Worstelen met God, worstelen met Ayaan

Het waren vooral de bekende namen en gezichten die de gang naar het theater het afgelopen seizoen zinvol, en soms enerverend maakten....

Eerlijk is eerlijk: de allermooiste theatervoorstelling van het afgelopen seizoen was dit jaar niet in Nederland, maar in Berlijn te zien: Oom Wanja van Tsjechov, in regie van Jürgen Gosch. In Theater Treffen, het jaarlijkse festival waarvoor de tien meest belangwekkende Duitstalige voorstellingen van het seizoen worden geselecteerd.

Alles klopte aan die voorstelling: de regie, de spelers, de vormgeving, en bovenal de impact op de toeschouwers. Iedereen kwam een beetje zwevend en stil naar buiten – alsof er iets gebeurd was waar even geen woorden voor waren. En na tien minuten ging het publiek, daar op het terras van het Deutsches Theater, met elkaar in gesprek. Over Tsjechov, altijd maar weer Tsjechov, altijd maar weer die zacht schrijnende melancholie, die van alle tijden is. Over hoe formidabel dit ensemble was en hoe die spelers bijna drie uur lang, opeengepakt in een fel verlichte, benauwde ruimte, weer nieuwe facetten van het stuk aan het licht brachten. Voor de zoveelste keer Oom Wanja zien, en dan toch weer verrast worden.

Een ander hoogtepunt: Happy Days van The National Theatre, eerder deze maand te zien op het Holland Festival. Dat ondoorgrondelijk, rare en misschien ook wel gedateerde stuk bleek ineens een aangrijpende, diepmenselijke noodkreet om toch vooral door te gaan met leven. Actrice Fiona Shaw leverde een grootse prestatie door vastgeklonken in brokken beton met humor en grandeur Becketts hermetische tekst tot aan de laatste lettergreep inzichtelijk te maken.

Twee buitenlandse producties uit Londen en Berlijn als hoogtepunten in het theaterseizoen, zegt dat wat over de stand van zaken in het Nederlandse theater? Ja en nee. De keuze voor die voorstelling is deels ook maar toevallig, en wie weet wordt er elders in Duitsland of Engeland veel minder goed theater gemaakt. Maar wat dit seizoen wel opviel, was dat het maken van een lijstje met tien bijzondere voorstellingen nogal lastig was. Het waren voornamelijk de bekende namen en gezichten die de gang naar het theater zinvol, en soms enerverend maakten.

Ivo van Hove, Johan Simons, Guy Cassiers, Theu Boermans – aan hen kun je die taak met een gerust hart overlaten. Zij zorgen voor een constante kwaliteit bij hun gezelschappen, die de top van het Nederlandse en Vlaamse theater vormen. De plotselinge populariteit van het zogeheten ervaringstheater – acht van de elf voorstellingen in het komende Theaterfestival behoren tot die categorie – heeft wel een aantal nieuwe namen (Dries Verhoeven, Boukje Schweigman, Theun Mosk) opgeleverd, maar hun ambities en kracht liggen vooralsnog buiten het gevestigde theatercircuit. Zij maken liever theater in weilanden en bossen, in een-op-een settings, of tijdens lange wandelingen op eilanden.

Van Hove, Simons, Cassiers – laat dat nu ook net de namen zijn die zich dit seizoen behoorlijk internationaal hebben gemanifesteerd, met gastregies en voorstellingen van hun groepen in het buitenland. Dat heeft uiteraard te maken met hun eigen ambities en geldingsdrang, maar ‘internationalisering’ is tegenwoordig ook hét toverwoord. Het is zelfs opgenomen in het takenpakket van de acht nieuwe stadsgezelschappen die in 2009 van start moeten gaan. Toneelgroep Amsterdam meldt in het persbericht voor komend seizoen met trots dat maar liefst 44 keer in het buitenland gespeeld zal worden. Het Toneelhuis laat met nog meer trots weten dat het zich volgend seizoen ‘nadrukkelijk tussen Antwerpen en de wereld zal positioneren’. Johan Simons werkt zich, behalve bij zijn eigen NTGent, een slag in de rondte in de grote toneel- en operahuizen overal in Europa. In augustus gaan zowel in Salzburg (Blauwbaard van Bartók) als in de Ruhr Triennale (Vergeten Straat van Louis Paul Boon) nieuwe producties van hem in première.

Het steeds machtiger wordende netwerk van Europese festivals is aan die hang naar internationalisering mede debet. Je telt tegenwoordig niet echt meer mee als je niet én in Avignon én in Salzburg én in de Ruhr Triënnale hebt gestaan. Bovendien moet je als theatermaker tenminste één opera per jaar regisseren. Natuurlijk is het al die talentvolle Nederlanders en Vlamingen van harte gegund dat ze hun grenzen letterlijk verleggen, maar voor het thuisfront is het soms afzien. Werken in het buitenland betekent namelijk niet werken thuis.

Dat zou niet eens zo’n ramp zijn, als er voldoende talent is dat die taken deels van hen kan overnemen. Maar dat talent is er vooralsnog niet. Vanaf 1 januari komend jaar moeten in de zogeheten basisstructuur acht stadsgezelschappen van start gaan en het heeft heel wat moeite gekost daarvoor geschikte artistiek leiders te vinden. Op papier ziet het er allemaal ordentelijk uit: spelen in de stad, de eigen regio, op locatie, educatie, talentontwikkeling, nieuw publiek genereren, meer eigen inkomsten, en ja natuurlijk: internationalisering. Grote plannen, tal van taken. Complicerende factor is dat er voor al die plannen toch weer te weinig geld is – typisch Nederlands cultuurbeleid dus. De minister van OCW heeft zich vooralsnog niet laten vermurwen het kunstbudget te verhogen. Jos Thie, de beoogd artistiek leider van het stadstheater in Utrecht, heeft al laten weten voor de eer te bedanken als dat extra geld er niet komt. Fijn begin!

Straks gaan er allerlei keurig geordende organisaties van start, er zal nog meer theater dan nu worden gemaakt, maar vanuit welke noodzaak? Vanuit welke bezieling? Het tumultueuze vertrek van Dirk Tanghe in Utrecht, eerder dit seizoen, is in dat opzicht illustratief. Hij was de ziel van dat gezelschap, die op het bezetene af theater maakte. De herneming na vijf jaar van zijn Midsummernightsdream, een voorstelling die zich met die internationale top kan meten, liet weer eens zien waartoe energiek en bezield theater kan leiden. En juist aan die ziel lijkt het in het Nederlandse theater te ontbreken. Hoewel: het beleidsplan van Ola Mafaalani in Groningen belooft zeker spannende dingen, zoals Medea met flamencodansers en La Divina Commedia met trapezewerkers.

De top in het Nederlandse theater mag dan klein zijn, de veelzijdigheid ervan is gelukkig groot. De lijstjes van de drie Volkskrant-critici vormen met elkaar een goede dwarsdoorsnede van dat veelzijdige aanbod: van de theatertechnisch geavanceerde grote-zaalproducties van Guy Cassiers (Wolfskers, Atropa) tot en met de wc-ontstoppers van Hotel Modern (Rococo) en de zomertentensfeer van Carver op De Parade (Tucht). Drie voorstellingen komen op alle lijstjes voor: Tien Geboden van NTGent, De Geruchten van Het Toneelhuis en Inside Out van Mugmetdegoudentand. Dat laatste toont aan dat er behoefte is aan theater over de actualiteit, zonder dat het politiek of pamflettoneel wordt.

Wat opvalt is dat veel voorstellingen gaan over de knellende band van de religie. Domineeszoon Freek de Jonge roept Allah aan, de vrijgevochten vrouwen van Mugmetdegoudentand worstelen met Ayaan, die zich met veel publicitair geweld ontdoet van de gesels van haar strenge godsdienst en voor een hevig debat zorgt. In Tien Geboden is de mens van god en ideologie losgeraakt en naarstig op zoek naar een ander houvast, dat in Naar Damascus vervolgens niet gevonden wordt. In Angels in America daalt een engel op aarde neer en fungeert als klankbord; de stoere Ajax doet de verkeerde dingen omdat hij zich laat influisteren door de godin Athene. En in De Geruchten waakt de Vlaams-katholieke god als altijd over zijn schaapjes, die daar behoorlijk van in de war raken. Ziedaar de worsteling van de mens met zijn god, die tal van theatermakers kennelijk inspireert en zeer uiteenlopende voorstellingen oplevert.

Er wordt door romantici wel eens beweerd dat theater tegenwoordig steeds meer de vervanging van de kerk (helaas nog niet van de moskee) wordt. Een plek waar mensen samenkomen, samen iets meemaken dat tot bezinning leidt, samen inzicht krijgen in het hogere, of desnoods in het reine komen met de beslommeringen van het dagelijks bestaan.

Het is een mooie gedachte, maar de theaterbezoeker is op de eerste plaats toch ook op zoek naar herkenning. Herkenbaarheid blijft een factor van belang in het theater – het moet ook gaan over onszelf, onze familie, onze geliefden, die ouder worden en dan dement, en tenslotte op eigen verzoek dood gaan. Dat is wat het publiek wil: theater dat gaat over thema’s die er elke dag toe doen, dat toegankelijk is maar niet plat, waarin acteurs kunnen excelleren.

Volle zalen dit seizoen dus voor voorstellingen als De Goede Dood (Wallis Theaterproducties) en De Familie Avenier (Het Toneel Speelt). Op de websites van die theatergroepen voelen velen zich geroepen hun ervaringen met anderen te delen. Over De Familie Avenier schrijft Maria Geschiere uit Boskoop op 18 mei op de site van HTS: ‘Nog steeds komen de drie woorden terug die metéén bij de voorstelling naar boven borrelden: Diepgang-Bezieling-Bezinning. Woorden die gauw bij religie of bij muziek van J.S. Bach klinken. Maar dat ze zo’n plaats innemen bij volkstoneel zoals hier, vind ik zo geweldig. Daardoor komen immers duizenden mensen ermee in aanraking. Juist in onze tijd zijn deze woorden brood- en broodnodig. De gevleugelde woorden van de eerste radiopastor Alje Klamer ‘We zijn er voor elkaar’ gebeurden, wanneer pleinen van ontmoetingen zich tussen mensen voordeden. Deze pleinen zag ik ook in de pauze van het toneelstuk: mensen die met elkaar in gesprek kwamen.’

Gelukkig viel er afgelopen seizoen op al die pleinen van ontmoetingen ook veel te lachen. Kwaliteitstoneel kan ook gemaakt worden als de onderwerpen niet al te zwaar zijn. Vrolijke, doldwaze en toch eigenzinnige producties als Lang & Gelukkig (Ro Theater) en Wuivend Graan (Hummelinck Stuurman) zijn daar voorbeelden van. Een gulle lach, voortkomend uit intelligent gemaakte komedie, kan zeer bevrijdend zijn in kommervolle tijden. Wuivend Graan van Wim T. Schippers was juist zo origineel en grappig omdat de mens in heel zijn kwetsbare onbeholpenheid wordt getoond.

Ook aan Oom Wanja, hoe treurig misschien op het eerste gezicht, ligt uiteindelijk een zelfde soort lichtheid ten grondslag. Of althans: berusting in het lot van de mens, dat niet altijd een noodlot hoeft te zijn. Als Wanja aan het eind van het stuk, samen met zijn nog altijd trouwe nichtje Sonja, alleen achterblijft, berooid van geld, illusies en enig zicht op geluk, leidt dat tot het verwoorden van een onuitputtelijk geloof. In de mens, in het leven:

Sonja: ‘Wij zullen rust vinden! Wij zullen de engelen horen, de hele hemel zullen wij in diamanten zien stralen, wij zullen zien hoe al het boze van deze wereld, al ons leed in genade zal verkeren, waar dan de hele wereld mee vervuld zal zijn. En ons leven wordt stil, innig en zoet als een liefkozing. Ja, daar geloof ik in, dat geloof ik vast!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden