Reportage Joods erfgoed

Wordt de Joodse herinnering verkocht? ‘Het is een morele en maatschappelijke verantwoordelijkheid om deze geschiedenis tastbaar te houden’

Het hoofdgebouw van, zoals het bijschrift bij deze archieffoto vermeldt, het ‘Geneeskundig Gesticht Het Apeldoornsche Bosch’, 1909-1943. In de nacht van 21 op 22 januari 1943 ­werden zo’n 1.250 mensen – patiënten, kinderen en personeelsleden – ‘op transport gesteld’. Beeld Foto CODA Archief Apeldoorn

Twee van de weinige gebouwen met een Joods verleden die Nederland nog telt, dreigen te worden verkocht. Dat vormt aanleiding tot acties om ‘eindelijk iets goed te maken’. Want zonder tastbare plek wordt de Joodse historie een vage herinnering.

Apeldoorn

Gebouw: Het Apeldoornsche Bosch
Was : Joods-psychiatrische instelling

Zo heel veel gebouwen met een Joods verleden zijn er niet meer in Nederland. Ze zijn gedachtenloos gesloopt of van bestemming veranderd. En nog steeds plaatst Joods erfgoed de huidige eigenaren voor pijnlijke dilemma’s. Zoals bij Groot Schuylenburg, een instelling in Apeldoorn voor personen met een verstandelijke beperking – onderdeel van zorgorganisatie ’s Heeren Loo. Ooit was op dit lommer­rijke terrein een Joodse psychiatrische inrichting gevestigd: Het Apeldoornsche Bosch – in de wandeling destijds ‘Het ­Jodenbos’ genoemd. Een naar vooroorlogse maatstaven progressieve instelling die uiteenlopende vormen van arbeids­therapie had ontwikkeld voor de ­patiënten.

Maar Het Apeldoornsche Bosch ontleent zijn bekendheid vooral aan het drama dat zich hier in 1943 heeft voltrokken. In de nacht van 21 op 22 januari werden zo’n 1.250 mensen – patiënten, kinderen en personeelsleden – ‘op transport gesteld’. Rechtstreeks naar Auschwitz, waar ze allen om het leven zijn gebracht. Door vergassing, volgens dr. Loe de Jong. Volgens andere bronnen zijn ze levend verbrand. Een aantal gebouwen op het terrein herinnert nog aan die tijd. Vier van die gebouwen staan op de nominatie om te worden verkocht. Tegen dit voornemen maakt hoog­leraar pedagogiek Micha de Winter (67) ernstig bezwaar.

Begin vorig jaar bracht De Winter voor het eerst een bezoek aan Groot Schuylenburg. Een voormalig medewerker van ’s Heeren Loo leidde hem rond op ‘deze zinderende plek’. Hun wandeling voerde langs het uit 1938 stammende ontspanningsgebouw, waar tijdens die gruwelijke nacht ­Joden uit de omgeving waren ondergebracht. Langs de borden die herinneren aan het Joods verleden van ’s Heeren Loo. En langs het paviljoen waar SS’er Ferdinand aus der Fünten, staande boven aan de monumentale trap, zijn orders over het verzamelde personeel zou hebben uitgestort.

Foto van zijn vader

Daarnaast bevindt zich het voormalige keukenpaviljoen. En daar stond De Winter op de plek die hij meteen herkende van een foto uit 1942 die hij bij zich droeg: zijn vader Max, destijds 21 jaar oud, met zijn toenmalige echtgenote Chelly (geboren: Francken) – gezeten op een vensterbank van dit gebouw. Hij draagt klompen, zij draagt een verpleegstersuniform. Beiden dragen een Jodenster. En ze lachen naar de ­fotograaf. Alsof het vrede is.

De Winter wist dat zijn vader, chemicus in opleiding, als keukenknecht in Het Apeldoornsche Bosch was gaan werken. De niet-Joodse personeelsleden ­waren door de Duitse bezetter ontslagen omdat ‘ariërs’ niet langer voor Joden mochten werken. Max de Winter had verteld dat hij zich veilig had gevoeld in Apeldoorn. En dat hij slecht was toegerust voor het werk in de keuken: op zijn eerste werkdag had hij tweehonderd ­eieren twee uur laten doorkoken, waardoor ze ingrijpend van kleur waren veranderd. En hij was er gelukkig was geweest met Chelly (koosnaam voor ­Rachel), die werkzaam was in de naburige linnenkamer.

De dag vóór de ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch ­doken Max en Chelly onder bij een boer in Twello. Daar werden zij enkele maanden ­later, vermoedelijk na verraad, ontdekt en overgebracht naar Auschwitz – waar Chelly van een baby beviel. Chelly en haar kind werden vermoord. Max overleefde de oorlog en hertrouwde met een vrouw die haar man had verloren. Beiden hadden tot hun dood een foto van hun eerste grote liefde op het nachtkastje staan.

Bijeengesprokkeld

En nu bevond Micha de Winter zich op de plek waarmee ‘deze kleine fase in het leven van mijn vader’ was verknoopt. Voordat hij was bekomen van deze onverwachte confrontatie, vertelde zijn ­begeleider hem dat het voormalige keukenpaviljoen, de linnenkamer en twee andere gebouwen uit de tijd van Het Apeldoornsche Bosch – alle monument – te koop zullen worden aangeboden. Die terloopse opmerking trof hem als een stomp in de maag. ‘Ik was net ondergedompeld in deze beladen geschiedenis. En dan werkt de mededeling dat dit appartementen worden in het duurdere segment wel erg ontnuchterend.’

Nu, ruim een jaar na zijn eerste wandeling op Groot Schuylenburg, is de emotie van dat moment overgegaan in verontwaardiging. Nog steeds is De Winter van mening dat de laatste restanten van Het Apeldoornsche Bosch niet zonder meer aan het vastgoed mogen worden prijsgegeven. ‘Ik begrijp dat deze ­paviljoens niet langer functioneel zijn en ik begrijp dat ’s Heeren Loo ze wil verkopen. Maar een van deze gebouwen zou, geheel of gedeeltelijk, toch een bestemming moeten kunnen krijgen als herinneringscentrum of iets in die geest.’

Temeer omdat ’s Heeren Loo het terrein en de gebouwen van Het Apeldoornsche Bosch in 1952 onder gunstige condities (‘vrijwel om niet’, volgens De Winter) heeft kunnen verwerven. ‘We moeten niet vergeten dat de vooroorlogse Joodse gemeenschap het geld voor dit enorme complex stukje bij beetje bijeen heeft gesprokkeld. We hebben het hier dus echt over Joods erfgoed. ’s Heeren Loo heeft een morele en maatschappelijke verantwoordelijkheid om deze geschiedenis tastbaar te houden.’

Tegenwind

Met zijn streven naar de vestiging van een herinneringscentrum in een van de oude paviljoens kreeg De Winter aanvankelijk bijval van een plaatselijk comité. Maar dat is na overleg met de directie van ’s Heeren Loo en de gemeente tot de slotsom gekomen dat deze plannen financieel ‘niet realistisch’ zijn. ‘Onzin’, zegt De Winter. ‘Met een deel van het geld dat een verkoop van de bosvilla’s oplevert, kan met het grootste gemak een van de gebouwen tot een educatief centrum worden omgevormd.’

’s Heeren Loo werkt wel met de gemeente en ­het Apeldoornse museum Coda aan een ‘educatieprogramma over de gevolgen van discriminatie en uitsluiting van mensen op grond van religie, etnische afkomst, geaardheid, verstandelijke of psychische aandoening’. Heel sympathiek, erkent De Winter. ‘Maar met zo’n programma wordt niet voorkomen dat een deel van het Joods verleden wordt weggewist.’

De Winter wordt in die opvatting gesteund door het Centraal Joods Overleg (CJO), een samenwerkingsverband van Joodse organisaties in Nederland. In een brief aan de directie van ’s Heeren Loo en de gemeente Apeldoorn dringt het aan op heroverweging van het besluit geen herinneringscentrum te vestigen in een van de leegstaande paviljoens. ‘Het drama dat hier plaatsvond, mag nooit vergeten worden. Een herinneringscentrum op deze beladen plek zal tienduizenden mensen een ijkpunt kunnen geven om racisme, antisemitisme en andere vormen van haat nooit meer een kans te geven.’ Het CJO zegt ‘het ondenkbaar te vinden dat er wel geld gevonden kon worden om de ‘muur van Mussert’ voor het Nederlandse cultuurgoed te behouden, maar dat van het voormalige Apeldoornsche Bosch geen stukje bewaard kan blijven.’

In een reactie laat een woordvoerder van ’s Heeren Loo weten dat de vier panden inderdaad als één object in de verkoop staan. ‘Wij denken dat we met de uiteindelijke verkoop van alle panden de meeste kans van slagen hebben. Wij zijn meer dan bereid om mee te denken hoe we de Joodse geschiedenis en alles wat destijds op dit terrein heeft plaatsgevonden een zinvolle en gedenkwaardige plaats kunnen geven. Voor ons is dit geen object waaraan we geld willen verdienen. Bovendien zal de gehele opbrengst straks weer ten goede komen aan onze cliënten op Groot Schuylenburg, waarmee we hun ook de ­komende jaren een mooi leven willen bieden.’

Haarlem

Gebouw: het Gemeentegebouw
Was: school, ritueel badhuis, feestzalen en kantoren van de Joodse gemeente

Het vroegere joodse gemeentegebouw (r) in Haarlem. Beeld Foto Raymond Rutting / de Volkskrant

Ooit woonde in Haarlem een relatief grote, en welvarende, Joodse gemeenschap van ongeveer tweeduizend zielen. Bijna 75 jaar na de oorlog herinnert vrijwel niets meer aan dat verleden. De synagoge aan de Lange ­Begijnstraat – opgeleverd in 1841 en nadien tweemaal uitgebreid – werd na de ontruiming in 1943 gebruikt als opslagruimte voor papier en karton door de firma Joh. Enschedé – drukker van waardepapier. Die bestemming behield het pand tot 1953, toen het onder nooit opgehelderde omstandigheden afbrandde. Slechts een plaquette in een muur van het theater De Toneelschuur verwijst nog naar het gebedshuis dat vroeger op deze plek stond.

Het zogenoemde Gemeentegebouw aan de Lange Wijngaardstraat – waar een school, een ritueel badhuis, feestzalen en kantoren van de Joodse gemeente waren ondergebracht – verging het nauwelijks beter. Ook dit pand kreeg in 1943 na ingrijpend breekwerk een bestemming als opslagruimte van de firma Enschede. Die bleef een deel van het gebouw gebruiken tot 1951, toen de gemeente Haarlem het aankocht. De Joodse gemeente deed er in lijdzaamheid afstand van omdat het pand veel te groot was voor de uitgedunde Joodse gemeenschap.

Haarlem gebruikte het voormalige ­Gemeentegebouw tot 1976. Sindsdien wonen er krakers. Volgens een bewoner van het eerste uur heeft de gemeente daar nooit bezwaar tegen gemaakt. ‘Het woord gedogen is weliswaar nooit in de mond genomen, maar in de praktijk kwam het daar wel op neer. Dat betekende ook dat Haarlem nooit een gulden of een euro in het pand heeft gestoken. De bewoners hebben het onderhoud altijd zelf bekostigd.’

Achterstallig onderhoud

Maar onderhand gaat het achterstallig onderhoud hun draagkracht te boven, geeft hij toe. De gemeente heeft het pand de monumentenstatus verleend, maar hieraan geen onderhoudsplicht verbonden. Liever zou ze het pand verkopen aan een woningbouwvereniging of een particuliere investeerder. Raadslid Louise van Zetten (Hart voor Haarlem) zou graag zien dat deze transactie wordt aangegrepen voor het herstel van de zichtbaarheid van het Joodse verleden in het Haarlemse straatbeeld. Een motie van die strekking is door alle partijen (op een na) onderschreven. Voordat het gebouw te koop wordt aangeboden, moet een werkgroep met een plan komen ‘om Haarlem haar Joodse geschiedenis terug te geven’.

Dit zal wellicht niet alleen gevolgen hebben voor het pand aan de Lange Wijngaardstraat, maar ook voor het Holocaust-monument aan de Nauwe Appelaar­steeg. De goede bedoelingen waarmee deze namenwand zo’n tien jaar geleden is opgericht, worden ten dele tenietgedaan door zijn ongunstige ligging: bij een hangplek met een vuilniscontainer en winterhard groen waartussen zwerfvuil ligt. ‘Maar het pleintje heeft best potentieel’, zegt buurtbewoner Annemarie van Doorn monter. ‘Met mensen en instellingen in de buurt willen we er een mooie stadstuin van maken met het monument als respectvol middelpunt.’

Maar het Joodse verleden zou pas echt zichtbaar worden gemaakt als de Joodse gemeente terugkeert naar het Gemeentegebouw. ‘Wij zeggen daar niet direct nee tegen’, appt Ruben Boas, voorzitter van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap Noord-Holland Noordwest. ‘Het heeft alleen geen zin om hier in dit stadium verder op in te gaan.’

Kunsthistoricus Wim de Wagt, die veel over de Joodse geschiedenis van Haarlem heeft geschreven, is blij dat de Joodse gemeente de aankoop niet op voorhand uitsluit. ‘Het zou geweldig zijn als dat laatste stoffelijke restant van Joods Haarlem weer zijn oorspronkelijke bestemming zou krijgen. Daarmee zou de gemeente een ereschuld jegens de Joodse gemeenschap kunnen inlossen. Tijdens de Duitse bezetting heeft Haarlem volop meegewerkt aan de registratie van de Joden en na de oorlog heeft ze de overlevenden aan hun lot overgelaten. Ze heeft het gemeentegebouw voor een appel en een ei gekocht. Nu zou ze het niet aan de hoogste bieder van de hand mogen doen. Laten we de gelegenheid benutten om eindelijk iets goed te maken.’

Duits roofgoed in Nederlandse handen

Na de Tweede Wereldoorlog is Joods onroerend goed, dat tijdens de Duitse bezetting vaak was onteigend, lang niet altijd gerestitueerd. Hetzij omdat de oorspronkelijke eigenaren waren omgebracht, hetzij uit onwil. Dit lot trof in Haarlem niet alleen de synagoge en het voormalige Gemeente­gebouw, maar ook het (Joodse) Joles ziekenhuis. In Amsterdam-Oost ging het hele bezit van het (Joodse) Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring na de oorlog over naar andere woningbouwverenigingen. Precieze cijfers van de ontvreemding van Joods erfgoed zijn er niet. ‘Dat het zo gelopen is, had vooral met belangen te maken, al dan niet van financiële aard’, zegt kunsthistoricus Wim de Wagt. ‘En natuurlijk ook met de omstandigheden van die tijd, waarin de hele samenleving zich moest zien te herstellen en te weinig aandacht had voor het lot van de Joden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden