Wrang sprookje over Kazachse broertjes

Alma-Ata, de hoofdstad van Kazachstan, werd vooral bekend om de hooggelegen ijsbaan waar de ijle lucht duizelingwekkende records mogelijk maakte....

Peter van Bueren

Maar in de filmgeschiedenis was het ook de plek waarheen tijdens de Tweede Wereldoorlog de hele cineastenhorde uit Moskou verhuisde. Een filmstad is Alma-Ata eigenlijk altijd gebleven en in de jaren tachtig en negentig bloeide er zelfs een Kazachse Nieuwe Golf, met onder meer regisseur Serik Aprimov (1960), wiens derde lange film - na De laatste halte (1988) en Sergelden (1992) - aanleiding was voor het Rotterdamse filmfestival om hem begin dit jaar als Filmmaker in Focus in het zonnetje te zetten.

In Aprimovs vorige films ging het om jonge volwassenen en een confrontatie van oude en nieuwe tijden. Terugkeer naar het oude was onmogelijk, aanpassing aan het nieuwe moeilijk.

Het kader van Tri Brata ('Drie broers') is de nieuwe tijd. In de eerste beelden lijkt een mooie straaljager de hoofdrolspeler, een piloot vertelt erover. Tsjiboet heet hij en hij is terug op de luchtbasis vlakbij het gehucht waar hij werd geboren.

Over dat gehucht en die jeugd gaat het hoofdverhaal van de film - het verleden, toen Tsjiboet nog als kleine jongen in het bed plaste dat hij moest delen met zijn twee broers.

Zwerfjongens zijn het, die kattenkwaad uithalen en aan de lippen zitten van de oude Klein, die ooit in een Duits concentratiekamp zat en nu 'werkt' als opzichter van oude locomotieven op het locomotievenkerkhof. Thuis zien de jongens op de televisie ook wel eens oefeningen op de luchtmachtbasis.

Klein is een soort oude oom die de jongens vertelt hoe het zit met vrouwen. Hij verzint dat er een meer is met een pension waar generaals gratis over de mooiste vrouwen beschikken. Daar willen de jongens, die tussen de oude locomotieven toekijken hoe een soldaat een hoer ontmoet, wel heen. Bij alles wat ze doen - snoep jatten of een kassier van zijn geld beroven - moet Tsjiboet op wacht staan en meestal valt hij dan in slaap.

In korte, met een titel en een tekening gemarkeerde hoofdstukken vertelt Aprimov dit jongensverhaal als een sprookje dat weliswaar laconiek wordt ontvouwen, maar allerlei wrange trekjes bevat. De realistische, bijna documentaire stijl behoeft geen commentaar en de film is geen betoog, maar levert aardige weetjes op. Terloops wordt aangegeven dat er weinig mannen in het dorp zijn, dat er overal mijnen liggen, dat armoede burgemeester is en dat er voor die jongens weinig toekomst wacht. Wreedheden zijn als de harde werkelijkheid van de natuur. Zo wordt Tsjiboet eens door een groep jongens opgehangen en met stroomstoten behandeld om een geheim te verraden.

Op de televisie wordt verteld dat de vliegtuigen nu gaan demonstreren hoe ze schieten op bewegende objecten. Toevallig net als de jongens een locomotief hebben gepikt en Klein er met een andere locomotief achteraan gaat. Tsjiboet mag niet mee. Meer wordt er niet gezegd, maar alles is duidelijk. Tsjiboet zal als enige de moderne tijd meemaken, als straaljagerpilooot, op de luchtbasis bij zijn geboortedorp. Verder en toch dichtbij gebleven.

Een wonderlijk sprookje, gortdroog en zonder enige opsmuk verteld, al het overbodige is weggesneden. Niet opzienbarend of spectaculair, maar diep in zijn eenvoud.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden