Woud uit de brand

Een Nederlandse ecoloog zag in Indonesië 'zijn' onderzoeksbos voor zijn ogen verbranden. Hij verlegde zijn research en zo kwam aan het licht dat de herstelkracht van het regenwoud veel groter is dan gedacht....

Echt spannend was aanvankelijk het promotie-onderzoek niet waarmee tropisch ecoloog drs. Mark van Nieuwstadt zich bezighield in het Indonesische regenwoud. Aan de rand van een bos in Kalimantan plantte hij om de honderd meter boomzaadjes in keurige rijen om te kijken hoe dynamisch het plantenleven aan die bosrand zich voltrekt. Vanwege de droogte ontkiemde er van die zaadjes bijna niets, dus te beschrijven was er vooralsnog weinig.

Dat veranderde radicaal in maart 1998, toen voor zijn ogen het gehele 'onderzoeksbos' ten prooi viel aan de bosbranden die in 1997 en 1998 Indonesië teisterden. De branden waren ontstaan in een naburig bos- en savannegebied en trokken tergend langzaam door het beschermde regenwoud, waar allerlei wetenschappelijke proeven werden gedaan.

Met ongeveer honderd medewerkers van het MOFEC-Tropenbos Kalimantan Research Station trok hij elke dag met afgehakte palmbladen het gebied in om de vlammen te lijf te gaan. Maar wat overdag geblust werd, laaide 's nachts weer op.

Spectaculair was de aanblik van de bosbrand overigens niet, want de metershoge vlammen die wij hier op de televisie hebben gezien, komen volgens Van Nieuwstadt helemaal niet in het regenwoud voor. 'Die beelden zijn allemaal gemaakt op het secundair savannegebied erbuiten, dat al langer is ontbost en veel droger is. Zo gauw het vuur in het bos komt, raakt de fut eruit.'

Vijftig centimeter hoog zijn de vlammen dan nog, en zo traag dat je er op handen en voeten voor weg zou kunnen kruipen. Door met het palmblad een paadje schoon te vegen van oude bladeren en humus kan het vuur ook redelijk goed worden tegengehouden. Maar over een afstand van vele tientallen kilometers valt zo'n reddingsactie nauwelijks te realiseren.

Het vuur liet zich dus niet tegenhouden en deed zo'n 100 tot 125 meter per etmaal. Elke ochtend bleek weer één van Van Nieuwstadts prille onderzoeksveldjes te zijn verdwenen. Wat na een week van het primaire, ongeschonden regenwoud resteerde, was een zwartgeblakerd, uitgedund en kaal bos. Het waren de ernstigste branden in Indonesië sinds die van een vergelijkbare periode in 1982 en 1983.

En net als toen waren ze het gevolg van een zware El Niño-droogteperiode, gecombineerd met slordigheid of nonchalance van boeren en plantage-eigenaren die niet malen om een stukje verbrand regenwoud en hun gebruikelijke slash and burn-praktijk voortzetten, terwijl de risico's daarvan tijdens extreem droge periodes enorm zijn.

Het resultaat was vanuit de ruimte zichtbaar als duizenden zware rookpluimen, die tot in Maleisië smog veroorzaakten. Alleen al op Oost-Kalimantan ging 2,6 miljoen hectare bos verloren. De economische schade voor Zuidoost-Azië bedroeg volgens het Wereld Natuur Fonds (WNF) 4,4 miljard dollar.

Tegelijk ook bood de brand kansen voor onderzoekers, want over het precieze effect van bosbranden in tropische regenwouden is opmerkelijk weinig bekend. 'Heel lang is zelfs aangenomen dat tropische bossen helemaal niet branden', zegt Van Nieuwstadt, maar die opvatting is de laatste tien jaar bijgesteld. 'Op een ecologische tijdschaal van eens in de duizend jaar zijn ze vrij normaal. Tegenwoordig ligt die frequentie uiteraard extreem veel hoger, en de meeste onderzoekers nemen aan dat het bos na zo'n brand voor langere tijd verloren is.'

Na de branden van 1997 en 1998 vaardigde de Indonesische overheid - geadviseerd door buitenlandse bosecologen - dan ook een richtlijn uit waarin stond dat kapmaatschappijen prioriteit moesten geven aan het kappen van bomen met economische waarde in verbrand bos. Daar viel vooralsnog toch niets meer aan te redden, was de veronderstelling. Maar die hypothese moet op de helling, stelt Van Nieuwstadt in zijn proefschrift Trial by Fire, waarop hij komende week promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Direct na de branden verlegde de ecoloog zijn onderzoek naar een nabijgelegen bos op Kalimantan waarvan de helft wél was gered. Dat was gebeurd dankzij de inspanning van een onderzoekster die als een leeuw voor het leefgebied van de daar vrijgelaten orang-oetans en honingbeertjes had gevochten. In dat bos kon de ecoloog direct na de brand jonge boompjes tellen en inventariseren hoe de nieuwe plantengroei in het verbrande bos zich voltrok.

De theorie luidt dat in zo'n bos enkele bomen blijven staan, die zaad gaan produceren waarmee het gebied geleidelijk aan weer gekoloniseerd wordt. Voor bomen met zware zaden zou die verspreiding langzamer verlopen dan bomen met lichte zaadjes. Het tempo zou mede worden bepaald door de 'mastjaren': gunstige perioden, eens in de vier of vijf jaar, waarin buitensporig veel zaad wordt geproduceerd. Het verbrande bos had net zo'n mastjaar achter de rug, dus de verwachting was dat het nog zeker vier jaar zou duren voordat de eerste groeisprong zich zou voordoen.

De werkelijkheid bleek heel anders, want na twee jaar stond het gebied vol kleine boompjes in grote dichtheden. 15 Procent van de verbrande ondergroei was ontsproten. De soortenrijkdom van die planten en bomen bleek bovendien niet eenzijdig te bestaan uit pioniersoorten, maar was een redelijke afspiegeling van de diversiteit in het niet-verbrande bosdeel ernaast.

'Het enige dat ik niet heb kunnen vaststellen, is of de langzaam groeiende soorten even snel terugkomen als de snelgroeiende. Maar dat was vooral een technisch probleem, omdat sommige spruiten moeilijk in veldomstandigheden te determineren waren, zelfs niet door de uitstekende Indonesische veldtaxonomen die aan het onderzoek meewerkten', zegt Van Nieuwstadt.

Uiterlijk boden de bossen na twee jaar nog steeds een deplorabele aanblik, want bijna driekwart van de oorspronkelijke vegetatie was gestorven. Slechts tweederde van die sterfte was echter te wijten aan de brand, en de rest aan de droogte vóór de brand, concludeert de ecoloog. Dikkere bomen waren beter bestand tegen het vuur dan dunnere. Bomen die dikker waren dan zeventig centimeter in omtrek, hadden de brand vrijwel allemaal overleefd.

Uit bodemonderzoek in het verbrande bos bleek verder dat zaden die dieper dan anderhalve centimeter in de grond hadden gezeten, niet door het vuur waren aangetast. Dat verklaart de snelheid waarmee pioniersoorten uit dit zaad zich in groten getale vestigden, en al snel een gesloten ondergroei vormde. De schadelijke effecten van bosbranden in tropisch regenwouden vallen daarmee dus mee, erkent de ecoloog. Die 'gematigd positieve conclusie' is dan ook de grote verrassing van zijn proefschrift.

Maar daarmee is niet alles gezegd, waarschuwt hij, want met al die prille, nieuwe ondergroei is een verbrand bos extra gevoelig voor nieuwe verstoringen. Die liggen in een land als Indonesië altijd op de loer. De richtlijn van de overheid om juist te kappen in verbrande bossen was er één van - hoewel die oekaze inmiddels is ingetrokken.

'Maar ook de kans op een nieuwe bosbrand is in deze gebieden veel groter, omdat ze droger en opener zijn dan een volwassen regenwoud. In de praktijk blijkt dat ook, want ik ken niet één bosgebied dat wel in 1982-1983 heeft gebrand, en niet opnieuw in 1997-1998.'

Het zijn altijd mensen die deze vuren aansteken, zegt hij, en daar was zijn onderzoeksgebied in Sungai Wain geen uitzondering op. Algemeen wordt aangenomen dat het bos aan één zijde in de fik ging vanwege het bewust afbranden van een gebied ten behoeve van een oliepalmplantage, en aan de andere zijde vanwege uit de hand gelopen platbrandmethode van lokale boeren.

'De realiteit is dat de plaatselijke bevolking zich geen zier interesseert voor het bos. Voor hen is het nutteloos, gevaarlijk gebied waar de geesten in rondspoken. Het is van niemand en je kunt er maar beter landbouwgebied van maken. '

Wanneer men er niettemin in slaagt verbrande bossen met rust te laten, zullen die na ruim tien jaar alweer zó zijn dichtgegroeid dat ze weerbaar zijn geworden tegen nieuwe bosbranden. Ook verbrande regenwouden moeten dus door natuurbeschermers worden gekoesterd, concludeert Van Nieuwstadt. 'Ook al zijn ze vanuit oogpunt van natuurbescherming een magere vervanging van het onverbrande bos.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden