Word loodgieter

Onzekerheid en werk horen tegenwoordig bij elkaar. En zelfs als de crisis voorbij is, moeten we niet rekenen op nieuwe banen. Tijd voor eerherstel van het ambacht.

In Amerikaanse handleidingen voor een zo efficiënt mogelijke ontslagronde krijgen managers de tip om de dagen vooraf alvast verhuisdozen in te slaan. Ontslagen werknemers kunnen zo binnen een uur hun persoonlijke bezittingen verzamelen en met hun dozen in de armen het gebouw verlaten. Wie bij zijn werkgever plots een imposante collectie dozen ontdekt, moet zich dus zorgen maken.


Hoewel de omstandigheden uitzonderlijk waren - een hele bank hield op te bestaan - is de uittocht van Lehman-bankiers, maandagmorgen 15 september 2008, zo bezien een passend beeld voor de machtspositie van de werknemer in de 21ste eeuw. De met verhuisdozen zeulende mannen en vrouwen die de Londense en New Yorkse panden van het bankroete Lehman Brothers verlieten, recht in een fuik van fotografen en cameraploegen, hadden na hun ontslag eerst nog telefoonnummers uitgewisseld met hun ex-collega's, of waren snel naar de bedrijfskantine gegaan om het laatste tegoed op hun kantinekaarten op te souperen. Daarna hadden ze hun bureaus leeggeruimd en hun spullen in dozen gedaan: een carrière gereduceerd tot een stuk karton met wat paperassen, sneakers, gezinsfoto's en een koffiemok erin. De verhuisdoos als symbool van de flexibele arbeidsmarkt.


Sinds de val van Lehman Brothers zijn alleen al in de Europese Unie 10 miljoen banen verloren gegaan. Op 18 september 2008 meldde het CBS nog dat Nederland voor het eerst sinds 2002 minder dan 300 duizend werklozen telde. Vijf crisisjaren later nadert het werklozental de 700 duizend.


Maar de cijfers vertellen het halve verhaal. Onzekerheid is de afgelopen decennia een steeds groter onderdeel van carrières geworden, een proces dat door de crisis alleen maar is versterkt. Bij Angelsaksische banken en technologiebedrijven met hun cultuur van bliksemontslagrondes heeft dat de extreemste vorm aangenomen, maar de invloed van deze avant-garde is doorgesijpeld naar de hele arbeidsmarkt. Werknemers moeten flexibel zijn (dikwijls een eufemisme voor gehoorzaam, meegaand), zich makkelijk over ontslag heenzetten en zien uit te blinken in een werkomgeving waar ervaring opbouwen minder telt dan aanpassingsvermogen. Of zoals downsizer Ryan Bingham (gespeeld door George Clooney) de filosofie samenvat in de film Up in the air (2009), waarin hij als een banenbeul van stad naar stad vliegt om mensen te ontslaan: 'Hoe trager we bewegen des te sneller we doodgaan. Vergis je niet, bewegen = leven.'


Ingrijpend

'We lijken te zijn vergeten hoe belangrijk werk is voor onze identiteit en ons welbevinden', zegt de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang van de universiteit van Cambridge. 'We zijn gewend geraakt aan de economische theorie dat mensen alleen consumenten zijn en dat ze louter voor het geld werken. Alsof werken even triviaal is als ons ontbijt: de ene dag eten we cornflakes, de volgende dag havermout; vandaag hebben we een kantoorbaan, morgen moeten we de post rondbrengen.'


Exemplarisch noemt Chang het plan van de Britse Conservatieve Partij om werknemers aandelen ter waarde van 2- tot 50 duizend Britse pond te geven wanneer ze afstand doen van hun recht om hun werkgever aan te klagen als ze oneerlijk ontslagen of slecht behandeld menen te zijn. 'Dat gaat volledig voorbij aan hoe ingrijpend het voor ons is wat er gebeurt op de werkvloer.'


Flexibilisering is niet per se goed of slecht. Het is ontstaan als tegenreactie op het bureaucratische, op militaire leest geschoeide organisatiemodel dat vanaf de negentiende eeuw gangbaar werd bij grote bedrijven. Dat model gaf werknemers weliswaar meer zekerheid, maar smoorde in de ogen van critici ook de individuele vrijheid en creativiteit. Flexibilisering geeft werkgevers meer ruimte om werknemers te ontslaan of ze minder uren te laten maken om zo bijvoorbeeld hun productie te moderniseren.


Ook sommige werknemers gedijen in een flexibele arbeidsmarkt. Een belangrijk criterium daarbij is of ze kwaliteiten hebben die in de markt voldoende schaars worden geacht om een goed honorarium te kunnen bedingen. Toptrainers in het voetbal werken in een hyperflexibele mini-arbeidsmarkt: als ze drie wedstrijden achter elkaar verliezen, moeten ze al vrezen voor hun baan. Maar hun riante salarissen en gouden handdrukken vormen een airbag tegen de klap van een ontslag. Taxichauffeurs en thuiszorgers hebben die luxe niet. Vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt dreigt flexibilisering een precaire klasse te doen ontstaan van werknemers in laagbetaalde wegwerpbaantjes, zonder veel mogelijkheden om ervaring op te bouwen.


Het meest verontrustend vindt Chang dat flexibilisering in veel landen gepaard gaat met het verzwakken van de verzorgingsstaat. 'Goede verzorgingsstaten geven nog enige onderhandelingsmacht aan mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar in veel landen hebben populisten het electoraat ervan overtuigd dat hét probleem van onze tijd is dat er luie mensen zijn die parasiteren op een opgeblazen verzorgingsstaat, ten koste van hardwerkende burgers. Ik ontken niet dat er misstanden zijn, maar de voorgeschreven middelen zijn vaak erger dan de kwaal.'


In Nederland en andere Europese landen is de arbeidsmarkt weliswaar flexibeler geworden, maar kunnen werknemers terugvallen op de verzorgingsstaat. 'Waarom hebben Amerikaanse autofabrikanten zo veel meer moeite om hun productie te herstructureren dan Duitse of Zweedse concurrenten? Omdat je als Amerikaanse werknemer en vakbondslid elke verandering die met ontslagen gepaard gaat zult tegenwerken, want als je je baan verliest, kun je straks niet eens je ziekenhuisrekening betalen.'


Chang noemt een andere bijwerking van onzekerheid: conservatieve beroepskeuzes. 'In mijn geboorteland Zuid-Korea, waar de verzorgingsstaat weinig voorstelt, wil een absurd hoog percentage jongeren geneeskunde studeren: bijna 80 procent van de beste scholieren van het land. Andere beroepen, laat staan het ondernemerschap, vinden ze te riskant. Dokters zijn belangrijk, maar het is schadelijk voor een economie wanneer te veel mensen veilige beroepen kiezen.'


Werknemers hebben bovendien te maken met een andere groeiende vorm van onzekerheid: automatisering. Angst voor machines en robots gaat minstens terug tot de Britse Luddieten, de 19de eeuwse vernielers van weefmachines, en vertaalde zich in beroemde sciencefictionfilms als Metropolis (1927) of The Terminator (1984). Maar vooral de laatste decennia doet automatisering zich voelen op de arbeidsmarkt. De bancaire sector is een goed voorbeeld. Bij Nederlandse banken en verzekeraars verdwenen sinds 2008 duizenden banen, niet alleen door de crisis, maar ook door digitalisering. Vakbond De Unie berekende aan de hand van reorganisatieplannen van banken dat de komende zeven jaar nog eens een vijfde van de huidige 250 duizend banen in de financiële sector zal verdwijnen: een stad ter grootte van Middelburg raakt zonder werk. Cliënten regelen hun bankzaken tegenwoordig veelal via internet, waardoor veel administratieve banen overbodig zijn geraakt.


Mooi en miserabel

Volgens de Nederlandse en Vlaamse economen Anna Salomons en Maarten Goos (Utrecht School of Economics) leidt automatisering op de arbeidsmarkt tot een groeiende kloof tussen hoog- en laagbetaalde werknemers. Zij spreken van polarisering, een tweedeling tussen mooie en miserabele banen. Advocaten en medische specialisten kunnen (vooralsnog) niet weggeautomatiseerd worden door robots of machines, hetzelfde geldt voor vuilnismannen of bagagebandwerkers. Vooral de middenbanen - secretaresses, telefonisten, fabrieksarbeiders - zijn het slachtoffer. Salomons en Goos schatten dat tweederde van de 7,6 miljoen middenbanen die tussen 2008 en juni 2012 zijn verdwenen in de eurozone het slachtoffer zijn geworden van automatisering.


Automatisering was vooral het domein van multinationals, maar begint steeds meer door te dringen bij kleine en middelgrote bedrijven omdat nieuwe technologieën betaalbaarder worden, zegt Goos. 'De prijs van een robotarm bijvoorbeeld is nu gedaald tot onder de 100 duizend euro. Daarmee kun je in één klap meerdere banen overbodig maken.'


Technologische vooruitgang schept wel nieuwe banen, maar dat gebeurt vooral in de hogere regionen van de arbeidsmarkt: ict-consultants of ingenieurs. Tegelijkertijd is er banengroei aan de onderkant van de arbeidsmarkt, waar technologie nog geen serieuze alternatieven voor kan bieden. Een kamer poetsen is voor ons doodeenvoudig, maar vereist een oog-hand-voet-coördinatie die voor computers nog te moeilijk is.


Goos vreest dat als de economie zich eenmaal herstelt, dit een baanloos herstel zal zijn: groei gepaard met langdurige lagere werkgelegenheid. De economie wordt productiever, maar minder werknemers maken er deel van uit, wat de verzorgingsstaat verder onder druk zet. 'Na het knappen van de internetzeepbel hebben we ook een baanloos herstel gehad. Een hogere structurele werkloosheid ligt op de loer. De uitdaging om de huidige werklozen straks weer aan een baan te helpen zal heropleiding vragen. Maar de juiste bekwaamheden ontwikkelen voor een nieuwe baan vergt veel tijd, en die tijd is er niet altijd.'


Niet naar de universiteit

De oplossing? Een radicaal andere kijk op onderwijs is nodig, zegt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. 'Het ene robuuste terrein van de arbeidsmarkt zijn handwerkers, zoals elektriciens, loodgieters of stratenmakers. Veel universitair geschoolden in het vastgoed of de bancaire wereld hadden beter een ambacht kunnen leren. Maar dan praat je wel over een grote culturele verandering. Jongeren zullen zeggen: wat, niet naar de universiteit gaan!? Loodgieter worden!? En dus belanden ze in waardeloze kantoorbaantjes.'


'Kijk naar de Polen, die hebben het slim gedaan. De Polen hebben een zeer vakbekwame beroepsbevolking die de Britse arbeidsmarkt de afgelopen jaren heeft gekoloniseerd. Ook bij jullie in Nederland werken veel Polen. En waarom? Omdat ze een ambacht in de vingers hebben.'


Een probleem blijft dat timmerlui of loodgieters niet overdreven veel betaald krijgen. Bij een hogere Nederlandse waardering voor ambachtslieden zouden ook hogere salarissen passen. Maar in het globaliseringstijdperk kunnen werkgevers altijd wel ergens ter wereld vaklui vinden die een klus voor minder geld willen komen opknappen. En dus is het lastig deze beroepen aantrekkelijker te maken voor Nederlandse jongeren.


Helemaal op te lossen zijn deze spanningen niet. Maarten Goos verwacht wel veel van de opkomst van Big Data bij het maken van opleidingskeuzes: datatechnologie kan steeds nauwkeuriger in kaart brengen wat van opleiding tot opleiding door de jaren heen de slaagkansen zijn geweest op de arbeidsmarkt. Studenten worden daarover nu veel te weinig geïnformeerd, zegt Goos. Dat terwijl uit onderzoeken naar de keuzes waarvan mensen in hun leven het meeste spijt hebben al decennialang hetzelfde beeld naar voren komt. Op nummer 1 steevast: de opleidingskeuze. Op nummer 2: de carrièrekeuze.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden