u laat me toch niet helemaal uit Nederland komen zonder dat ik hoor of Cees Nooteboom een kans maakt?

'Dat is een groot schrijver.'


Mag ik hem dat zeggen? Hij is nu 79, hoe lang moet hij nog wachten?

'Leeftijd is geen argument. Kijk naar Doris Lessing, die was 87 toen ze werd gelauwerd.'


Maar u hebt Nooteboom hoog zitten.

'Hij is een groot schrijver.'


Krijgt Nederland zijn eerste Nobelprijswinnaar?

Glimlachend sluit hij de ogen. Langzaam: 'Ik vind hem groot.'


Verder aandringen baat niet. Lindgren buigt het gespreksonderwerp af. 'Hier in de vensterbank ziet u de penningen liggen die horen bij de prijzen die ik heb gewonnen. Het topstuk staat daarginds voor het raam: een bronzen beeldje dat Strindberg voorstelt. Dat is de grote Zweedse Augustprijs.'


Voor welk boek hebt u die gewonnen?

'Weet ik niet meer. Dat beeldje is van zwaar brons. Met die prijs ben ik erg blij. Weet u waarom? Mocht er ooit een inbreker de pastorie binnenkomen, dan kan ik het goed als wapen gebruiken.'


Elk mens heeft een stem van binnen, leerde hem ooit een psychiater. Lindgren kwam bij hem omdat zijn lichaam onverklaarbaar trilde. 'Jouw stem is te zwak', zei ze mij. 'Je ziel heeft een stem nodig.' Bij de logopediste naar wie hij werd doorverwezen, schreeuwde Lindgren het toen uit. En ja, na verloop van tijd verdwenen de klachten.


'Tegenwoordig tril ik alleen nog als het me uitkomt', schrijft hij in Herinneringen, om te besluiten met de vaststelling dat het kennelijk onze stem en taal zijn die het lichaam met de ziel verbinden.


'Zo vond ik mijn eigen geluid. Dat moet je durven laten opklinken. Een kwestie van concentratie en vertrouwen. Er was niet veel, in mijn jeugd, maar we hadden wel een reusachtig orgel in huis. Een hele winter deden ze daar over het bouwen van zo'n instrument. Mijn grootmoeder speelde er vaak op, en goed. Ze had een zwaar leven, maar eenmaal achter haar instrument toverde ze Händel en dansmuziek tevoorschijn, van alles. Met orgel en al werd ze naar feesten en zalen in de buurt gereden.


'In de Tweede Wereldoorlog moesten we het orgel wegdoen: het hout werd opgestookt, de metalen pijpen omgesmeed. Dat heeft oma nog meegemaakt, want ze is in 1947 overleden. Negen jaar was ik toen. Over haar heb ik geschreven in De weg van de slang, een verhaal met een tragische kant, maar vooral een ode aan de gratie.


'In het spel gaf ze zich, muziek was haar redding. Misschien is het vreemd om dit te zeggen, maar ik kan haar nu nóg horen spelen.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.