Worsteling met een kille en beklemde jeugd

Zijn leven lang heeft Per Olov Enquist (67) last gehad van het milieu waarin hij opgroeide: een sektarische geloofsgemeenschap in het noorden van Zweden....

ALS hij werkt, is Per Olov Enquist te vinden in een opvallend appartementencomplex in de Stockholmse wijk Södermalm. Het werd ontworpen door de Catalaanse architect Ricardo Bofil, zeer postmodern, niet wat je meteen verwacht. Hij kan het zich voorstellen. Hij heeft ook niet zoveel met de massieve, quasi-classicistische bouwstijl, waarop hij achteloos het adjectief 'stalinistisch' plakt. Maar hij voelt er zich op zijn gemak. Vrij uitzicht, niemand vóór hem, niemand achter hem, niemand die hem op de vingers kijkt. Hier kan hij werken, en dat doet hij de laatste jaren dan ook met een energie die niet helemaal met zijn leeftijd lijkt te rijmen. Aanstaande maandag wordt hij 68, en als het aan Günter Grass ligt, krijgt hij volgende maand de Nobelprijs voor literatuur, maar daar wil hij niets van weten. 'Zweden', zegt hij, 'moet niet een Zweed de prijs geven. Er zijn genoeg grote schrijvers buiten Zweden. Bovendien kan het slecht met je aflopen als je deze prijs krijgt - denk maar aan de Zweden Johnson en Martinson die in 1974 de prijs kregen. Martinson, een overgevoelige man, kreeg er te veel van en pleegde zelfmoord.'

Het lijkt niet óp te kunnen, de laatste jaren in het leven van Enquist, een schrijver die in Nederland nauwelijks bekend was, tot Het bezoek van de lijfarts verscheen. Ook in Nederland werd het boek een bestseller.

Misschien verwarden de lezers hem met de populaire schrijfster Anna Enquist die zijn naam als pseudoniem gebruikt. Hij weet het, hij kent Anna, en vindt het een hele eer dat ze zich naar hem vernoemde. Kort na het verschijnen van De lijfarts kreeg hij een knipsel uit HP/De Tijd toegestuurd waaruit bleek dat zijn boek in de toptien aan Anna Enquist werd toegeschreven. Hij kan er wel om lachen.

Enquist maakt een ontspannen indruk. Hij is opvallend lang en ziet er sportief en jeugdig uit. Hij vlijt zich neer op een veelgebruikt ligtoestel uit de tijd van Mies van der Rohe en is klaar voor het gesprek, dat wat hem betreft op zeer zachte toon in het Engels gevoerd zal worden. Zo te zien gaat het hem naar den vleze. Op die constatering reageert hij opgetogen. 'De jaren negentig', zegt hij, 'mijn jaren negentig, waren fantastisch.' Hij slaagde er eindelijk in de drank af te zweren. Vanaf 6 februari 1990, herinnert hij zich met veelzeggende precisie, heeft hij nooit meer een centiliter alcohol gedronken. Geen druppel. Bovendien werd hij na een periode van toenemende benauwdheid en pijn in het ziekenhuis van zijn hartklachten afgeholpen ('nee, nog net geen infarct, maar wel bijna') en gebeurde er een wonder: hij kon eindelijk het boek schrijven dat hij tot dan toe niet had kunnen schrijven, Kapten Nemos bibliotek ('Kapitein Nemo's bibliotheek').

Het is op het eerste gezicht het verhaal over twee jongetjes die na hun geboorte worden verwisseld en die, als dat vele jaren later wordt ontdekt, naar hun werkelijke vader en moeder terug moeten. Bij nader inzien vertelt Enquist in dit boek over zijn beklemde jeugd in Hjoggböle in het noorden van Zweden, waar hij met zijn moeder, stiefzuster en al of niet echte familieleden - zijn vader overleed toen hij een halfjaar oud was - opgroeide in een zeer strenge, piëtistische geloofsgemeenschap, de Evangeliska Fosterlands Stiftelsen.

'Dat boek', zegt hij, 'heeft me bevrijd. Ik voelde me herboren.'

Enquist was 57 toen hij Kapten Nemos bibliotek voltooide. Hij had er al bijna dertig jaar schrijfarbeid op zitten. Het begon met een dissertatie over de Zweedse thriller-auteur Thorsten Johnsson. Daarna, in 1961, zijn eerste roman, Kristallögat, in de stijl van de Franse nouveau roman, een uitloper van het modernisme, waaraan hij als uitgesproken intellectualistisch en geëngageerd auteur lang de inkleding van zijn vertellingen ontleende.

Enquist schreef vervolgens Magnetisörens femte vinter (1964, onlangs vertaald als De vijfde winter van de magnetiseur), hij schreef Sekonden (1971, al in 1973 door - toen nog - J. Bernlef vertaald als Het record), hij schreef Musikanternas Uttåg (1978), Nedstörtad Ängel (1985, in een nergens meer te vinden Nederlandse vertaling onder de titel Gevallen engel verschenen).

Hij schreef vele, soms ook in Nederland gespeelde toneelstukken, krantenartikelen, filmscripts en honderden en honderden bladzijden, waarvan heel veel, zegt hij, nooit werd gepubliceerd, wat met zijn manier van werken, met zijn karakter of wat dan ook te maken heeft.

Het komt erop neer dat hij altijd zomaar begint - nadat hij ontzaglijk veel over zijn onderwerp heeft gelezen, nooit mogen ze hem op een fout betrappen - en maar schrijft en schrijft, tot hij gaat lezen wat hij heeft geschreven en dan kan hem het gevoel bekruipen dat het niks is, helemaal niks.

'Een ramp', zegt hij. Het is hem een paar maal overkomen. Dan had hij honderden bladzijden geschreven. . . Hij herinnert zich een poging uit de jaren tachtig, de voor hem zo vreselijke jaren tachtig, toen hij werkte aan een roman over Zweedse boeren die naar Argentinië waren geëmigreerd. Het lukte niet. Al die bladzijden, alle research die hij had gedaan, al die uren, al dat werk. Vergeefs.

'Als het niet lukt', zegt hij laconiek, 'dan moet je stoppen. Weg ermee. Niet eraan vast blijven kleven. Dat kan je de kop kosten als schrijver. Dan kom je er nooit meer van los. Op naar het volgende boek.'

Wat gaat er dan mis? Hij heeft toch de naam een journalistiek schrijver te zijn, een schrijver van documentaires, iemand die zich tot en met inleest in zijn onderwerp, en daar dan, zeker als hij zijn vak zo goed verstaat, op een nuchtere manier verslag van kan doen?

Maar zo werkt het niet, bovendien klopt het niet wat men van hem zegt. 'Die reputatie van documentaireschrijver', legt hij uit, 'heb ik vooral te danken aan Legionärerna uit 1968, dat was inderdaad een non-fictie-achtige roman. Het was net als In Cold Blood van Truman Capote, een boek dat over feiten vertelde. Het ging over de Baltische soldaten die in de Tweede Wereldoorlog voor de nazi's hadden gevochten en aan het eind van de oorlog naar Zweden vluchtten. De Russen vroegen om hun uitlevering, en Zweden stemde daarmee in. Ze werden allemaal omgebracht. Een historisch schandaal dat opnieuw een schril licht wierp op de niet zo fraaie rol van het neutrale Zweden in de Tweede Wereldoorlog. (De Noren kunnen ervan meepraten. Die kregen de nazi's op hun dak omdat Zweden hun een vrije doorgang bood.)

Met Legionärerna (vertaald als Geen asiel voor legioensoldaten) vestigde Enquist de aandacht op zich, ook buiten de literaire wereld, maar hij hield er ook de reputatie van documentaireschrijver aan over, terwijl hij alleen in dat boek zo te werk ging. In zijn andere romans doet hij dat niet, hoewel hij zich wel altijd zó documenteert, dat zelfs ingewijden de meest subtiele details vinden, zoals in De lijfarts Belle van Zuylen op het landgoed Termeer in Maarssen (hoeveel mensen weten daarvan?).

Waar gaat het hem om? Bij wijze van antwoord heft Enquist de handen, kromt ze en laat ze in elkaar grijpen. 'Zo moet het gaan', zegt hij. 'Tussen mij en de stof die ik heb gekozen (of gevonden eigenlijk), moet contact ontstaan, alsof twee raderen in elkaar grijpen en gaan draaien. Gelijk op. Dan komt er iets op gang, gaat het leven. Voor De lijfarts heb ik me verdiept in die paar jaar van de Deense revolutie die door die Duitse arts Struensee werd veroorzaakt. Het was voor mij een schok om te ontdekken hoe gesloten het hof in die tijd was. Er bestond hoegenaamd geen besef van een buitenwereld. En daarbinnen die arme kinderen, de koning die nog een puber was, en zijn vrouw. Wat gewone mensen waren, hoe die leefden - men had er geen idee van. Ook Struensee niet, de man die in de idealen van de Verlichting geloofde en ook daadwerkelijk iets probeerde te veranderen Daarom faalde hij als politicus.

'Ik ken de politiek', voegt hij eraan toe. 'Ik ken de politiek van binnenuit. In het huidige Zweedse kabinet zitten ten minste vijf vrienden van me, mijn vrouw is staatssecretaris van Cultuur. Mede door hen weet ik hoe moeilijk het is iets te bereiken. Democratie is traag, vervelend, saai, alles duurt heel lang, en dat was in de tijd van Struensee niet anders. Maar net als toen denken ook vandaag de dag intellectuelen dat bepaalde ideeën makkelijk te realiseren zijn. De lijfarts was voor mij ook een onderzoek naar de vraag waarom het in Denemarken toen fout ging.

'Maar er was nóg iets wat me in dit verhaal intrigeerde. De vader van Struensee was een piëtist, een Hernhutter, verwant aan de sekte waarin ik ben opgegroeid. Mede door hem begon ik meer van mijn eigen achtergrond te begrijpen, diezelfde ideeënwereld van enerzijds politiek gezien vooruitstrevende denkbeelden en aan de andere kant dat adembenemende, beklemmende conservatisme.'

Hij zwijgt. Dan zegt hij: 'Maar laten we wel wezen. Je kunt van alles over zo'n verhaal beweren, maar waar het om gaat is dat je vertelt, dat je zo vertelt dat de lezer zich de personages kan voorstellen, dat hij weet hoe ze lopen, wat ze doen, hoe ze ruiken, wat er in hun slaapkamers gebeurt. Dat ze gaan leven. Ik ben een verteller.'

Hij had het niet eenvoudiger kunnen verwoorden, want hoezeer zijn boeken ook materiaal voor schriftgeleerden zijn, hoezeer ze zijn gefileerd en aan stukken gereten voor dissertaties en wetenschappelijke artikelen, het zijn toch vooral vertellingen, die boeien omdat de schrijver steeds weer de vinger weet te leggen op de betekenis van wat zijn personages doen.

Naarmate hij ouder wordt lijkt dat gemakkelijker te gaan. De lijfarts is er een voorbeeld van. 'Eigenlijk', zegt hij, 'deed ik dat boek ertussendoor. O, serieus hoor, zoals altijd. Een eerste versie, een tweede, een derde. Ik ben heel kritisch. Het is dan alsof ik met een vlam over de tekst ga. Ik schroei de shit eruit.'

Het echte werk was de laatste jaren Lewis resa ('Lewi's reis'), 'mijn beste boek tot nu toe', voegt hij eraan toe, 'maar', relativeert hij tegelijkertijd, 'dat zeggen schrijvers altijd van hun laatste boek.'

Dit verhaal gaat over Lewi Pethrus (1884-1974), de stichter van de Pinksterbeweging in Zweden. Weer trekt hem de godsdienst, het sektarische, het tegelijkertijd progressieve en huiveringwekkend conservatieve van zulke bewegingen. Opnieuw leerde het boek hem veel over zichzelf. O, dacht hij, toen het af was, daarom heb ik zulke vreemde ideeën over allerlei specifieke zaken.

'Mijn leven lang', zegt hij, 'heb ik geprobeerd me aan het beklemmende milieu van mijn jeugd te ontworstelen. Ik heb echt geprobeerd een man van de Verlichting te worden, maar als ik eerlijk ben moet ik zeggen dat het me maar gedeeltelijk is gelukt, want ik mag dan wel de beschikking hebben over een heel rationeel hoofd, ik weet ook dat ik met mijn voeten diep in de klei van het antirationalisme sta.'

And never the twain shall meet. . .?

'Nee, maar het helpt als je ontdekt hoe het zit.'

Niet alleen het schrijven (en lezen) hebben hem daarbij geholpen, ook de sport.

In zijn jonge jaren behoorde Enquist tot de beste hoogspringers van Zweden. Hij herinnert zich hoe hij vanuit de zwartekousenkerk waartoe hij behoorde, met de sport in aanraking kwam. Het was alsof hij van de kou in de warmte belandde. Hij verwerkte zijn ervaringen en kennis van zaken in Het record, een roman die te veel de sporen van de geëngageerde jaren zeventig vertoont, inclusief het politieke, linkse jargon, om hem nu nog met veel plezier te kunnen lezen, maar hij blijft de moeite waard. 'Had ik hem maar een keer grondig herschreven', zegt hij.

Maar nee, daar begint hij nu niet meer aan. Hij heeft wel betere dingen te doen. Spelen met zijn kleinkinderen bijvoorbeeld. Toen een van hen, de zesjarige Nina, hem voorstelde samen een boek te schrijven, ging hij daar gretig op in. Maar al gauw ging het verhaal een eigen leven leiden en was de kleine Nina niet meer nodig. Er ontstond een echte Enquist, waarin ook zijn uitgever brood zag. Toen het verhaal af was, liet hij het Nina zien en die vertelde haar moeder trots dat zij een boek had geschreven.

'Jij een boek geschreven', monkelde grootvader verongelijkt. 'Ik heb dat boek geschreven!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden